Hoofdstuk 4: gruis.

En zo bent u, de lezer, samen met mij aan het begin van dit nieuwe hoofdstuk beland. U hebt nogal wat stukken diagonaal moeten doorlezen, om nog maar te zwijgen van de bladzijden die u genadeloos ongelezen hebt omgedraaid. Ik vergeef het u.

Het was herfst. De vogeltjes gingen weer iets massaler dood, de tomaten smaakten weer naar niks en de mensen werden weer sneller zat. Dominique zat nu in Leuven. Of nee, we vatten hem op een iets vroeger moment: u vindt me terug op het eerste kan-weekend van Germania ('Germaine' voor de in-crowd), de studentenvereniging van de germanisten. Van plan om me eens goed te laten aanvaarden. Daarom had ik geen bezwaar tegen de stomme spelletjes, het grote Proffenspel en de vaak belegen humor waarmee het presidium ons omringde. Er was ook een mini-cantus gepland, waarna we een groentje uit het toilet mochten schrobben.
Ik was verbaasd: ik had wazig voor zich uit starende jongmensen verwacht, die overal wel ergens Joyce konden op plakken of die de menselijke existentie een keer duchtig gingen ontleden. Ik kreeg gewone mensen te zien. Germanisten kakken ook, wist u dat? Wat moet het dan niet met de rest van de wereldbevolking zijn?! Zo zijn we allemaal met elkaar verbonden: van de Noord- tot de Zuidpool, van de Oeral tot de Rocky Mountains. Op dit eigenste moment zijn er duizenden, wat zeg ik, miljŕrden mensen aan het doen zijn wat iedereen wel eens moet doen: stoelgaan. In de literatuur is de kakkende medemens echt wel zeldzaam.

In 'Ulysses' komen we er wel één tegen: Leopold Bloom,
maar voor de rest... Ziet u het al gebeuren in een romantische film? Ik heb ook nog geen enkele moord op pellicule gezien die zich op het toilet afspeelde. De WC-pot is heilig, daar raakt men niet aan. Gelukkig maar.

Ik gebruik 3 velletjes per veeg, en u?

Maar ik zat dus nog altijd op dat eerste kan-weekend. Daar waren er ook toiletten, maar verder hebben deze twee dingen natuurlijk niets met elkaar gemeen.
U koopt dan eens een boek en begint die man toch zeker niet te zeiken over kakken! Een schande is het!

Maar goed, ik zat dus nog steeds op dat eerste-kanweekend. Een nieuwe start, daar hoorde dus ook een nieuwe vriendin bij. Ik leerde er Marian kennen. Ze had een pluchen pinguin, dus dat zat goed. Ze had ook zwartgelakte nagels. Zo leek het net alsof ze met haar tien vingers tegelijk tussen de deur had gezeten. Ik heb nooit geweten of ze het ook met haar teennagels deed, ze verven.

We zaten niet ver van elkaar op kot in Leuven. Ik had een te grote kamer in de Blijde Inkomststraat, te groot om alleen in te zitten. Haar kamer, daarentegen, was te klein om er een goede relatie in op te bouwen. Niet echt een plaats om in thuis te komen.
Marian had haar problemen gehad, ik de mijne. We waren allebei niet meer ongeschonden, we haatten dezelfde dingen. En toch hielden we niet van hetzelfde. Twee mensen die even niet meer alleen wilden dromen. Het duurde niet lang, een maand.

Ik ben niet gemaakt om te blijven, ik begrijp ook niet waarom ik steeds weer verder moet. - Toen ze me aan haar ouders wilde voorstellen, ben ik weggegaan. Ik zag opeens té goed waar het allemaal heen zou leiden. Liefde, trouwen, je eerste hypotheek. En dat allemaal om een pluchen pinguin. 'Een flierefluiter. Hij wil zich nog niet binden', heet dat dan in de volksmond. Ik heb altijd al mensen gehaat die het allemaal al zo goed weten. Mensen met een vast tandpastamerk, die NOOIT het gekleurde bij het witte glas kieperen.

Bij echte liefde moet je doodgaan, anders wordt het echt wel saai. Shakespeare had dat goed gezien: zie je Romeo en Juliet al als een bezadigd echtpaar met een leren bankstel en een eigen zaak? Capulet - Montague & Zoons, een buitenverblijf op Elba en ettertjes van kinderen die allemaal vakken met van die moeilijke namen studeren(tussen het gejengel om kinderchocolade en Gameboys door)
Maar ik ging dus niet dood. Geen van ons beiden ging dood. Zoiets doe je nu eenmaal niet meer, er wordt niet meer zo enthousiast doodgegaan zoals vroeger. We zijn re-de-lijk. Ik sloeg dus nog wat energieker aan het leven.

Iets nieuws: vrienden. Een bende gezellige luitjes die niet echt iets met literatuur hadden, maar wel ferm goesting in het leven hadden. Nu en dan een Filosofisch Moment, maar dat duurde meestal niet zo lang. De eerste maanden had ik dan ook al snel alle dingen gedaan die ik me had voorgenomen zeker nooit te doen. Een lief met zwarte nagels gezakt, een cantus plezant gevonden, de Oude Markt op een stadsplan ontdekt en het West-Vlaams verdedigd tegen de barbaren uit het oosten.

Ik zat op kot, dat was ook de reden waarom ik te Leuven zat en niet in Gent of Kortrijk. Officieel luidde het: 'Leuven biedt een betere startbasis' of 'Zus zit ook al in Leuven.'
Hoewel ik aan de slagader van Germanistisch Leuven een kamer had, viel het kotleven dik tegen. Er waren veel dagen waarop de enige bezoekers van de dag de vier muren van mijn kamer waren. Het kotleven had ook een vreemd effect op mijn prille idealen. Het begint met de prijzen in de supermarkt: daar gŕŕt Thoreau. En eindigt bij de vaat. Je wordt praktischer. Het is moeilijk om tegelijk 'mens'(dat ideaalbeeld dat boven de slogans van de geschiedenis zou moeten staan) en tijdgenoot te zijn. Het zijn twee full-time-jobs. Een mens moet zich voor een deel schikken naar de tijd waarin hij leeft. Al was het maar naar de nieuwe spelling. Hoe vulgair, vies en onbeschrijfelijk(ik zeg maar wat) die tijd ook mag zijn. Ik heb me vaak een dinosauriër gevoeld tussen de rekken in de GB, de kermisattracties op Ladeuze en de gespreksonderwerpen van de week. Nu nog.

Misschien kwam het daardoor, of was het die eenzaamheid, dat ik soms mijn tafeltje uitklapte, wat papier nam, te lang achter een balpen moest zoeken en begon te schrijven. Schrijven, iets wat ik vroeger nog nooit spontaan gedaan had, tenzij er televisies te winnen vielen, natuurlijk. Ik hield ervan door Leuven te dwalen, wanneer de consumptie-drukte voorbij was, 's avonds laat. Dan wandelde ik voorbij de koten van mensen die ik kende, ik belde nooit aan.

-'Ben je gek?', vroeg ze.
-'Ja, op ohlala's, van die roze', zei ik dan.

Ze lachte.

In de stad waren er geen sterren meer, uitgewist door de straatverlichting. De vooruitgang, meneer. Te veel en te fel. Toen ik twaalf jaar oud was, was ik gek op die sterren. Ik kreeg een telescoop, toen was het snel gedaan met mijn enthousiasme. Ik was overigens bang in het donker. Nu ben ik niet meer bang, maar er zijn dan ook geen sterren meer. Gelukkig hebben we nog de planetaria. Net echt en alles draait er ook veel sneller.

Mijn beginnende schrijverschap werd trouwens als snel bedreigd. Door het Studeren. Er moest ook nog wat gezwoegd worden, dat zei onze monitor ons toch telkens weer. Vietnam was hard, maar dit ook. Iedereen begon dan ook als een razende te studeren, alsof de wereldvrede ervan afhing. Het werd een echte rage. Na de jokari(Dominique-6 jaar), de rubik (8 jaar), het halve-rubberen-balletje-dat-omhoog-kon-springen(10 jaar)en de hoelahoep, was er nu: studeren. Ik studeerde Nederlands en Engels, zoals de meeste andere germanisten. Germanisten werken niet graag. Wie Engels-Duits studeerde waren 'freaks', wie Nederlands-Duits studeerde, erger. Er waren twaalf vakken: 4 algemene vakken ,4 specifiek Nederlandse en 4 specifiek Engelse.

Sommige proffen kon je met de koolstof-14 methode dateren, zo oud waren ze. Anderen waren echt wel sympathiek. Sommige proffen hadden een verschrikkelijk accent (een accent dat enigszins deed denken aan Jean-Claude van Damme, een nog niet verteerde loempia en een jeugd doorgebracht in de duistere binnenlanden van Afrika), anderen praatten zoals op de BBC(toen de biebiesie nog de biebiesie was).

In Leuven leerde ik Nederlands praten. Zoals het boven de Moerdijk gebeurt. Jaap en Fien wisten hoe dat was, alsof ze er zelf al waren geweest, boven de Moerdijk. Jaap had de mimiek van een chimpansee en Fien had een stem waarmee je atomen tot spontane splitsing kon brengen. Ze waren broer en zus, sommige ouders wordt niets bespaard. Sommige kinderen... Geraken ze eens niet aan de drugs of alcohol, overleven ze al hun kinderziekten, rijexamens en godsdienstlessen; en dan worden ze toch zeker wel uitspraakmonitors voor zo een roedel germanisten! Godganser dagen woorden als 'schaamhaarverzamelaar', 'chokotofdoos' en 'millilitervergiet' traag en nadrukkelijk herhalen in de ijdele hoop dat ze hun respectievelijke Antwerpse, W- en O-Vlaamse, Limburgse en Brabantse brultaaltjes berouwvol zullen laten vallen. En nog uitgelachen worden ook!
De mensen zijn slecht.

De seizoenen werden er ondertussen weer doorgedraaid. De sterren - die ik toch niet zag - wisselden weer. Het Grote Lentebal der Letteren kondigde een vroege lente aan. Een strikje stond daar beter dan mijn eeuwige bretellen. Die bretellen waren mijn antwoord tegen dé grote mannelijke Angst: plotsklaps afvallende broeken. Die bretellen waren ook de aanzet tot een eigen imago en pijn in mijn schouders. Ik droeg ook altijd van die hemdjes, nooit pulls. Zelfs als ik een korte broek aan had. Iedere mens zijn eigen afwijking. 'Zolang hij maar niet aan de drugs zit of uitspraakleraar wordt,' denkt mijn moeder vast, terwijl ze mijn afwijkingen strijkt.

Trouwens, al deze dingen werden plots relatief in het licht van het naderende Armageddon - de examens. Mijn bezoekjes aan de Alma werden steeds korter, mijn haar steeds langer, mijn bloeddruk pogode de pan uit en ik kwam zelfs te weten waar de Acco lag. Armageddon, wanneer de goeden van de slechten zouden gescheiden worden. Ons Armageddon was vooral schriftelijk en duurde bijna een maand. We hadden slechts twee mondelinge examens, dus dat viel mee, dat dacht ik toch. Ondanks mijn prille filosofische aspiraties - ik had 'De wereld van Sofie' helemaal uitgezeten' - was mijn tentamen van filosofie echt wel de (metafysische) mist ingegaan. 'Sum, ergo cogito' probeerde ik nog zwakjes, maar het was al te laat. De buis was geschied.

Nu, in juni, ging het er heel wat humanistischer aan toe: lichtvoetig laverend tussen Kant en Thomas, een snuifje Spinoza en Levinas en wat one-liners aanhalend uit 'Calvin and Hobbes' en ik liet mijn professor in de vierde dimensie achter. Ik mocht gaan om nooit meer terug te keren.

***
Ook u kan dit examen thuis, op uw gemak, naspelen!!!!
Het volledige pakket examenvragen (bestaande uit 100 vierkleurendruk-fiches) kan u verkrijgen door de luttele summa van 100BEF(ongelofelijk, niet waar?) te storten op volgende bankrekening: 666-666666666-66.
U krijgt er een gratis exemplaar van God bij!
Uren spelplezier gegarandeerd, U aanbevolen door topfokkers.

Enkele voorbeeldvragen:
1) Dit boek ligt hier. Bewijs.
2) Als u 's ochtends vroeg Emiel Goelen op de Meir tegen het lijf loopt, bestaat God dan?
3) Waarom?
***
Er waren natuurlijk ook andere vakken. Zo had je Engelse Taalkunde. Mijn tong heeft altijd meer voeling gehad met het Kirgizisch dan met de nobele taal der Angelsaksers. Het hele vak werd bestierd door professor Carla Goossens. Ze had twee assistentes. De germanisten etaleerden hun literaire kennis in die zin dat ze dit drietal 'the weird sisters' noemden. Alleen, deze dames beloofden ons geen roem, maar wel tientallen uren waarin we hartstochtelijk onze front-vowels zouden trachten te perfectioneren. Tevergeefs. We leerden ook veel moeilijke Engelse woorden, die de Engelsen zelf ook niet zo goed schenen te begrijpen. 'Hanky-panky, higgledy-piggledy, hoity-toity,...' Het klonk meer als een poging om de ji'had uit te roepen. Gelukkig bevond mijn kamervenster zich niet zo hoog boven de straat, zodat eventuele wanhoopsdaden zonder gevolgen bleven.

Voor de rest viel het allemaal wel mee, die examens. Zo zat ik veel in het stadspark te studeren, op een bankje in de zon. Soms voerden we er ook diepzinnige gesprekken over de Zin of over de kwaliteit van het Alma-eten, wat praktisch op hetzelfde neerkomt. Gesprekken voer je nooit alleen. Zo had je Karel die de hele 'The raven' van Poe knal van buiten kon declameren, en dat dan ook vaak deed. Frederik was meer de Gaston Berghmans van ons gezelschap, terwijl Stefaan misschien wel de motoriek van een hark had, maar toch wel een toffe mens was. Ikzelf was ook nog steeds zo geflipt als een okapi en Pieter kon de wattenstaaf van pagina 41 door zijn neusschot rammen. We waren dus zo normaal als iedereen en we cultiveerden ons dolce farniente en ons baardhaar.

Ik probeerde toen echt alles om een echte vader Abraham-baard te laten groeien, maar ik kwam nooit verder dan zo'n triestig bosje verdwaald schaamhaar op mijn kin. Aan bakkebaarden durfde ik zelfs nog niet te dénken (hoewel... als niemand in de buurt was, durfde ik wel eens mijn sprietjes aan te moedigen met een welgemeend 'allez, mannen'; net zoals een goede coach dat doet). Jodelaietie.

Sorry, het werd me even te veel. Ik zat dan ook nog steeds in die examenperiode. De zomer was weer eens snikheet, mijn raam zat aan de zuidkant en daar zat ik dan - mijn voeten afkoelend in een bakje water, het getoeter van de nieuwste Leuvense straatkermis in de lucht, ik probeerde te studeren en dit terwijl de recentste worp van mijn buurvrouw weer aan het jengelen was.

Ik had de twee cruciale snaren van mijn gitaar bij een vriend in bewaring gegeven, om zeker niet in de verleiding te komen. Mijn moeder stuurde me brieven vol goeie raad en mijn pasgewassen ondergoed kwam per postpack aan. En 's middags hing ik dan weer de getormenteerde ziel uit in de Alma. 'Ik erdoor, zijdezot!' Nog eerder zou Eurodisney winst maken of zou Pieter die wattenstaaf van pagina 41 uit zijn neusschot kunnen krijgen, dan dat ik erdoor zou raken.

Ik was er dus wel door. Tot daar mijn geloofwaardigheid.

Opeens was ik tot 'intellectueel' gebombardeerd. Nu is 'intellectueel' een heel vies woord, het is een stigma dat ik al vanaf mijn zevende meezeul. Eigenlijk wil dat woord zeggen: 'Je bent dan wel saai, maar we vergeven het je. Want misschien vind je later wel eens iets belangrijks uit. Een revolutionaire staafmixer of zo. Of je schrijft een boek dat alle andere boeken overbodig maakt. Alvast bedankt, want dat bespaart heel wat leeswerk. Of je doet mee aan Waagstuk en je wint die inbouwkeuken ter waarde van 107 OOO BEF'.

Ik vond het dan ook vervelend dat mensen me maar bleven vastpinnen op mijn verstand. Zeker nu ik vitalist wou worden. Uit het hoopje literaire stromingen die we moesten leren, had ik het 'vitalisme' gelicht. Omdat het zo makkelijk studeerde. Ik was het beu om alles zelf maar te moeten uitzoeken, nu had ik een systeem waar ik me naar kon richten. Zelfs waar het de kleur van mijn sokken betrof. En het was nog simpel ook. 'Het lichaam is belangrijker dan de geest.' C'est tout. Naar de praktijk toe vertaald betekende dit: alles draait rond de sex. Aangezien de laatste vitalist al lang dood was, had ik het allemaal uit het boekje. Ik probeerde een goede, toegewijde vitalist te zijn. Dat ging niet zo moelijk, alleen 's ochtends vroeg had ik er wel wat problemen mee. Ik las dus Walschap, Hemingway, Geeraerts, Bergson en Lawrence. Ook Thoreau werd, voor het overzicht, maar snel een vitalist. Niet dat ik me nu opeens lekker één ging voelen met die hele klotenwereld of dat ik, op een lege maag, 15 negerinnen tot me nam. We leven in een tijd van compromissen. Nooit op een lege maag. Daarom werd ik vitalist-op-proef. Dat was trouwens niet zo moeilijk, het was vakantie.

Omdat ik drie maanden had weten te ontrukken aan het grote, griezelige examenmonster, besloot ik die tijd dan ook maar zo economisch op te vullen. Eerst ging het richting Engeland. Frederik en Marcel gingen mee. Marcel had ook zijn zus meegebracht. Die studeerde 'landschapsarchitectuur', iets wat me even zinvol leek als 'vulkaandesign' of 'gletsjerdecoratie'. Ondanks haar studiekeuze viel ze best mee.

We gingen met de ferry, zo goedkoop mogelijk, nog net niet in de bagageruimte. Het was de eerste keer dat ik de grote vaart op ging, daarom lette ik toch wel goed op bij het voorlichtingsfilmpje 'wat te doen bij zinkende schepen?'. Het filmpje werd in vier talen herhaald. Ik kon me echt niet van de indruk ontdoen dat de Duitstalige medemensen geheel andere en veel kortere instructies kregen dan de rest van de opvarenden ('vaar-tuig?'). Het zal wel aan mijn Duits gelegen hebben.

En toen voeren we Engeland binnen. Een plechtig moment voor iedere germanist. Hier komen dus die moeilijke woordjes vandaan: met tientallen storten ze zich hier van de krijtrotsen in het Kanaal om niet veel later slecht gearticuleerd het Vasteland op te strompelen. Veel heb ik niet gezien van dat binnenvaren: de wind zat slecht, het zou fataal voor mijn kapsel zin geweest om me om te draaien. Een mooi land trouwens, dat Engeland.

Ook wel wat vreemd: weinig zebrapaden, ze rijden je dood waar je erbij staat. Maar ook gedisciplineerd: overal mooi in het rijtje en er sprong niemand onder de metro. Ondanks de donkere Darth Vader-stem op het perron 'Mind the gap'. Je moet zelfs geen erge, besmettelijke huidziekte hebben om er een plaats op de metro te bemachtigen. In Londen beperkten we ons tot de mooie gevels, want de inkomprijzen waren wat aan de hoge kant. In Statford-upon-Avon gingen we de McDonalds binnen op zoek naar een Big Macbeth en we hadden er ook te weinig geld om een echt Shakespeare-stuk te gaan bekijken. In Bristol deden we echt niets belangrijks. En daarna gingen we naar huis. Mooi land. Vriendelijke mensen.

Die vakantie ging ik ook naar Bretagne. Ook mooi. Ook vriendelijke mensen.

En toen vertrok ik naar Roemenië Natuurlijk was ik nooit van plan geweest om dit land ooit op te zoeken. En toch deed ik het. Dat ging zo.
Ik geloof niet in het Lot, een of ander knap mechanisme dat al onze stommiteiten opeens tot 'zin' zou recycleren. Ik geloof in niet zoveel, vrees ik. Ik geloof zeker niet in New Age. 'Ach, mevrouw Beukelaers, wat een stijlvol aura hebt u vandaag toch om! bruin is echt wel een modekleur. Kom gerust binnen, ik was juist mijn cactus aan het stimuleren!'

En dus ook niet in het Lot.

Het was dus toeval dat ik, die dag in juli, díe plaats op de trein nam, dat de jongeman tegenover mij ook net 'In de ban van de ring' aan het doorsnuisteren was en ook originele bretellen aan had. Ik had dus genoeg aanknopingspunten voor een Gesprek. De jongeman had ook een naam, dit kon geen toeval meer zijn. Hij heette Johan. Hij was ook geëngageerd, vandaar die bretellen. Johan vertelde me over het Roemeenje-project (engagement en progessieve spelling gaan, helaas, vaak samen). Al meer dan vijf jaren gingen er studenten uit Leuven tijdens de zomervakantie in een Roemeense psychiatrische instelling gaan werken. Het klonk allemaal als een mooi verhaal waar ik ook wel een rol wilde in spelen. Je ziet iets van de wereld, het is er altijd mooi weer. En het was maar een maand. Kon ik mijn moeder nog eens verrassen.