NIEVERANST:werken

HET BEGIN DE BOCHT DE WROK WERKEN

(met deze knoppen gaat u naar de andere delen)

Ze staan er allemaal. De Vandenbossches met hun ziekelijke schapen van kinderen, de Mortiers en de Verbeecks – Aloysius als een granieten pater familias omringd door zijn kroost en zijn onopvallende vrouw. De Desmets, simpel volk in vuile gescheurde overgooiers, en veldwachter Valère Deschutter met zijn madame met een fijnkanten parasol die zich als een reusachtige poliep om haar strenge, ivoorwitte gezicht opent. Zelfs de Duthoys en de Verriests, die zich normaal te goed en te proper voelen om voor de jaarlijkse Sint-Elooi-processie naar buiten te komen, zijn er. De uitdrukking op de gezichten varieert van ronduit vijandig over onverschilligheid tot – zij het zorgvuldig verhulde – opwinding. Dit is niets meer dan een nieuwsoortige processie. Het soort waar je je voor opkleedt en wat water en Sunlight-zeep in je gezicht kletst.

 

De hele straat is afgezet met geel-rode paaltjes. Norse werkmannen uit Kortrijk hebben ze, na maanden van geruchten, roddels en speculaties die steeds spectaculairder werden naarmate de avonden en het alcoholgebruik vorderden, eergisteren in de grond geklopt. De oudste van de Mortiers, Karel heet hij, een jonge heetkop, heeft enkele van de paaltjes uitgetrokken en ze een meter of twee verder gezet. Nog geen vijf minuten later stond Valère bij hen op het erf. Hij was op de jongen – nochtans ook geen van de zachtste - toegeschoten als een wilde hond en had hem een bloedneus geslagen. De volgende dag stonden de paaltjes weer gelijk voorheen.

 

Nog niet zo lang geleden zouden ze een revolutie zijn gestart. Met hooivorken en dorsvlegels naar Brussel zijn gemarcheerd en daar het één en ’t ander in de fik hebben gestoken. Hun grootouders, ja zelfs hun ouders, zouden het niet hebben gepikt, maar de oorlog heeft hen moe en mak gemaakt. En dus blijft het bij wat ongevaarlijk grommelen en sputteren, gelijk een hond aan een te korte ketting.

 

“Daar zijn ze!” De jongste Vandenbossche ziet ze het eerst. Een ratelende, rokende, brommende colonne van bulldozers, vrachtwagens en betonmolens komt over de grindweg aangereden. Alle voertuigen zijn geel. Niet het zachte geel van boter- en paardenbloemen maar het scherpe geel van Sunlightzeepwikkels en Union Match-doosjes. En in het kielzog van deze dampende wezens die recht uit Dantes inferno lijken te komen, rijdt de grootste duivel van de hele bende. Wiels, gezeten in zijn blinkende Imperia-automobiel, als ware hij keizer Nero zelf die over het begin van een bloedig festival presideert. Zijn gezicht straalt het soort welwillendheid uit dat mensen tot moorden drijft. Hij zwaait even wuft naar mevrouw Deschutter, iets wat haar echtgenoot niet ontgaat, en vertrekt dan weer – zonder de bewoners ook maar één woord waardig te achten.      

 

De werken beginnen. De machines hebben zich van hun menselijke cargo, twaalf arbeiders in jeansoveralls, ontdaan. Even is er wat rumoer als Aloysius een jonge gast uit de geburen herkent. Een neef van de Verriests, een bleke slungel met pikskeshaar, een goeie jongen maar hij zat al maanden zonder werk.

 

“Ik ken u!” roept Aloysius. De jongen kijkt gegeneerd weg, zet zijn kraag wat rechter maar het is al te laat.

 

Ook vader Verbeeck heeft het gezien en zijn hart krijst. Hij heeft de oorlog meegemaakt en ja, dat was erg, maar toen waren het vreemden die het deden, Duitsers. Maar dit is eigen volk. Het snijdt twee keer zo diep.

 

Een paar dagen later is het parcours afgegraven. De hele dag – 24 op 24 uur – staat er een gendarm op wacht bij de machines. Ze vertrouwen het niet. En terecht: op een nacht overgieten onbekenden – het waren de Desmets, zegt iedereen  - een vrachtwagen met diesel en steken hem dan in brand. Niemand heeft iets gezien. Allez ja, ze zeggen zoveel.

 

Zelfs meneer pastoor weet wie het gedaan heeft. De daders zijn bij hem komen biechten, naar het schijnt, maar hij zwijgt net als de rest. En als hij het volgende zondag in zijn preek over Mozes en het brandende braambos heeft, dan weet iedereen precies wat hij bedoelt. Iedereen, behalve Wiels, die zijn ogen strak op zijn psalmboek gericht houdt, als waren ze eraan vastgeschroefd.

En de onderdrukte massa geniet van deze kleine wraakneming op het establishment.

 

De volgende week zijn het er twee. Een kamion en een tractor, allebei met benzine overgoten en dan in brand gestoken. De rookpluim is tot in Kortrijk te zien, maar in Nieveranst lijkt niemand iets te hebben opgemerkt. “Sorry meneer de polies, maar ik lag juist wat op de zetel te slapen. ””Ik was bij mijn moeder. Erwten aan het doppen.” “Ik zat juist op het WC.” “Wat ik daar zat te doen?” “Wa peist ge?” De families sluiten de rangen. 

 

Wiels is woedend. Hij roept Valère bij zich in het bedompte lokaaltje dat hij zijn “bureau” noemt en scheldt hem de huid vol. Daarna geeft hij de verbouwereerde veldwachter een borrel en schopt hem de straat op. De reputatie van Nieveranst staat op het spel, alle middelen zijn toegestaan. Valère gaat alle huizen langs – behalve bij de Verbeecks voor wie hij nog steeds een heilige schrik heeft  – en spreekt de bewoners streng toe. “Of ze niet beseffen wat voor een weldaden de steenweg, deze betonnen Navelstreng die hen aan de Beschaving koppelt, hen kan opleveren en wat een stap voorwaarts deze openbare investering in hun welzijn wel niet is.” De families horen zijn gepreek lijdzaam aan, en denken er intussen het hunne van.

 

Slechts bij één iemand vindt de veldwachter een gewillig oor. Het is de eerste bres in het onwrikbare verzet van de steenwegers. De Desmets hebben een winkeltje, het is niet veel, een oude schuur met een paar schappen die vader Desmet elke zaterdag vult met wat groenten en fruit die hij met zijn bakwagen van de vroegmarkt haalt. De andere mannen lachen hem erom uit. “De winkelmadam” noemen ze hem en hij, - nochtans een beer van een vent met een volle, gitzwarte baard - krimpt in elkaar als een schoolkind wiens lekstok ze hebben afgepakt. En terwijl Valère uitweidt over de vele voordelen van de steenweg, rijpt er een plan in zijn massieve, trage kop. Een steenweg dat betekent auto’s en die hebben naft nodig. En dat is exact wat hij gaat verkopen. En hij weet dat Aloysius hem rauw zal lusten, maar Aloysius heeft makkelijk praten – het is niet zijn grond die ze hebben afgepakt dus hij moet zwijgen.

 

***

 

Wiels zit in zijn officiële bureau, aan zijn mahoniehouten schrijftafel. Hij leest de laatste brief van  zijn broer Guido die al sinds zijn achttiende in de Kongo zit. “Het werk van een missionaris is het hardst,” schreef hij, “in de afgelegen dorpen die nog volledig in het duister der heidense afgodencultus zijn verzonken. In zulke gevallen is het belangrijk om de juiste personen aan te spreken. Ik heb al verschillende malen meegemaakt hoe hele families en zelfs volledige gemeenschappen zich bekeerden nadat één hunner stamoudsten deze belangrijke stap had gezet. Als de eerste halm gevallen is, dan valt de rest van het veld als rijpe aren onder de zeis van het Geloof.” Die laatste metafoor is wel wat geforceerd, maar Guido is een streng katholiek en die zijn sowieso taalkundig wat achterop.  

 

Wiels heeft deze regels net gelezen als Desmet aan zijn deur staat om zijn bouwvergunning aan te vragen. Dit simpele verzoek is voldoende om de burgervader visioenen te doen krijgen. Met Desmet als zijn eerste bekeerling, is het slechts een kwestie van tijd eer de rest van de steenwegers zijn fouten inziet en de steenweg in zijn armen zal sluiten. Wiels ziet al kolonnes identieke bechroomde betonmolens Nieveranst binnenrollen terwijl de inwoners hen toejuichen. Aloysius staat vooraan de menigte – het gezicht betraand en opgeheven in oprechte adoratie. “Dank u, burgemeester,” fluistert hij devoot, terwijl Wiels op een platform getrokken door tien bulldozers voorbij ratelt.

 

De bouwvergunning wordt onmiddellijk goedgekeurd.

 

***

 

“Judas!” zo noemt Aloysius hem. Hij heeft het verraad van zijn stille buurman slecht opgenomen. De vaalgele bouwkundige aankondiging op de kerkdeur is voor hem een regelrechte oorlogsverklaring. Hij kookt en dampt als een vroeg veld na een koude nacht. Desmet buigt zijn hoofd en loopt verder. Ja, Aloysius heeft makkelijk praten. Hij denkt aan de naft, de kleverige, zwarte godennectar, die hij gaat verkopen en lacht.

  

De volgende nacht gaat er opnieuw – voor de laatste keer – een vrachtwagen in vlammen op. Aloysius, achter zijn dakvenster gezeten, ziet hoe het vuur zijn zuiverende werk doet. De zwarte, wervelende rook stijgt ten hemel. Het geeft hem geen voldoening, zoals de vorige keren. En ergens in die doorgroefde, gelooide kop van hem, zit er een beeld dat maar niet weg wil: een visioen van macadam en plaatstaal, van naft en rook. Hij huivert en sluit de gordijnen.    

 

Door het incident wordt er de volgende dag niet gewerkt. De voertuigen staan even buiten Nieveranst, dicht tegen elkaar geparkeerd in de druilerige regen, als een groep eerstejaars op de speelplaats van een nieuwe school. Eén van de bulldozers staat op één schep afstand van een opzienbarende vondst.

 

Als Aloysius zijn gordijnen niet had gesloten, dan had hij hen gezien. Twee beweeglijke stipjes die huppelend, zoals alleen kinderen dat kunnen, naar de geparkeerde metalen monsters trekken. De jongste van de Desmets, en een kleuter van één van de werkmannen, een blonde krullekop met een blauw kieltje. 

“Kom, ik moet u wat laten zien,” heeft het Desmetkind tegen zijn jongere vriendje gezegd. En hoe zijn kleine kinderen? Al gauw zijn ze op weg naar een nieuwe, verborgen en verboden speelplek en graaien ze met hun handjes in het mulle zand, in een kinderlijke imitatie van de graafwerken in hun straat.

 

En plots voelt de jongste van de Desmets iets koels en glads in het zand. En wat anders is het dan de tweeloop van Aloysius die al twee maanden vermist is. En het jongetje pakt het ding vast, zoals de cowboys op TV dat doen en hij roept met de laatste glimlach van zijn kindertijd iets als “Pief poef! Gij zijt dood!” En inderdaad, zijn speelkameraadje valt en er sijpelt bloed in het zand.

 

Even denkt het kind nog dat het hier om een grap gaat, één die getuigt van een wel zeer slechte smaak, maar als het bloed blijft stromen en zijn kameraadje, ondanks zijn smeekbeden, beloftes en aanporren weigert te bewegen en akelig koud aanvoelt; staat het recht en loopt het zo hard het kan, het moordwapen in zijn handen geklemd. De daarop volgende minuten zijn de ergste die het kind, die nochtans een gezegende leeftijd zal bereiken,  ooit zal meemaken. De tweeloop wordt opnieuw begraven, op de veiligste plaats die de jonge moordenaar, want dat is hij in die ene ondeelbare seconde geworden, zich kan inbeelden.

 

En dan begint de komedie. Het liegen. “Of hij weet waar die-en-die is?” “Of hij hem nog heeft gezien om dit-en-dat uur?” En het kind kijkt met zijn grote, onschuldige ogen naar diegene die vragen stelt. En hij zegt: “Ik zou het echt niet weten. En ze geloven wat hij zegt.

 

Het onderzoek loopt dood. Valère weet niet waar hij het heeft. Een moord, hier in Nieveranst, vlak onder zijn neus om zo te zeggen, en hij – hij weet niets. Geen spoor. Geen bewijzen of getuigen. Niets. En is het dan vreemd dat Valère een zondebok zoekt? Is het onvergeeflijk dat hij iets doet wat al zijn collega’s tenslotte doen?

 

Vlak buiten Nieveranst, aan de grote, zwarte Donkvijvers is een groepje Romazigeuners neergestreken. Hun kleurrijk beschilderde wagens, nog door paarden getrokken, staan kriskras door elkaar, hun houten bespaakte wielen half verzonken in de modder.  Ze zijn Wiels een doorn in het oog. Zigeuners – toch een overblijfsel van donkerder, minder beschaafde tijden, nietwaar? -  horen niet thuis in het moderne Nieveranst. En zo komt het dat Valère, dit keer mét versterking van de plaatselijke rijkswacht, het kampement binnenvalt en er twee jonge gasten, besnord en met een huid als gesmolten karamel, oppakt. Voor doodslag.

 

Toegegeven. Er is niets bewezen. Iemand heeft de twee Romajongens in de buurt van de werf gezien. En ja, er is gestolen materiaal in het zigeunerkamp gevonden, wat kabels en wat koper. Voor de rechter in Gent voldoende om de twee sukkelaars te veroordelen. Vijftien en twintig jaar. 

 

En het leven gaat verder. De bloedroepende wraaklust van Nieveranst is – voorlopig althans – verzadigd. Er zijn schuldigen gevonden, koppen gerold en zo hoort het. En het leven gaat verder. Niet altijd in een schone rechte lijn, soms kronkelend, divergerend en soms zelfs volledig in de verkeerde richting, soms op duistere paden, over zompige grond, maar het gaat verder. 

 

Alleen voor één iemand blijft de tijd stilstaan. Een kind met een gat in zijn hart. Het gat wordt steeds groter – groot en gapend en angstwekkend donker. Maar het groeit en blijft groeien. Tot er geen hart meer overblijft.

  

HET BEGIN DE BOCHT DE WROK WERKEN

(met deze knoppen gaat u naar de andere delen)