Ik geloof niet in het
Lot, een of ander knap mechanisme dat al onze
stommiteiten opeens tot 'zin' zou recycleren. Ik
geloof in niet zoveel, vrees ik. En al helemaal niet
in New Age. 'Ach, mevrouw Beukelaers, wat een
stijlvol aura hebt u vandaag toch om! bruin is echt
wel een modekleur. Kom gerust binnen, ik was juist
mijn cactus aan het stimuleren!' En dus ook niet in het Lot.
Het was dus toeval dat ik, die dag in juli, díe
plaats op de trein nam, dat de jongeman tegenover mij
ook net 'In de ban van de ring' aan het
doorsnuisteren was en, net als ik, fluogroene
bretellen aan had. Ik had dus genoeg
aanknopingspunten voor een Gesprek. De jongeman had
ook een naam, dit kon geen toeval meer zijn. Hij
heette Johan. Hij was ook geëngageerd, vandaar die
bretellen.
Johan vertelde me
over het Roemeenje-project (engagement en
progressieve spelling gaan, helaas, vaak samen). Al
meer dan vijf jaren gingen er studenten uit Leuven
tijdens de zomervakantie in een Roemeense
psychiatrische instelling gaan werken. Het klonk
allemaal als een mooi verhaal waar ik ook wel een rol
wilde in spelen. Je ziet iets van de wereld, het is
er altijd mooi weer. En het was maar een maand. Kon
ik mijn moeder nog eens verrassen.
Voor ik het goed en
wel besefte, zat ik met een stel gelijkgestemde
zielen in een veel te krap busje op weg naar
Roemenië. Je bent jong én gek. Na 24 uur scherpe
bochten en hobbelige kasseien haalden we de Roemeense
grens. Een hypermodern douanekantoor wachtte ons op
aan de Roemeense grens. En daarmee hadden we dan ook
het enige hypermoderne gebouw dat Roemenië rijk is,
gezien.
Er loopt ook een
autosnelweg door Roemenië. Een gezellige
tweevaksbaan met veel paardenkarren en nog meer
pittoreske boeren. Ook 's nachts reden er steeds
paardenkarren op de weg: een boer met zaklamp speelde
dan meestal het achterlicht.
Roemenië is een
mooi land. De Karpaten, die exotische naam uit mijn
aardrijkskundeboeken, waren nog niet door de
toeristenhordes aangetast. Maar. Een verschrikkelijk
woord.
Het land lijkt soms
op de speelplaats van een reuzenkind. Het genie van
de Karpaten heeft zijn werk goed gedaan. De wegen die
nergens naartoe leiden en dat nooit zullen doen. De
warmwaterleidingen die het hele land doorsnijden, een
roestend teken van beschaving. 'Ik geef mijn volk
warm water, wat klagen ze dan,' zo moet de
zelfverklaarde president-voor-het-leven Ceaucescu
ooit hebben gedacht. De blokkendozen, ter plekke
neergegooid - een nieuwe droom-, met wat geometrisch
groen. En daartussen, Coca-Cola. Groot, glimmend.
Uitdagend. Ook hier.
De mensen, zij die
het overleefd hebben. Ceaucescu heeft ze niet kapot
gekregen. De drank misschien wel. En ja, het zijn
racisten: een platgereden zigeuner is er twee waard.
Ze zijn niet altijd even actief. Ze zijn ook:
gastvrij, ze lachen vaak en graag, de humor die hun
recht houdt, maar die ook hun harten laat zien. De
winters zijn hier nog lang en hard. Nog lang hard.
Dat weten ze.
We werkten in de
psychiatrische instelling te G., in
centraal-Roemenië. In Transylvanië. Ieder dorp had
er zijn eigen kasteel van Dracula, of toch minstens
een eigen bungalow waar de vampier - volgens
onveranderlijk welingelichte bron ooit zou
hebben gewoond. We logeerden in de kindercrèche van
L., een provinciestad, waar de lucht altijd grijs
leek en dat ook waarschijnlijk was. Iedere ochtend
werden we dan ook gewekt door het gekrijs van de
kindjes.
Ook Roemeense kindjes huilen. Ze hebben het nog niet
geleerd: die doffe aanvaarding, de grimlachjes die
het allemaal wat relativeren.
Alleen, als er twee dingen zijn die zich moeilijk
laten relativeren, dan zijn het de kou en de honger.
Iedere ochtend, na
de rituele kakkerlakkeninspectie, begaven we ons naar
de eigenlijke instelling. Dit was telkens weer een
avontuur op zich. De aarden weggetjes waren niet met
het oog op onze lompe, westerse bestelwagen
aangelegd.
Ganzen, kippen en kuikentjes werden vakkundig
ontweken. Dit lukte niet altijd - dan aten we die
middag platgereden gevogelte. Een laatste moordbocht
en daar doemde de instelling op.
Ik schrijf opdoemen', want de instelling bevond
zich strategisch op een lichte helling. Vier
degelijke, robuuste torens verrieden de
oorspronkelijke functie van het gebouw: kasteel.
Opgetrokken om de omliggende leegte te verdedigen.
Verdedigers en aanvallers waren al lange tijd
verdwenen. Alleen de graven zijn gebleven. En zelfs
dat niet: de houten kruisen blijven nooit lang staan.
Brandhout is schaars.
Daarna werd het
kasteel een kazerne, dan een gevangenis - de tralies
hingen er nog. En nu dus, een psychiatrie.
Televisie kan veel
tonen, aanschouwelijk maken en zelfs doen begrijpen.
Hier kwamen de beelden vandaan die ons ooit eens
deden huiveren, rond kerstdag, dan zijn we gevoeliger
voor zulke dingen. Maar dat is al lang geleden.
Alleen, televisie zal één ding nooit kunnen tonen -
de geur. De geur van dood, van stront op de muren, de
geur van het wachten.
En daar sta je dan.
De uitleg blijft ergens aan je lippen hangen.
Je kent ze wel, de mensenrechten die worden
overtreden, je kan ze zelfs citeren. En toch, het
doet er niet toe, het zal er ook nooit iets toe doen.
Je wil weglopen, je hebt medelijden, medelijden is
geen eten, je helpt.
Dat probeer je toch. En langzaam krijgt die hoop
ellende een naam, een gezicht. Viorel, Bandi,
Petroviciy... Dat hun namen, hier bemiddel van de
luxe, blijven staan. Je Roemeens gaat erop vooruit.
Daar kan je later nog mee uitpakken.
Je praat met hen. Je schaakt met hen en verliest. Je
vraagt je af waarom zij in de psychiatrie zitten en
niet jij. Je schildert en kalkt muren. Het wit wordt
snel bruin, maar wat geeft dat? 's Avonds en in de
weekends zijn we toch vrij. Dan verkennen we het land
uit de vakantiefolders.
We verliezen een
partijtje voetbal tegen de plaatselijke jeugd.
Terecht. Ondertussen houd je ook contact met 'thuis'.
Ze begrijpen het niet, maar eigenlijk begrijp je het
ook niet zo goed. Je kan zo weinig doen en een maand
is... BLABLABLABLA.
Het vertrek. Het
gevoel van 'dit was niet alles, we hebben de pauze
zelfs nog niet gehad.'. Je bent iets begonnen, je
hebt een maand hun leven gedeeld. Maar jij gaat - zij
blijven. En je Tot ziens' klinkt ongewild vals in je
oren - je komt nooit meer. Dat weet je. Toch zeg je
het: 'la revedere' en je gelooft er zelf in. Omdat
het moet.
Ik heb me te vroeg
omgedraaid.
Zo kwam ik terug in
België, als een deserteur. Met de trein.
Gent-Sint-Pieters. De drankautomaten, de computers,
de tijdschrif ten, de kleuren die zoveel verbergen.
En dan die angst dat je dit, deze dingen, ergens
nodig hebt. Je hebt het gemist.
Eén maand later en alles is weer vergeten. Eén
maand, zo lang duurt de herinnering. Menselijkheid
verveelt snel.
De dingen die je
vergeet.
En zo kwam ik terug
in het land dat niet meer het mijne was. Het was
najaar 97 en België was geschokt. De volledige
Belgische bevolking had zich met veel energie op de
zaak-Dutroux gestort. Wit was opnieuw een modekleur
en alles wat we nu deden, deden we in het kader van
het 'post- Dutroux-trauma'. Overal werden er moppen
verteld, allemaal om ons eroverheen te helpen. Humor
als therapie. Jaja.
Heftig kritisch rondkijkend- de nieuwe burger,
weetjewel- begon ik aan mijn tweede kan.
Ah, tweede kan. Het is iets datje automatisch
overkomt als je eerste kan hebt gehad. Je hoeft er
niets voor te doen: na één komt twee.
Krek dezelfde vakken
als in dat eerste jaar, alleen nog saaier. We leerden
nu eindelijk dingen waarmee we mensen op een
professionele manier konden overbluffen. En ja,
we moeten die Van Dale helemaal van buiten kennen.
'Teratogeen', was dat niet pagina 3051
De geestdrift van
eerste kan was ook al ver te zoeken. Het offensief
stokte, we begonnen ons in te graven.
Onze 'impulsieve daad' werd nu een bewuste
studiekeuze' genoemd.
Collocatieformules, paginasignaturen, zeldzame,
eerste drukken en lexica moesten onze ongelukkige
liefdeslevens enigszins verzachten. Ook studeren
moest nu spontaan gebeuren.
We werden ook ge-camera-traind: een tekstje
expressief voorlezen, alsof je het allemaal zelf
geloofde. Iedereen heeft recht op een eigen
talk-show.
En op een klaproos
op zijn graf. The Flanders Fields Poets, die
bestudeerden we ook. De dichters tussen de klaprozen.
waar zijn hun gedichten, wie leest ze nog? Er worden
natuurlijk lezingen over hen georganiseerd. Veel
lezingen. 'ze bedoelden dit.' De gruwel in tien
woorden, aan het metrum aangepast. De metaforen die
niemand meer kunnen raken.
Blunden, Rosenberg,
Sassoon, Owen en Mccrae. Is het niet koud zo, onder
de grond, met een klaproos in je buik? Het voelt
goed: de vlijmende foto's met het onschadelijke leed.
De boeken die niemand leest.
Wie zal er dit boek
lezen? Wie zal de punten geven?
Stijl: /10
Spelling: /10
Inhoud: /10
Wie zal er met me
lachen, huilen...? Wordt er nog gelachen?
Het laatste
hoofdstuk zal kort zijn.
***
Nu ben ik twintig. Ik ben oud. Ik heb te veel gezien,
te veel gehoord, te veel gedacht en te weinig gevoeld
om nog jong te zijn. Ik heb de stront op de muren
gezien, de doden op TV -ik kijk geen TV meer-. Het
doet me niets.
Ik heb liefde gevoeld, laat me nu rusten.
Het was een koude
winteravond, ik had mijn eerste maagzweer. Ik dacht
aan veel maar niet aan liefde. Nee. Zij was niet
mooier, liever, zachter dan meisjes verondersteld
worden te zijn. De maan niet helderder dan anders, ik
niet zatter.
We zeiden de dingen
die op de een of andere manier moesten worden gezegd.
We zeiden het niet origineler dan anderen. we
lachten, toen nog samen, en dachten dat de Dood ons
misschien zou overslaan.
Zelfs de Dood. we
hielden elkaar warm in de kille winternacht. Dat
vergeet je niet. We besloten elkaar te blijven
kennen. Wij, niet dezelfde muzieksmaak, niet
diezelfde voorkeur voor bruine smarties en Tolkien.
De dingen die we samen deden, die ik hier nog heb, in
de leegte van mijn hart. Hoe we elkaar toelieten. We
waren bang, maar het was niet erg. De aarde trilde
niet Hemingway had gelijk. Het was niet nodig.
Het was 2 april.
Zie je, ik weet het nog.
Maar nu is ze weg,
vertrokken naar een land dat mij altijd koud en ver
zal schijnen. Een jaar lang, waarin dit papier de
warmte vervangen moet.
Het vliegtuig vertrok vroeg, het was zeven uur en we
moesten al gevoelens hebben. Op zo'n tijdstip valt
dat niet mee.
Ik heb het niet zien
opstijgen: je moet een drankje betalen om een plaats
aan het venster te krijgen. Om te kijken - naar de
vliegtuigen die mensen meevoeren, want dat moet.
Ik wacht.
Ik wacht al zo lang: op de reuzen die niet komen, op
de zomer, op het vliegtuig dat nooit is teruggekomen.
Ik wacht nog steeds.
Het is nooit anders geweest.
En toch ook weer
niet.