NIEVERANST: de bocht

HET BEGIN DE BOCHT DE WROK WERKEN

(met deze knoppen gaat u naar de andere delen)

 

De eerste jaren na de oorlog waren iets speciaals - naar het schijnt. Onze moeders en grootmoeders waren toen nog lachwekkend jong en fietsten met wapperende jurken, die onveranderlijk bebloemd waren; over zonovergoten, door velden en grachten omzoomde wegeltjes. Meestal hadden zij bloemen bij zich of zelfgebakken cake. Tijdens het fietsen etaleerden zij zonder gêne hun witte kousjes, en dit zonder enige seksuele bijbedoeling, net als hun mening over koning en vaderland, de oorlog in Korea en de liberale inmenging in het katholieke onderwijs. En ondertussen draaide en spinde de wereld verder, gelijk een bronstige stier die een deftig van poten en oren voorziene koe in zijn wei heeft ontwaard en zo opeens een doel in zijn voor de rest zinloze leven heeft gekregen.

 

Let wel, het geld kwam in die tijd niet uit de lucht vallen. Nee, het kwam uit Amerika. Net als koelkasten, kauwgum, nylonkousen en andere parafernalia van de vooruitgang.

 

Alleen in Nieveranst ging het allemaal wat trager. Kochten de boeren van Nieveranst een tractor, dan kochten ze er in Platvijze een dozijn. Had het Nieverse gemeentebestuur na veel vijven en zessen beslist om een kolenkachel in de kerk te installeren, dan gooiden ze die in Vortegem net buiten om plaats te maken voor een model dat op elektriek werkte. Kortom, het was om zot van te worden.

 

Gelukkig stond er in die tijd een rasechte visionair aan het hoofd van het dorp. Burgemeester Wiels zag met lede ogen aan hoe zijn dorp van langstom meer achterop raakte en begreep dat er maar één ding zijn gemeente van de vergetelheid kon redden: een steenweg. Een schone, rechte avenue die Nieveranst met de rest van de moderne wereld zou verbinden.

 

Wiels was de perfecte politieker. Als geen ander kon hij zalven, smeken, soebatten, beloven, dreigen en manipuleren. Hij wist bovendien perfect wanneer hij welke strategie moest toepassen, wanneer hij zijn toehoorder moest complimenteren met zijn nieuwe dasspeld of hem net op de meest brutale manier moest schofferen. Deze aanpak verzekerde Nieveranst al snel van de zegen van Brussel waar het de steenweg betrof.

 

Maar zelfs een vent als Wiels maakt wel eens fouten, zelfs een Wiels vergeet soms dat bepaalde universele wetten ook op hem van toepassing zijn en dat hybris zelden door succes wordt opgevolgd. Het lot van zijn glorieuze plannen werd bezegeld op een zonnige meiochtend, en dat op een plaats van alle glorie verstoken: het WC van Aloysius Verbeeck...

 

“Godverdomme!” De oermoeder van alle Vlaamse vloeken knalt dwars door het groene deurtje dat – alle clichés getrouw – voorzien is van een hartvormige opening. Binnenin kijkt Aloysius, de broek op de enkels, verstoord op. Zijn gelooide, van rimpels doortrokken, gezicht lijkt van ver bezien op dat van een kwaadaardige chimpansee met een kroon van inktzwart haar erbovenop. 

 

Aloysius heeft de hele ochtend vlas geplant en zijn doorgroefde handen voelen als rauwe biefstukken. Het dagelijkse kwartiertje op het toilet is heilig voor Aloysius,; wie hem dan durft te storen, gaat gegarandeerd een pijnlijke dood tegemoet. Aloysius is gene makkelijken, gelijk dat ze dat zeggen. Ooit heeft hij Katrien, zijn vrouw, zo’n oorvijg verkocht dat ze dwars door de commode met het schoon servies is gevallen. En nadien mocht ze de hele zooi nog zelf opkuisen ook.

 

De reden waarom Aloysius die omineuze ochtend verstoord opkijkt, is een geluid. Het gekraak van een paar frenetiek opgeblonken bottines op de oprit. Valère De Schutter, de veldwachter, één en al blinkende knopen en gespen, is de vleesgeworden definitie van zijn ambt, een lichtend baken van rechtschapenheid in een tijd waarin het Internationale Communisme en zijn adepten steevast op de loer liggen om de Orde te verstoren.

 

Valère krult zijn monumentale snor elke dag tot in de puntjes, waarna hij er voorzichtig een vingertop brilliantine doorwrijft. Deze handeling geeft de snor een satijnige, wat onwereldlijke, glans. Zijn ruwkatoenen uniform is de wetsdienaar door de jaren heen wat strakker om de taille komen te zitten, maar dat belet hem niet om er nog steeds indrukwekkend uit te zien. En toch, onder dat laagje grootdoenerige bravoure, broeit er een vage onzekerheid in Valères gemoed. Hij vloekt inwendig. Zijn vader en zijn grootvader, beiden onkreukbare toonbeelden van mannelijke krachtdadigheid, zouden niet geaarzeld hebben, zelfs niet in deze uitzonderlijke situatie.

 

De Schutter heeft een missie. Hij heeft de dag tevoren in de Revue Belge een artikel gelezen over Japanse kamikazepiloten. Wel, Valère weet perfect hoe ze zich voelen. Alleen, in tegenstelling tot zijn Japanse lotgenoten, wil hij niet dood. Het liefst van al was hij zelfs gewoon thuis gebleven. Aloysius’ reputatie is hem immers maar al te goed bekend, en niet alleen van horen zeggen. Hun vorige ontmoeting heeft Valère een gekneusde rib opgeleverd en de belofte dat hij met zijn klieken en zijn klakken in de mestvaalt zou belanden, mocht hij zich ooit nog op het erf van de Verbeecks durven te vertonen.

 

Valère heeft zelfs even overwogen om Brussel te bellen voor een extra peloton rijkswachters, maar die gedachte heeft hij snel weer van zich afgezet. Hij heeft zijn beroepseer. Die moedige inborst weerhoudt hem er echter niet van om met knikkende knieën het erf te betreden. Elke vijf seconden gaat zijn rechterhand naar zijn koppelriem. Daar hangt zijn dienstwapen, een HP 35, als een overmaatse, zware konijnenpoot die hem voor het nakende onheil moet behoeden.

 

Aloysius staat al buiten. Zijn rood aangelopen stierenkop wordt zo mogelijk nog een tint roder als hij de bibberende veldwachter opmerkt.

”Awel. Awel. Wa emme ze ier up minne nof gegooid,” zegt hij dreigend. “Menier mestoop.”

Valères hersenen geven hem intussen al voor de tiende keer het bevel om  terug te trekken, maar om de één of andere reden weigeren zijn benen dat te doen.

 

“Ik... ik... kom met een officiële rondzendbrief ,” stamelt de veldwachter. “Van de burgemeester,” voegt hij eraan toe. Alsof dat er iets zou toe doen, bij deze wilden. Zijn vinger ligt al om de trekker van zijn dienstwapen. Het scheelt niet veel of hij schiet los door zijn eigen voet. Puur van de zenuwen.

“Aja?” Ongelooflijk hoeveel emoties die Aloysius in slechts één woord weet over te brengen: haat, wantrouwen, minachting, dreiging; ze zitten allemaal in die drie letters verpakt.

“We moeten eens een klapke doen... over de steenweg.” De laatste woorden zijn bijna onhoorbaar.

“Ne stienweg, min kleute!” schreeuwt de boer, als ware het een Japanse strijdkreet.

Hij draait zich om en loopt weg, in de richting van de stallen. Daar heeft hij zijn tweeloop liggen, een feit dat ook Valère niet onbekend is.

 

Met de weinige waardigheid die hem nog rest stapt de veldwachter naar de straat. Daar zet hij het op een ongegeneerd lopen. Volgens één van de kinders van de Desmets – die Valère tijdens zijn vlucht was tegengekomen - had de veldwachter het letterlijk in zijn broek gedaan van de schrik.

 

Intussen speelt zich ook binnen in de boerderij een klein drama af: Aloysius vindt zijn geweer niet. Hij vloekt op zijn vrouw en zijn twee zoons – maar ook zij beweren van niets te weten. Aloysius keert het hele huis ondersteboven, smijt de hele huisraad op straat en kiepert de voerderbakken één voor één uit. Tevergeefs, hij zal het geweer nooit meer terugzien. Tenzij dan één keer.

 

Intussen is Aloysius’ trillende prooi ontsnapt. Tijdens zijn smadelijke terugtocht heeft hij twee glimmende knopen achtergelaten, en een brief. “Bevel tot onteigening,” staat erop, in stevige kapitalen. En dan blaast de wind het vodje weg.    

 

***

 

“Amateurs!”

Hoofdingenieur Verbetert is een man van de wetenschap. Iemand voor wie de kortste afstand tussen twee gegeven punten onveranderlijk een rechte is. De rest is zever.

Deze onverwachte bocht in een voor de rest lijnrecht parcours is een aanranding van zijn wegenkundige principes. Hij bekijkt de plannen op zijn krakkemikkige werktafel nog eens van dichterbij, misschien is er een logische verklaring voor. Noppes.

 

Enkele telefoontjes later heeft hij de plaatselijke burgemeester aan de lijn. Wiens of zoiets, heet de man. Deze verzekert Verbetert van de absolute noodzaak van de bocht.

“Beste meneer, het gaat hier om onvervangbaar natuurschoon, een uniek stuk van het patrimonium dat onze voorvaderen ons achterlieten. Dit kan men toch niet zomaar verloren laten gaan.” En patati en patata. Zelfs Verbetert blijft niet onbewogen onder de stormvloed aan woorden die de politieker over hem uitgiet.

 

En zo ontstaat de Bocht van Nieveranst. Een kleine afwijking in de rechte reep beton die dwars door het hart van de Leiestreek loopt. De Bocht van Nieveranst, of - zoals de omwonenden het, met de zwarte humor die hen zo eigen is, noemen – “de Strontstraat”. 

HET BEGIN DE BOCHT DE WROK WERKEN