En zo bent u, de lezer,
samen met mij aan het begin van dit nieuwe hoofdstuk
beland. U hebt nogal wat stukken diagonaal moeten
doorlezen, om nog maar te zwijgen van de bladzijden
die u genadeloos ongelezen hebt omgedraaid. Ik
vergeef het u. Het was herfst. De vogeltjes gingen
weer iets massaler dood, de tomaten smaakten weer
naar niks en de mensen werden weer sneller zat.
Dominique zat nu in Leuven. Of nee, we vatten hem op
een iets vroeger moment: u vindt me terug op het
eerste kan-weekend van Germania ('Germaine' voor de
in-crowd), de studentenvereniging van de germanisten.
Van plan om me eens goed te laten aanvaarden. Daarom
had ik geen bezwaar tegen de stomme spelletjes, het
grote Proffenspel en de vaak belegen humor waarmee
het presidium ons omringde. Er was ook een
mini-cantus gepland, waarna we een groentje uit het
toilet mochten schrobben.
Ik was verbaasd: ik had wazig voor zich uit starende
jongmensen verwacht, die overal wel ergens Joyce
konden op plakken of die de menselijke existentie een
keer duchtig gingen ontleden. Ik kreeg gewone mensen
te zien. Germanisten kakken ook, wist u dat? Wat moet
het dan niet met de rest van de wereldbevolking
zijn?! Zo zijn we allemaal met elkaar verbonden: van
de Noord- tot de Zuidpool, van de Oeral tot de Rocky
Mountains. Op dit eigenste moment zijn er duizenden,
wat zeg ik, miljŕrden mensen aan het doen zijn wat
iedereen wel eens moet doen: stoelgaan. In de
literatuur is de kakkende medemens echt wel zeldzaam.
In 'Ulysses' komen
we er wel één tegen: Leopold Bloom,
maar voor de rest... Ziet u het al gebeuren in een
romantische film? Ik heb ook nog geen enkele moord op
pellicule gezien die zich op het toilet afspeelde. De
WC-pot is heilig, daar raakt men niet aan. Gelukkig
maar.
Ik gebruik 3
velletjes per veeg, en u?
Maar ik zat dus nog
altijd op dat eerste kan-weekend. Daar waren er ook
toiletten, maar verder hebben deze twee dingen
natuurlijk niets met elkaar gemeen.
U koopt dan eens een boek en begint die man toch
zeker niet te zeiken over kakken! Een schande is het!
Maar goed, ik zat
dus nog steeds op dat eerste-kanweekend. Een nieuwe
start, daar hoorde dus ook een nieuwe vriendin bij.
Ik leerde er Marian kennen. Ze had een pluchen
pinguin, dus dat zat goed. Ze had ook zwartgelakte
nagels. Zo leek het net alsof ze met haar tien
vingers tegelijk tussen de deur had gezeten. Ik heb
nooit geweten of ze het ook met haar teennagels deed,
ze verven.
We zaten niet ver
van elkaar op kot in Leuven. Ik had een te grote
kamer in de Blijde Inkomststraat, te groot om alleen
in te zitten. Haar kamer, daarentegen, was te klein
om er een goede relatie in op te bouwen. Niet echt
een plaats om in thuis te komen.
Marian had haar problemen gehad, ik de mijne. We
waren allebei niet meer ongeschonden, we haatten
dezelfde dingen. En toch hielden we niet van
hetzelfde. Twee mensen die even niet meer alleen
wilden dromen. Het duurde niet lang, een maand.
Ik ben niet gemaakt
om te blijven, ik begrijp ook niet waarom ik steeds
weer verder moet. - Toen ze me aan haar ouders wilde
voorstellen, ben ik weggegaan. Ik zag opeens té goed
waar het allemaal heen zou leiden. Liefde, trouwen,
je eerste hypotheek. En dat allemaal om een pluchen
pinguin. 'Een flierefluiter. Hij wil zich nog niet
binden', heet dat dan in de volksmond. Ik heb altijd
al mensen gehaat die het allemaal al zo goed weten.
Mensen met een vast tandpastamerk, die NOOIT het
gekleurde bij het witte glas kieperen.
Bij echte liefde
moet je doodgaan, anders wordt het echt wel saai.
Shakespeare had dat goed gezien: zie je Romeo en
Juliet al als een bezadigd echtpaar met een leren
bankstel en een eigen zaak? Capulet - Montague &
Zoons, een buitenverblijf op Elba en ettertjes van
kinderen die allemaal vakken met van die moeilijke
namen studeren(tussen het gejengel om kinderchocolade
en Gameboys door)
Maar ik ging dus niet dood. Geen van ons beiden ging
dood. Zoiets doe je nu eenmaal niet meer, er wordt
niet meer zo enthousiast doodgegaan zoals vroeger. We
zijn re-de-lijk. Ik sloeg dus nog wat energieker aan
het leven.
Iets nieuws:
vrienden. Een bende gezellige luitjes die niet echt
iets met literatuur hadden, maar wel ferm goesting in
het leven hadden. Nu en dan een Filosofisch Moment,
maar dat duurde meestal niet zo lang. De eerste
maanden had ik dan ook al snel alle dingen gedaan die
ik me had voorgenomen zeker nooit te doen. Een lief
met zwarte nagels gezakt, een cantus plezant
gevonden, de Oude Markt op een stadsplan ontdekt en
het West-Vlaams verdedigd tegen de barbaren uit het
oosten.
Ik zat op kot, dat
was ook de reden waarom ik te Leuven zat en niet in
Gent of Kortrijk. Officieel luidde het: 'Leuven biedt
een betere startbasis' of 'Zus zit ook al in Leuven.'
Hoewel ik aan de slagader van Germanistisch Leuven
een kamer had, viel het kotleven dik tegen. Er waren
veel dagen waarop de enige bezoekers van de dag de
vier muren van mijn kamer waren. Het kotleven had ook
een vreemd effect op mijn prille idealen. Het begint
met de prijzen in de supermarkt: daar gŕŕt Thoreau.
En eindigt bij de vaat. Je wordt praktischer. Het is
moeilijk om tegelijk 'mens'(dat ideaalbeeld dat boven
de slogans van de geschiedenis zou moeten staan) en
tijdgenoot te zijn. Het zijn twee full-time-jobs. Een
mens moet zich voor een deel schikken naar de tijd
waarin hij leeft. Al was het maar naar de nieuwe
spelling. Hoe vulgair, vies en onbeschrijfelijk(ik
zeg maar wat) die tijd ook mag zijn. Ik heb me vaak
een dinosauriër gevoeld tussen de rekken in de GB,
de kermisattracties op Ladeuze en de
gespreksonderwerpen van de week. Nu nog.
Misschien kwam het
daardoor, of was het die eenzaamheid, dat ik soms
mijn tafeltje uitklapte, wat papier nam, te lang
achter een balpen moest zoeken en begon te schrijven.
Schrijven, iets wat ik vroeger nog nooit spontaan
gedaan had, tenzij er televisies te winnen vielen,
natuurlijk. Ik hield ervan door Leuven te dwalen,
wanneer de consumptie-drukte voorbij was, 's avonds
laat. Dan wandelde ik voorbij de koten van mensen die
ik kende, ik belde nooit aan.
-'Ben je gek?',
vroeg ze.
-'Ja, op ohlala's, van die roze', zei ik dan.
Ze lachte.
In de stad waren er
geen sterren meer, uitgewist door de
straatverlichting. De vooruitgang, meneer. Te veel en
te fel. Toen ik twaalf jaar oud was, was ik gek op
die sterren. Ik kreeg een telescoop, toen was het
snel gedaan met mijn enthousiasme. Ik was overigens
bang in het donker. Nu ben ik niet meer bang, maar er
zijn dan ook geen sterren meer. Gelukkig hebben we
nog de planetaria. Net echt en alles draait er ook
veel sneller.
Mijn beginnende schrijverschap werd trouwens als snel
bedreigd. Door het Studeren. Er moest ook nog wat
gezwoegd worden, dat zei onze monitor ons toch
telkens weer. Vietnam was hard, maar dit ook.
Iedereen begon dan ook als een razende te studeren,
alsof de wereldvrede ervan afhing. Het werd een echte
rage. Na de jokari(Dominique-6 jaar), de rubik (8
jaar), het
halve-rubberen-balletje-dat-omhoog-kon-springen(10
jaar)en de hoelahoep, was er nu: studeren. Ik
studeerde Nederlands en Engels, zoals de meeste
andere germanisten. Germanisten werken niet graag.
Wie Engels-Duits studeerde waren 'freaks', wie
Nederlands-Duits studeerde, erger. Er waren twaalf
vakken: 4 algemene vakken ,4 specifiek Nederlandse en
4 specifiek Engelse.
Sommige proffen kon
je met de koolstof-14 methode dateren, zo oud waren
ze. Anderen waren echt wel sympathiek. Sommige
proffen hadden een verschrikkelijk accent (een accent
dat enigszins deed denken aan Jean-Claude van Damme,
een nog niet verteerde loempia en een jeugd
doorgebracht in de duistere binnenlanden van Afrika),
anderen praatten zoals op de BBC(toen de biebiesie
nog de biebiesie was).
In Leuven leerde ik
Nederlands praten. Zoals het boven de Moerdijk
gebeurt. Jaap en Fien wisten hoe dat was, alsof ze er
zelf al waren geweest, boven de Moerdijk. Jaap had de
mimiek van een chimpansee en Fien had een stem
waarmee je atomen tot spontane splitsing kon brengen.
Ze waren broer en zus, sommige ouders wordt niets
bespaard. Sommige kinderen... Geraken ze eens niet
aan de drugs of alcohol, overleven ze al hun
kinderziekten, rijexamens en godsdienstlessen; en dan
worden ze toch zeker wel uitspraakmonitors voor zo
een roedel germanisten! Godganser dagen woorden als
'schaamhaarverzamelaar', 'chokotofdoos' en
'millilitervergiet' traag en nadrukkelijk herhalen in
de ijdele hoop dat ze hun respectievelijke Antwerpse,
W- en O-Vlaamse, Limburgse en Brabantse brultaaltjes
berouwvol zullen laten vallen. En nog uitgelachen
worden ook!
De mensen zijn slecht.
De seizoenen werden
er ondertussen weer doorgedraaid. De sterren - die ik
toch niet zag - wisselden weer. Het Grote Lentebal
der Letteren kondigde een vroege lente aan. Een
strikje stond daar beter dan mijn eeuwige bretellen.
Die bretellen waren mijn antwoord tegen dé grote
mannelijke Angst: plotsklaps afvallende broeken. Die
bretellen waren ook de aanzet tot een eigen imago en
pijn in mijn schouders. Ik droeg ook altijd van die
hemdjes, nooit pulls. Zelfs als ik een korte broek
aan had. Iedere mens zijn eigen afwijking. 'Zolang
hij maar niet aan de drugs zit of uitspraakleraar
wordt,' denkt mijn moeder vast, terwijl ze mijn
afwijkingen strijkt.
Trouwens, al deze
dingen werden plots relatief in het licht van het
naderende Armageddon - de examens. Mijn bezoekjes aan
de Alma werden steeds korter, mijn haar steeds
langer, mijn bloeddruk pogode de pan uit en ik kwam
zelfs te weten waar de Acco lag. Armageddon, wanneer
de goeden van de slechten zouden gescheiden worden.
Ons Armageddon was vooral schriftelijk en duurde
bijna een maand. We hadden slechts twee mondelinge
examens, dus dat viel mee, dat dacht ik toch. Ondanks
mijn prille filosofische aspiraties - ik had 'De
wereld van Sofie' helemaal uitgezeten' - was mijn
tentamen van filosofie echt wel de (metafysische)
mist ingegaan. 'Sum, ergo cogito' probeerde ik nog
zwakjes, maar het was al te laat. De buis was
geschied.
Nu, in juni, ging
het er heel wat humanistischer aan toe: lichtvoetig
laverend tussen Kant en Thomas, een snuifje Spinoza
en Levinas en wat one-liners aanhalend uit 'Calvin
and Hobbes' en ik liet mijn professor in de vierde
dimensie achter. Ik mocht gaan om nooit meer terug te
keren.
***
Ook u kan dit examen thuis, op uw gemak, naspelen!!!!
Het volledige pakket examenvragen (bestaande uit 100
vierkleurendruk-fiches) kan u verkrijgen door de
luttele summa van 100BEF(ongelofelijk, niet waar?) te
storten op volgende bankrekening: 666-666666666-66.
U krijgt er een gratis exemplaar van God bij!
Uren spelplezier gegarandeerd, U aanbevolen door
topfokkers.
Enkele
voorbeeldvragen:
1) Dit boek ligt hier. Bewijs.
2) Als u 's ochtends vroeg Emiel Goelen op de Meir
tegen het lijf loopt, bestaat God dan?
3) Waarom?
***
Er waren natuurlijk ook andere vakken. Zo had je
Engelse Taalkunde. Mijn tong heeft altijd meer
voeling gehad met het Kirgizisch dan met de nobele
taal der Angelsaksers. Het hele vak werd bestierd
door professor Carla Goossens. Ze had twee
assistentes. De germanisten etaleerden hun literaire
kennis in die zin dat ze dit drietal 'the weird
sisters' noemden. Alleen, deze dames beloofden ons
geen roem, maar wel tientallen uren waarin we
hartstochtelijk onze front-vowels zouden trachten te
perfectioneren. Tevergeefs. We leerden ook veel
moeilijke Engelse woorden, die de Engelsen zelf ook
niet zo goed schenen te begrijpen. 'Hanky-panky,
higgledy-piggledy, hoity-toity,...' Het klonk meer
als een poging om de ji'had uit te roepen. Gelukkig
bevond mijn kamervenster zich niet zo hoog boven de
straat, zodat eventuele wanhoopsdaden zonder gevolgen
bleven.
Voor de rest viel
het allemaal wel mee, die examens. Zo zat ik veel in
het stadspark te studeren, op een bankje in de zon.
Soms voerden we er ook diepzinnige gesprekken over de
Zin of over de kwaliteit van het Alma-eten, wat
praktisch op hetzelfde neerkomt. Gesprekken voer je
nooit alleen. Zo had je Karel die de hele 'The raven'
van Poe knal van buiten kon declameren, en dat dan
ook vaak deed. Frederik was meer de Gaston Berghmans
van ons gezelschap, terwijl Stefaan misschien wel de
motoriek van een hark had, maar toch wel een toffe
mens was. Ikzelf was ook nog steeds zo geflipt als
een okapi en Pieter kon de wattenstaaf van pagina 41
door zijn neusschot rammen. We waren dus zo normaal
als iedereen en we cultiveerden ons dolce farniente
en ons baardhaar.
Ik probeerde toen
echt alles om een echte vader Abraham-baard te laten
groeien, maar ik kwam nooit verder dan zo'n triestig
bosje verdwaald schaamhaar op mijn kin. Aan
bakkebaarden durfde ik zelfs nog niet te dénken
(hoewel... als niemand in de buurt was, durfde ik wel
eens mijn sprietjes aan te moedigen met een
welgemeend 'allez, mannen'; net zoals een goede coach
dat doet). Jodelaietie.
Sorry, het werd me
even te veel. Ik zat dan ook nog steeds in die
examenperiode. De zomer was weer eens snikheet, mijn
raam zat aan de zuidkant en daar zat ik dan - mijn
voeten afkoelend in een bakje water, het getoeter van
de nieuwste Leuvense straatkermis in de lucht, ik
probeerde te studeren en dit terwijl de recentste
worp van mijn buurvrouw weer aan het jengelen was.
Ik had de twee
cruciale snaren van mijn gitaar bij een vriend in
bewaring gegeven, om zeker niet in de verleiding te
komen. Mijn moeder stuurde me brieven vol goeie raad
en mijn pasgewassen ondergoed kwam per postpack aan.
En 's middags hing ik dan weer de getormenteerde ziel
uit in de Alma. 'Ik erdoor, zijdezot!' Nog eerder zou
Eurodisney winst maken of zou Pieter die wattenstaaf
van pagina 41 uit zijn neusschot kunnen krijgen, dan
dat ik erdoor zou raken.
Ik was er dus wel
door. Tot daar mijn geloofwaardigheid.
Opeens was ik tot
'intellectueel' gebombardeerd. Nu is 'intellectueel'
een heel vies woord, het is een stigma dat ik al
vanaf mijn zevende meezeul. Eigenlijk wil dat woord
zeggen: 'Je bent dan wel saai, maar we vergeven het
je. Want misschien vind je later wel eens iets
belangrijks uit. Een revolutionaire staafmixer of zo.
Of je schrijft een boek dat alle andere boeken
overbodig maakt. Alvast bedankt, want dat bespaart
heel wat leeswerk. Of je doet mee aan Waagstuk en je
wint die inbouwkeuken ter waarde van 107 OOO BEF'.
Ik vond het dan ook
vervelend dat mensen me maar bleven vastpinnen op
mijn verstand. Zeker nu ik vitalist wou worden. Uit
het hoopje literaire stromingen die we moesten leren,
had ik het 'vitalisme' gelicht. Omdat het zo
makkelijk studeerde. Ik was het beu om alles zelf
maar te moeten uitzoeken, nu had ik een systeem waar
ik me naar kon richten. Zelfs waar het de kleur van
mijn sokken betrof. En het was nog simpel ook. 'Het
lichaam is belangrijker dan de geest.' C'est tout.
Naar de praktijk toe vertaald betekende dit: alles
draait rond de sex. Aangezien de laatste vitalist al
lang dood was, had ik het allemaal uit het boekje. Ik
probeerde een goede, toegewijde vitalist te zijn. Dat
ging niet zo moelijk, alleen 's ochtends vroeg had ik
er wel wat problemen mee. Ik las dus Walschap,
Hemingway, Geeraerts, Bergson en Lawrence. Ook
Thoreau werd, voor het overzicht, maar snel een
vitalist. Niet dat ik me nu opeens lekker één ging
voelen met die hele klotenwereld of dat ik, op een
lege maag, 15 negerinnen tot me nam. We leven in een
tijd van compromissen. Nooit op een lege maag. Daarom
werd ik vitalist-op-proef. Dat was trouwens niet zo
moeilijk, het was vakantie.
Omdat ik drie
maanden had weten te ontrukken aan het grote,
griezelige examenmonster, besloot ik die tijd dan ook
maar zo economisch op te vullen. Eerst ging het
richting Engeland. Frederik en Marcel gingen mee.
Marcel had ook zijn zus meegebracht. Die studeerde
'landschapsarchitectuur', iets wat me even zinvol
leek als 'vulkaandesign' of 'gletsjerdecoratie'.
Ondanks haar studiekeuze viel ze best mee.
We gingen met de
ferry, zo goedkoop mogelijk, nog net niet in de
bagageruimte. Het was de eerste keer dat ik de grote
vaart op ging, daarom lette ik toch wel goed op bij
het voorlichtingsfilmpje 'wat te doen bij zinkende
schepen?'. Het filmpje werd in vier talen herhaald.
Ik kon me echt niet van de indruk ontdoen dat de
Duitstalige medemensen geheel andere en veel kortere
instructies kregen dan de rest van de opvarenden
('vaar-tuig?'). Het zal wel aan mijn Duits gelegen
hebben.
En toen voeren we
Engeland binnen. Een plechtig moment voor iedere
germanist. Hier komen dus die moeilijke woordjes
vandaan: met tientallen storten ze zich hier van de
krijtrotsen in het Kanaal om niet veel later slecht
gearticuleerd het Vasteland op te strompelen. Veel
heb ik niet gezien van dat binnenvaren: de wind zat
slecht, het zou fataal voor mijn kapsel zin geweest
om me om te draaien. Een mooi land trouwens, dat
Engeland.
Ook wel wat vreemd:
weinig zebrapaden, ze rijden je dood waar je erbij
staat. Maar ook gedisciplineerd: overal mooi in het
rijtje en er sprong niemand onder de metro. Ondanks
de donkere Darth Vader-stem op het perron 'Mind the
gap'. Je moet zelfs geen erge, besmettelijke
huidziekte hebben om er een plaats op de metro te
bemachtigen. In Londen beperkten we ons tot de mooie
gevels, want de inkomprijzen waren wat aan de hoge
kant. In Statford-upon-Avon gingen we de McDonalds
binnen op zoek naar een Big Macbeth en we hadden er
ook te weinig geld om een echt Shakespeare-stuk te
gaan bekijken. In Bristol deden we echt niets
belangrijks. En daarna gingen we naar huis. Mooi
land. Vriendelijke mensen.
Die vakantie ging ik
ook naar Bretagne. Ook mooi. Ook vriendelijke mensen.
En toen vertrok ik
naar Roemenië Natuurlijk was ik nooit van plan
geweest om dit land ooit op te zoeken. En toch deed
ik het. Dat ging zo.
Ik geloof niet in het Lot, een of ander knap
mechanisme dat al onze stommiteiten opeens tot 'zin'
zou recycleren. Ik geloof in niet zoveel, vrees ik.
Ik geloof zeker niet in New Age. 'Ach, mevrouw
Beukelaers, wat een stijlvol aura hebt u vandaag toch
om! bruin is echt wel een modekleur. Kom gerust
binnen, ik was juist mijn cactus aan het stimuleren!'
En dus ook niet in
het Lot.
Het was dus toeval
dat ik, die dag in juli, díe plaats op de trein nam,
dat de jongeman tegenover mij ook net 'In de ban van
de ring' aan het doorsnuisteren was en ook originele
bretellen aan had. Ik had dus genoeg
aanknopingspunten voor een Gesprek. De jongeman had
ook een naam, dit kon geen toeval meer zijn. Hij
heette Johan. Hij was ook geëngageerd, vandaar die
bretellen. Johan vertelde me over het
Roemeenje-project (engagement en progessieve spelling
gaan, helaas, vaak samen). Al meer dan vijf jaren
gingen er studenten uit Leuven tijdens de
zomervakantie in een Roemeense psychiatrische
instelling gaan werken. Het klonk allemaal als een
mooi verhaal waar ik ook wel een rol wilde in spelen.
Je ziet iets van de wereld, het is er altijd mooi
weer. En het was maar een maand. Kon ik mijn moeder
nog eens verrassen.