NIEVERANST:de wrok

HET BEGIN DE BOCHT DE WROK WERKEN

(met deze knoppen gaat u naar de andere delen)

Alles is verbonden. Ze zeggen dat een vlinder in de Golf van Mexico een orkaan in Siberië kan veroorzaken, gewoon door even met zijn ragfijne vleugels te slaan. Maar ja. Ze zeggen zo veel.

 

***

 

Hij ziet eruit gelijk een onnozelaar. Dat weet hijzelf ook wel. Hij heeft opzettelijk zijn ene kous binnenste buiten aan. Ook de snot die aan zijn rechterneusgat hangt, hangt daar met een reden. En de knopen van zijn vest heeft hij speciaal fout geknoopt. Aloysius’ vrouw, Marie, heeft hem daarnet een zweterig vijffrankstuk toegestopt. Haar man zou haar scheel slaan, mocht hij weten dat ze zijn zuurverdiende boerengeld zo lichtvaardig uitdeelt. Dat zou hij niet direct erg vinden, want het mens heeft een smoel als een kortademige karper.

 

Boris lacht en voelt zich een koning. Ze moesten eens weten. Hoe hij over hen denkt, hoe slim hij het allemaal heeft gespeeld, de leugens die hij hen voorhoudt en waar ze onveranderlijk in trappen omdat ze ze zo graag willen geloven, hoe hij hen en hun hele klotedorp haat. Op school heeft de meester over Julius Caesar verteld. Hoe hij door list en strategie de Gallische stammen één voor één wist te verslaan. De meester had het hen voorgetoond, terwijl hij enige regels uit De Bello Gallico had geciteerd, staande op een stoel, een bordenwisser in zijn ene hand een meetlat in de andere. De meester was een onnozelaar, gelijk de rest, maar van hem kon je nog iets leren.  En dat was belangrijk. Kennis is macht.

 

Vandaag heeft hij eindelijk zijn slag geslagen. Het had lang geduurd, na uren observatie en geduldig wachten, maar het heeft geloond. De tweeloop, die enkele uren geleden nog het rechtmatige eigendom was van Aloysius Verbeeck, is nu officieel in zijn bezit. Hij heeft het geweer begraven op het heuveltje van waaruit zijn broer enkele jaren geleden de Tiger Tanks bemerkte. De symboliek ontgaat hem niet. 

***

Maar ik was dus bezig over vlinders die orkanen veroorzaken. En de breedgeschouderde, gewelddadige vlinder Aloysius geheten, die veldwachter Valère heeft weggejaagd met zijn staart – en volgens verschillende kwatongen met nog iets anders – tussen de benen, heeft een storm veroorzaakt. De bulldozers en betonmolens verleggen hun koers, een fractie van een graad - meer niet, en ontnemen een andere sukkelaar zijn grond en zijn rust.

 

Zo gaat dat nu eenmaal in Nieveranst. Zij die kabaal maken worden gespaard en weten zelfs een zeker respect af te dwingen, zij het onwillig en met de kans op revanche, maar zij die niets zeggen en in alle stilte hun rug nog wat verder krommen en verder werken en zwoegen, zij krijgen nog de meeste ellende over zich uitgestort. Miserie is gelijk water: het zoekt de zwakste plaats in de waterkering en blijft daar geduldig kabbelen en knagen tot de dijk kraakt en barst en het hele land in één kolkende omhelzing blank komt te staan. Zo ook de steenweg, die als een jonge, onstuimige, betonnen rivier doorheen het land van Nieveranst trekt en alleen aan de zwakste deuren en gevels knaagt.

 

Valère de veldwachter is in zijn element. Eén bezoek aan de Vandenbossches is voldoende geweest om hem zijn smadelijke nederlaag van enkele dagen geleden te doen vergeten. De Vandenbossches zijn kleine boeren, bang volk dat zich in zijn eigen huis laat commanderen en dat onbewogen luistert naar de heilige woorden die het Gezag over hen uitstrooit. Vader Vandenbossche, een magere man met grote handen en nog grotere, behaarde oren, knikt alsof zijn kop er elk moment kan afvallen. Hij heeft de oude Wiels – de vader van - nog gekend, een venijnige grijsaard die zich elke zaterdag, in onberispelijk jacquet en buishoed gestoken, met zijn Landauer door de velden liet rijden, en de knechten ranselde met zijn karwats waar en wanneer hem dat gepast leek.

 

Is het het oude litteken op de rug van vader Vandenbossche – zonder voornaam, want die is hij in tientallen jaren blinde gehoorzaamheid kwijtgespeeld, zelfs zijn vrouw kent hem niet meer, zo lang is het geleden dat ze elkaar nog hebben gesproken als twee geliefden.  

 

Is het het litteken dat de karwats van de baron in zijn rug heeft achtergelaten dat hem doet buigen als een oude wilg? Dat hem verhindert rechtop te staan gelijk een echte man en de veldwachter met zijn klieken en klakken buiten te smijten? Hij zwijgt als Valère hem het bevelschrift voorleest.

 

Dertig are van zijn beste grond moet hij opgeven en een deel van zijn veld komt aan de overkant van de weg te liggen. En hij wil wel roepen en tieren en god ja ook met iets gooien maar hij zwijgt. En zijn zwijgen hangt als een mes in de lucht en even lijkt zelfs Valère, die nochtans niet bekend staat voor zijn fijngevoeligheid te beseffen wat hij deze man, deze boer aandoet. Hoe hij hem zijn grond afpakt en – misschien is dit nog het ergst – hoe hij een prijs heeft gezet op iets waar nog nooit iemand een waarde heeft opgeplakt: het verleden en de toekomst van zijn familie. Vijf frank per vierkante meter.

 

En Vandenbossches vrouw en zijn zoon zijn getuige van zijn laffe capitulatie in het zicht van de vijand. En hij weet dat hij hen nooit meer recht in de ogen zal kunnen kijken, dat hij voor hen nooit meer een echte vader of echtgenoot kan zijn, omdat hij het weinige respect dat hij ooit van hen heeft gekregen, die dag voorgoed is kwijtgeraakt. Hij biedt Valère nog een borrel aan, zijn beste fles Hertekamp dan nog wel want hij heeft altijd geleerd dat een mens zijn meerderen goed moet ontvangen, en veldwachter en boer klinken samen op de toekomst maar Vandenbossches “santé” klinkt wel bijzonder broos en onoprecht.

 

En lang nadat de veldwachter is opgestapt, na vier glazen nota bene – sommige mensen hebben echt geen manieren - staat vader Vandenbossche naar buiten te staren en hij doet niets, behalve zwijgen, al meer dan een uur en zelfs naar zijn gewoonte is dat lang. En zijn jongste zoon, een baaske van nog geen acht, staat naast zijn vader en imiteert de wanhoop in diens gezicht zonder echt te weten waar het allemaal om draait.

 

En pas als hij zijn eigen verdriet in de ogen van zijn zoontje weerspiegeld ziet, en diens zorgelijke trekken als de zijne herkent, kraakt en breekt er iets in Vandenbossches te grote kop met die te grote, behaarde oren. En hij vloekt.

“Nondedju.”

En het lost niets op, maar het lucht wel op. Dus hij doet het nog een keer.

“Nondedju.”

En het baaske ziet en hoort zijn vader zo bezig en besluit om dit moment nooit meer te vergeten. Meer nog, hij neemt zich voor om het verdriet van zijn vader te wreken op de man die daar volgens hem verantwoordelijk voor is: Aloysius Verbeeck, wiens onwrikbare verzet dit onheil over hun hoofden heeft afgeroepen.

 

En inderdaad. Over twintig jaar zal de jongen inderdaad in zijn opzet slagen en zal hij de hele Verbeeckfamilie een fatale slag toebrengen; maar dat heeft dan nog weinig te maken met de kinderlijke belofte die hij die dag heeft gedaan – een belofte die hij dan al lang vergeten is, want mensen zijn nu eenmaal zoals vlinders. Ze fladderen wat met hun vleugels en veroorzaken stormen in andermans leven, terwijl ze zich zelf van geen kwaad bewust zijn.  En misschien denkt u nu “Die man kletst uit zijn nek, mensen fladderen niet, meer nog, ze hebben zelfs helemaal geen vleugels en als ze die al zouden hebben dan zouden ze die wel met meer overleg gebruiken dan een stel stomme vlinders en dan zouden ze proberen om zo weinig mogelijk orkanen te veroorzaken enz.” En al wat ik daarop kan zeggen, is: “Misschien heeft u wel gelijk.” Ja, misschien wel. Maar daarmee zijn de mensen van Nieveranst nog geen stap verder, natuurlijk.  

HET BEGIN DE BOCHT DE WROK WERKEN

(met deze knoppen gaat u naar de andere delen)