Hoofdstuk 3: meer krassen.

Het vijfde leerjaar.

Meneer Clockes stopwoordje was 'bon'. Dit woordje werd op een heel apart, samenzweerderig toontje uitgesproken en het leidde altijd leuke anekdotes in. Deze anekdotes werden, in tegenstelling tot de verschillende soorten bijwoorden of de inwendige organen van de inktvis, wél onthouden. Het ging er dus allemaal heel gezellig aan toe. Clocke had een baard en sindsdien vind ik mensen met een kingewas sowieso betrouwbaar. Het Sinterklaas-syndroom waarschijnlijk. Op het einde van het eerste semester trouwde meneer Clocke - we waren allemaal op het huwelijk aanwezig want er waren ons massa's chocolade in het vooruitzicht gesteld. Uit pure dankbaarheid bedolven we het jonge paar met tonnen rijst - er zat een zoon van een groot veevoederfabrikant bij ons in de klas.

Iedere maandag- en dinsdagochtend begon de school een uur later dan normaal het geval was. Deze luxe had zijn prijs: onze middagpauze was nogal krap. Dit vereiste het betere sprintwerk over de middag. Het smalle voetgangersbrugje over de rijksbaan werd dan ook meestal Virenque-gewijs genomen. Ondanks de strategische paaltjes en het gekalkte 'fietsers afstappen'- dat er louter om esthetische redenen stond. Deze sportieve prestatie bevestigde hetgeen ik al lang vermoedde: ik werd volwassen. Ik wist bijvoorbeeld ook waar de naam 'Waregem' vandaan kwam, terwijl mijn ouders weer natuurlijk van niets wisten. Waro-Inga-Heim, waar de naam 'Waregem' is van afgeleid, betekent 'woonplaats van het hoofd der Waro's' en stamt uit het Frankisch. En nu u. Dit stond allemaal in mijn cursus milieuleer. Zo leerde ik ook de 4 magen van de koe te benoemen, de soorten voornaamwoorden, de regel van drie, dat God goed is en dat Karel de Grote de school had uitgevonden. Ik heb me nooit meer zo volwassen gevoeld als toen. De 'Hoe en waarom'-boekjes waren mijn grote inspiratie in die dagen. Van holwoning tot wolkenkrabber, van dierenhuid tot haute couture, van vuistbijl tot kruisraket, van mensaap tot George W. Bush. Geschiedenis is iets dat altijd de goede kant uitgaat.

Achteraf bekeken dan toch, wanneer de jaarboeken worden gemaakt en de vragen worden gesteld. Ons tijdperk zou waarschijnlijk het atoomtijdperk gaan heten. Te beginnen vanaf 1945, toen de oerknal nog eens dunnetjes werd overgedaan.

De vele vijvertjes rond Ieper zijn er niet altijd geweest. Deze poelen van rust kreeg ik nog eens te zien op mijn tweede bosklas. We gingen dit jaar ook internationaal: Frans-Vlaanderen figureerde prominent op ons lijstje van Te Bezoeken Zienswaardigheden.

Om het vooral gezellig te houden, probeerden enkele pittoreske Frans-Vlamingen ons warm te maken voor de Groot-Vlaamsche gedachte. Dat dit in het Frans gebeurde, had zijn reden, een reden die ik vast toch niet zou hebben begrepen. Genoeg leeuwenvlaggen gezien voor de rest van mijn leven. En ja, natuurlijk : 'Vive Flandres !' Wat meer indruk op me maakte, was de V2-lanceerinstallatie te Eperlecques. De raket van Kuifje, maar dan in de verkeerde kleuren en in de verkeerde handen. Zelfs projectielen kunnen Kunst zijn.

En dan kwam wat het einde van een tijdperk leek, maar eigenlijk een scheet in de Gaverbeek bleek te zijn: het zesde leerjaar. De Uberhauptsturmführer heette hier Iwan Deprez. Sommige mensen hebben geluk met hun naam, in die zin dat hun naam perfect hun persoonlijkheid weerspiegelt. Je zal maar eens Iwan heten en het goed met de mensheid voorhebben. Die naam Iwan suggereerde Angst. Iwan de Verschrikkelijke, had die niet iets met de goulash-archipel te maken? Achteraf bekeken was meneer Deprez gewoon een zielige, in een versleten kieltje gehulde, oude man, die meer het figuur van een verlopen cafébaas dan dat van een leraar had. Hij had een sikje, de hoorns kreeg hij van zijn vrouw. Onder zijn regime kreeg ik voor het eerst met Willekeurige Terreur te maken. Hoe ik ook zocht, er was geen systeem te vinden in de straffen die de man placht uit te delen. Conclusie: de man was gek. Remedie: braaf zijn. Dit werkte, maar niet altijd - één lijntje vergeten en je kon die huistaak opnieuw maken. Toen huilde ik daarom, ik had de woede nog niet. Dachau zou niets voor mij geweest zijn. Iets voor u?

Hoe laag Deprez ook bij me op de evolutieschaal gesitueerd stond - ergens tussen de amoebe en de platworm-, zijn collega Frans Debeurre vond ik nog erger. Hij was het soort heerschap dat zijn krant met chirurgische precisie opvouwt, altijd 2 velletjes toiletpapier verbruikt per beurt en nooit, nooit een grap produceert. Griezelig.

Alles moest dan ook tot in de puntjes verzorgd zijn bij deze mens. Debeurre gaf ons onder andere een vak als 'verkeer en veiligheid', waarin we leerden nooit in slaap te vallen tijdens het roken en eigenlijk om al helemaal niet met roken te beginnen.

Voor godsdienst moesten we bij juffrouw Nadine zijn. Met haar cowboylaarsjes en haar strakke leggings stimuleerde ze véél bij ons, behalve dan ons religieus gevoel. Religie en een IQ (hebben pinda's dat ook, zo een IQ?) gingen blijkbaar toen al niet echt samen. Ze slaagde er zelfs in om het verhaal van de Barmhartige Samaritaan te laten klinken als een café-mop waarbij de vunzige clou niet al te ver meer leek. 'En toen zei die Samaritaan, toen zei hij dus 'Oei, dan heb ik de kanarie net uitgeperst!'' Waarop wij dan allemaal behulpzaam zouden meemonkelen. Slijmballen die we waren. Juffrouw Linda gebruikte heel wat make-up, dat verbood de bijbel blijkbaar niet

En we gaan verder met ons groeiproces. Mijn heilig vormsel. Van korte naar lange broek, van Zonnestraal naar Zonneland. Als voorbereiding op dit heuglijke feit volgde ik extra catechese-lessen. Die lessen waren echt niet veel zaaks. Verder dan het vroom napraten van Broederlijk Delen-slogans kwamen we doorgaans niet: altijd eerlijk zijn, lief zijn voor broer en zus en de rest van het schorremorrie en iedere avond tegen de
muur van je kamer praten. Wat er ook bij hoorde was een vrome gelaatsuitdrukking: kijken alsof je het ook zo erg vond, dat van die walvissen en die zeehondjes. Hoe zou ik die ooit kunnen vergeten, die zeehondjes! Deze techniek paste ik vooral toe om indruk te maken op het meisje dat bij me in de groep zat en het allemaal wél scheen te menen. Tina heette ze. Het is vreemd maar bijna al mijn eerste vlammen hadden een naam die eindigde op -a.
En ze deden snit en naai.

Dit en andere incidenten buiten beschouwing gelaten, doorliep ik de lagere school vlekkenloos(...). Ik leerde altijd mijn les, maakte al mijn huistaken, stond netjes in de rij, peuterde nooit neus (toch niet als iemand het kon zien), was braaf, had weinig vriendjes en was vaak eenzaam. Ik was toen nog een blanco blad dat popelde om door anderen te worden ingevuld. Een krant zonder hoofdredacteur. Als ik het niet had gelezen, dan wist ik het niet. En ik haatte het dingen te lezen die ik nog niet wist.

Intussen deden er vreemde geruchten de ronde op onze school. Volgens sommigen die het konden weten (of die mensen kenden die het konden weten) was de lagere school niet het eindpunt van onze opvoeding. Nee, er bestond nog een ander soort school waar we nog veel meer zouden leren, waar er drankautomaten op de speelplaats stonden en waar er - gruwel o gruwel - ook Meisjes rondliepen. Kortom: de Grote School.

Op de grote school moest er nog zo veel beginnen, leek het. Leven, werken, liefde.

Wat is dat trouwens, liefde? Mijn moeder geeft mijn vader al meer dan twintig jaar hetzelfde voor zijn verjaardag - een overhemd - en hij blijft het ieder jaar weer een even grote verrassing vinden. Is dat liefde, of is het angst voor wat verandert? Is het elkaar, na 50 jaar gelukkig huwelijk, nog steeds niet onder de eerstvolgende voorbijrazende trein willen gooien?

De grote verandering, een nieuw hoofdstuk waaraan je begint met de gedachte 'Nu verandert alles' in je hoofd, maar er verandert niets. De drempel die je je hele leven voor je uit blijft duwen. De Grote Sprong Voorwaarts is maar een kleine stap voor de mensheid. Je groeit niet op, je wórdt opgegroeid. Je krijgt een naam, een duw. Je leert want je moet vooruit. Een nieuw adres, een nieuwe school. Voorwaarts, zoals een kudde blinde lemmingen. De eerste avond dat je ouders je langer lieten opblijven, ook toen was er niets op TV. Je leert nieuwe woorden, nieuwe talen, nieuwe gelaatsuitdrukkingen, nieuwe visies. Het voelt goed. Je leert spaghetti maken, gitaar spelen. Alles.

Zolang je je maar niet verveelt. Je schrijft want 24 uur is lang. Een jaar. Zo'n leven is lang. Doe iets, ga vooruit. Backwards never. Niet omkijken of je valt. Ze laten je los, en zie, je gaat alleen. Wat ben je fier.

Je hebt het einde van een nieuwe bladzijde gehaald.

Omdraaien maar.

 

De middelbare school. Een machine waar ze kinderen in stoppen en waar, zes jaren later, de volwassenen er zelf uit komen gehuppeld. Dit proces gaat niet zo vlotjes: aan 13 jaar kocht ik mijn laatste teddybeer, ik noemde hem Dostojewski. Het Heilig-Bloedinstituut maakte zijn naam, Grote School, echt wel waar. Er zaten meer dan 1000 jongens en 20 meisjes(een kleine, maar fel bekeken minoriteit). Ik zat in het eerste jaar dat het zogenaamde 'eenheidstype' en vogue was. Buiten het feit dat handboeken een nieuw lettertype kregen, verschilde dit systeem niet zoveel van het goede, oude systeem dat in vroegere tijden gangbaar was geweest.

We hadden trouwens nog steeds dezelfde schoolagenda met diezelfde moppen(die je aan het begin van het jaar allemaal in één ruk na elkaar las, zodat de lol er voor de rest van het jaar natuurlijk wel af was). Twee grote veranderingen: veel leerkrachten en veel lokalen.
Ik begon mijn middelbare carrière in het eerste Latijnse A. Het Latijnse was een populaire richting: hoeveel ouders hopen er niet dat wat antieke cultuur hun plaatselijke Neanderthalers / Heidelbergers zal omvormen tot verfijnde, kunstminnende zielen.

Onze leraar Latijn had veelbelovende stickers op zijn boekentas met slogans als 'Zonder Grieks ben je nieks' of 'Latijn is fijn'. Latijn is niet de geschikte taal om een boom op te zetten over voetbal, vrouwen, drank en andere interessante onderwerpen. Daarom noemen ze het een dooie taal. Ik was er dan ook stellig van overtuigd dat de ondergang van het Romeinse Rijk grotendeels aan hun taal, het Latijn, te wijten was: teveel met hun conjunctieven bezig en te weinig met hun verdediging. Of ze kregen het gewoon niet allemaal gezegd. Toch zeker niet op tijd. Totaal nutteloos dus, dat Latijn. In die zin was het een eerlijk vak: niemand had ons ooit verteld dat het ook maar in de verste verte nuttig zou zijn. Wiskunde was nuttig, maar Latijn... dat deed je omdat je nu eenmaal intelligent wou zijn. Het was daarenboven enorm plezant om menig barbaar te overstelpen met Latijnse citaten, die je zelf ter plekke uitvond. Dit ging allemaal gepaard met een enthousiasme dat tegenwoordig alleen nog weggelegd is voor reuzensolden bij meubelen Weba. Het leek een spannend verhaal. De geschiedenis van Rome. Van de stichting van de stad, haar bloei en haar verval. Tot die Germanen het Europa van de Regio's begonnen te verdedigen.

En dan had je nog de nuttige vakken. Daar leerde ik inderdaad veel bij. Van mijn leraar Nederlands leerde ik, bijvoorbeeld, dat het hebben van een baard niet altijd op intellectuele activiteit wijst: het kan ook betekenen - 'ik ben gewoon te lomp om me te scheren' - 'hebt u mijn gezicht al eens goed bekeken?' - of - 'ik ben de missing link en niemand mag het merken'. Ik leerde ook van hem dat je een les beter niet begint met 'waar hebben we vandaag eens zin in?'. We hadden ook dramales. Dit klinkt natuurlijk erg, maar het was nog erger. Onze school had een speciaal dramalokaal. In dit lokaal lag er tapijt en er waren geen banken. Alleen zitblokken. Die kon je stapelen, maar je kon er elkaar ook mee naar de kop gooien. Om jezelf volledig te kunnen uitdrukken moest je wel je schoenen uitdoen.

Aangezien we Bhopal al hadden gehad, konden we het geurtje dat er hing al beschrijven als een 'napalmluchtje'. Je had enerzijds non-verbale expressie (als de leraar koppijn had) en anderzijds verbale expressie. De dingen die we toen grappig vonden: was het een erg ongeval of bent u zo geboren? Om er in te blijven.

Wiskunde was natuurlijk het nuttigst van allemaal. Die leerde ons dat de kortste afstand tussen twee punten de rechte was. In een ideale wereld waar lijnen niet de dikte van een slecht geslepen 2HB-potlood hadden. Met wiskunde word je ingenieur, met talen word je hooguit arm. Pas als je dood bent, word je beroemd, dus kan je maar beter snel dood gaan.
Ik was twaalf jaar en ik wist nog niet dat een vrouw verondersteld werd borsten te hebben, geen van mijn vrouwelijke leerkrachten scheen dit onderdeel te bezitten. Allemaal zo plat als de Marianentrog (voor de zwakkere lezers: dit is een metafoor). Het waren allemaal brave huismoeders die het ongetwijfeld alleen maar zouden doen om een nieuwe fiets voor hun schatten van kinderen te kunnen kopen. Huismoeders hebben trouwens nooit borsten, komt door iets in die afwasproducten of zo. Deze kwestie hield me toen trouwens ook niet zo erg bezig. De druppende kranen daarentegen...

We leerden op school dat kinderen in deze wereld sterven op het ritme van het druppen van een kraan. Iedere druppel betekende een kind. Vanaf toen kon ik geen druipende kranen meer verdragen - die werden zo vast mogelijk dichtgedraaid. Nu, in deze hoogtechnologische wereld, druipen er geen kranen meer, sterven doen kinderen nog wel. Als ik toen meer spieren in die armpjes van mij had gehad, had ik misschien alle kindjes kunnen redden. Nu zou ik het wel kunnen, denk ik, maar ik geloof er niet meer in. In stervende kindjes geloof ik wel nog, maar ook niet meer zo intens, vrees ik. Daarvoor heb ik al te veel van hun levende leeftijdsgenootjes gezien: kindjes zijn alleen schattig als ze aan het verhongeren zijn. Net zoals...
1.
2.
3.
Vul hier uw hatelijkste medemensen in.

Wat deed ik zo, die eerste jaren in het middelbaar? Schrik hebben voor de studiemeester, studeren, Latijn beschouwen als dé belangrijkste uitvinding van de mensheid - naast de ontharingscrème en de broodrooster. Schrik hebben voor de Russen, spookhuizen, examens en meisjes. Meisjes waren op zijn/haar minst 'vreemd' te noemen. Ze hadden zelfs apart turnles, opdat we hetgeen ze toch niet hadden, zeker niet zouden zien. Daarom putten we onze kennis uit blaadjes die we niet voor het woordje van de hoofdredacteur kochten. 'Wij', maar ik toch niet. Ik was namelijk te verlegen en ik was ook bang voor de Dag des Oordeels.

Die Dag des Oordeels kon volgens mijn grootmoeder niet zover af meer zijn: daarop wees de kwaliteit van de zomers en de eerste patatten, de dood van Elvis en de verschijning van de Hawaïaanse boksershort.

Aangezien de juf net ziek was toen ze ons de technische kant van de liefde moest uileggen, heb ik er lange tijd een levendige fantasie op na gehouden. Sommige van mijn vriendjes gingen daarbij veel doortastender te werk: bloemkolen, savooien en ooievaars sneuvelden in hun zoektocht naar Het Weten. Daarom duurde het nog een tijdje eer we de hand aan onszelf en anderen sloegen. Ik vond mezelf toen de lelijkste puber aan deze kant van het Aralmeer en ik schaamde me voor mijn stem- die klonk op band zoals Bob Dylan na een uitgelopen sangria-avond.

Ik was dus een normale puber. Minderwaardigheidscomplex, een woord waarmee u toen de IQ-quiz kon winnen én het luisterend van heel wat knappe meisjes.

Ik was één van die jongetjes die veel vriendjes had, tijdens de examens dan toch. Toen al moest je herseninhoud beangstigend veel op die van de amoebe lijken om populair te zijn. Al deze frustraties werden bij mij omgezet in agressie en koppig stilzwijgen. Een driftkikker. Het type dat bejaarden hun looprekje rectaal zou inbrengen, ware het niet dat ik te verlegen
was om eerst hun toestemming te vragen. Mijn moeder deed er nog een schepje bovenop door me constant op mijn plichten, want die had ik ook, te wijzen. 'Dominique, opstaan!' 'Waar zijn je schoenen, het is al kwart voor acht, doe een warme jas aan, heb je je boeken bij, je chocomelk op en genoeg gegeten? - Zoentje.' Goed opletten.

Opletten, dat moest. Voor de Zonde, de auto's(die onveranderlijk door bloeddorstige maniakken werden bestuurd), vreemde meneren, slechte punten, kanker, pitten die je niet mocht inslikken (anders groeide er een boom in je maag, door je slokdarm, tot tegen je schedeldak) en ijzel op bruggen en wegen. God ja, het is een fase, je komt er wel doorheen. Je voelt je nu wel natuurlijk niet zo goed, maar ah, vroeg of laat denk je er met heimwee aan terug en je kan er nog een heel oeuvre over doorbomen. Dus wat klaag je eigenlijk?

En natuurlijk word je communist. Je bent zelfs aan de flaptekst van Das Kapital begonnen, je citeert Bakoenin alsof het om spreuken van de Bond Zonder Naam gaat. Je bent ook tegen racisme, want je kent zelf geen enkele zwarte - dus waarom zou je ertegen zijn? - en de lievelingsacteur van je moeder is Sidney Poittier. Waarom niet. En tussendoor red je ook nog het milieu, dan kan je zonder gewetenswroeging die trendy Greenpeace-T-shirts aan - ik ben steunend lid, weet je wel...

Je hebt echt geprobeerd om te geloven. Enkele dagen heb je tegen je muren gepraat, maar er komt niets. Je voelt je bedrogen, je probeert opnieuw en eigenlijk is het stom. Je bent zo alleen 's avonds en er is weer niets op TV. Je bent geen doelpubliek meer (tenzij voor Biactol-reclamespotjes). Je voelt je nog allener.

Ondertussen trok de school zich hier niets van aan- ze ging door. Net zoals de wereld die tussen de erupties van oorlogen nog wat verder bleef draaien. Uit pure gewoonte. Iedere generatie heeft zo zijn eigen oorlog. Zo konden mijn grootouders trots zijn op hun tweede wereldoorlog, mijn ouders op Vietnam en wij, wij hadden de Golfoorlog. Tijdens de zomervakantie was de overduidelijke slechterik van het hele verhaal, Saddam Hoessein, de pretparkstaat Koeweit binnengevallen.

Koeweit, dat opeens gebombardeerd (...) werd tot een toonbeeld van democratie en rechtschapenheid. Omdat er olie en atoomwapens in het spel waren, wierpen de Verenigde Staten en met hen de hele Westerse reutemeteut zich op als dé verdedigers van dit charmante stuk woestijn met zicht op zee. Ook hier in België heerste er een gezellig sfeertje dat aan die goeie oude Koude Oorlog deed denken. Anders brave huismoeders sloegen opeens kilo's spaghetti, suiker en maandverband in, voor het geval dat... Een enkeling overwoog de aanschaf van een gasmasker en leerde zijn volkslied van buiten.

Mensen spraken over Scuds alsof het over de nieuwe Brugse spitsen ging. Eindelijk weer wat uniformen op televisie. Zo had je de Amerikaanse generaal Schwarzkopf die zo een honderd keer in prime time mocht uitleggen hoe hij die Irakese mietjes terug de woestijn zou injagen - jankend en ietwat fluorescerend oplichtend. Zijn aanpak was even simpel als geniaal: er gewoon recht op af gaan, zoals echte mannen dat doen. Strategie is tijdverlies. We vergaven de mens zijn bierbuikje en zijn vocabularium werd dan ook gretig overgenomen. 'Precisiebombardementen' waren bievoorbeeld helemaal niet precies. 'Strategische doelwitten' betekende 'ziekenhuizen en kleuterscholen'.
Hoe leuk om alles weer in goed en slecht te kunnen verdelen! Ik moet toegeven dat die eerste TV-beelden(vizier met gebouw wordt vizier met niets) ook mij hadden overtuigd dat we hier met een propere oorlog te doen hadden.

Ik hield er zelfs nog een spreekbeurt over, over 'de oorlog in Irak'. Ik slaagde erin de woorden 'oorlog', 'bombardementen' en 'noodzakelijk' tot één zin te combineren.
Proficiat, Dominique, 16/20.

Dit buiten beschouwing gelaten, verliep mijn tweede middelbaar nogal gewoontjes: ik kende de regels nu al wel, ik wist op welke manier ik moest knikken en blokfluiten kon ik al van vorig jaar.

We kregen wel een priester als godsdienstleraar. E.H. Aelvoets leefde in de veronderstelling dat we in alle vijf de godsbewijzen van Aquino waren getrapt. Zelfs pertinente vragen zoals 'slaapt de heilige drievuldigheid in drie aparte bedden, dan wel in een stapelbed?' of 'betekent een spellingsfout in mijn bijbel dat God niet kan spellen of is ook deze fout goddelijk geïnspireerd?' konden de goede man niet van zijn stuk krijgen.
Aan de E.H.Aelvoets hadden we ook het programma van onze tweede schoolreis te danken. Sleepten we ons vorig jaar nog totaal gedesinteresseerd door een Romeinse villa in Blicquy of een ijzertijddorp in Aubechies, dit jaar sleepten we ons al even gedesinteresseerd door de opgravingen in Ename(zelfs geen muren), het Gallo-Romeins museum te Velzeke(is dat de zojuist overleden toiletjuffrouw, of heb ik een belangrijke archeologische ontdekking gedaan?) en de ruïnes van Bavay. Als toetje stond er een bosspel op het programma. Een historische veldslag tussen Romeinen en Galliërs diende aldus gecommemoreerd te worden. Enfin, het eindigde op een fikse rel die de oorspronkelijke veldslag ietsjes in de schaduw stelde.

De technologieles tenslotte probeerde ons nog steeds enige notie van de begrippen 'handenarbeid' en 'ernstig hoofdletsel' bij te brengen. Alles ging dus zijn normale gang.

En toen gebeurde het. Dominique ging, voor de eerste keer in zijn leven, op vakantie. Misleid door de katholieke propaganda stuurden mijn ouders me mee op een CM-kamp voor 14-jarigen. Het laatste waarmee een 14-jarige zijn godganse vakantie wil doorbrengen, is een horde andere 14-jarigen. Ik ging dus naar Zwitserland. Een land dat ik sindsdien alleen maar kan associëren met saaiheid. Ze hebben er zelfs geen zee! Alleen bergen, die dingen waar je eerst moet opklimmen om daarna weer naar beneden te gaan, met een zweem van voldaanheid: 'Zie je wel dat er daarboven niets te zien viel' Ik vrees dat ik die week een overdosis bergen heb gehad. Ik vond ze toen al onhandig, dingen waar je rond moest en niet overheen.

 

Het derde middelbaar. Het jaar wordt ingezet met een gekke, oude wiskundeleraar die onderweg wordt geruild voor een jonge stagiaire die de 'ij' doet klinken als de paringsroep van de tyrannosaurus rex. Juffrouw Dekoninck was de enige hormonenstimulerende wiskundelerares uit mijn hele schoolloopbaan. Alleen jammer van dat karakter. Haar assertiviteit was van die aard dat ze de helft van de klas instinctief onder de bank dreef. En dat deden we niet om haar benen te bewonderen - ze was zo een broekenmens. De andere helft overcompenseerde deze schrikreactie door wat stoere praat te verkopen. Dit leverde ons ooit eens een klassikale straf op. Vijf keer een bewijs overpennen, iets constructiefs. We kregen ook een speech van de studiemeester, waaruit er nu nog wordt geciteerd.

In het derde jaar kwamen er ook nieuwe vakken bij, die ons moesten helpen bij onze ontwikkeling tot Jongvolwassene. Fysica, informatica en chemie - McGyver had ze ook nodig om te overleven. In de Engelse les leerde ik dat 'een karre vol modder' niet noodzakelijk hoefde te slaan op 'a careful mother', ook 'I love you' en 'all of you' zijn verschillende dingen.
Aardrijkskunde kregen we ook nog - op de oude manier. Niks geen persoonlijke inbreng en ander pedagogisch gezeik. Kaartjes kleuren, dàt telde in het leven - de zee blauw, de bergen grijs en de rest oranje. Achter de grote wereldkaart, vooraan in de klas, had onze teerbeminde leerkracht meestal een fles sterke drank staan. Deze werd, naargelang de aaibaarheidsfactor van de klaspopulatie, meer of minder aangesproken. 'Kleur de zee blauw' was persoonlijk mijn lievelings-examenvraag.

De turnles was nog steeds een stomend hoogtepunt van de week. Florquin was een oude veteraan in het vak die ongetwijfeld nog de oerknal himself had meegemaakt. Hij probeerde ons de edele kunst van het marcheren bij te brengen, tevergeefs. Arbeid adelt. Net zoals de Coopertest, het opdrukken en de hinkstaprol dat doen. Nooit geweten dat een mens zoveel spieren had, ik heb ze allemaal wel eens gevoeld.

Oh ja, we hadden nog een vrouw: voor biologie (zo konden we weer fluiten naar onze voorlichting). Zo een vrouw die geen nieuwe pasfoto's maar volledige panorama's van zich moet laten maken. 'Volslank' is een mooi woord. Toch hadden we leuke biologielessen. Activiteiten zoals oogbaldissecties en het operatief versnijden van een snee Ardeense ham droegen toe bij. In zo een oogbal zit trouwens een soort doorzichtige confituur. Dat weet u nu ook al weer.

De tijd van gezelligheid liep nu op zijn laatste benen. 'Gezellig' was nu rechts, conservatief. Gruwel. Kerstmis moest ik nu commercieel en oppervlakkig vinden, hoewel er niets veranderd was. Iedere generatie geeft zijn onbeantwoorde levensvragen door aan de volgende generatie. Veel plezier ermee, misschien los je ze zelfs op. Zo gaat het al eeuwen lang. 'We weten het ook niet, laten we dus maar snel kindjes maken, die zullen het wel voor ons oplossen.'

Nu begon ik het gewicht van die vragen pas goed te voelen. "De bijbel moet je vooral symbolisch nemen." Daar kwamen ze nu, na 10 jaar katholiek onderwijs, mee af. Alles is symbolisch in dit rotdecennium: ideeën worden samengevat tot een symbool. De hele wereld kan je vatten tussen sikkel en kruis. Mensjes worden symbolen. Zes miljard :-). We tellen ze al niet meer. Ook ik ben een :-). De broodrooster als symbool voor een hele beschaving.

Ik beleefde nu ook mijn eerste taalkamp. In Chalençon: een gat, maar dan wel in de Ardèches wat het dan toch wel wat interessanter maakte. Nog nooit zoveel imago's op een vierkante meter meegemaakt. Ik probeerde het toen al enige tijd op gitaar waar te maken. Dat was nu eens 'stijl', zie! Mijn werk werd toen al niet echt geapprecieerd: toen ik mijn uiterste best had gedaan om de intro van 'Nothing else matters' enigszins aanhoorbaar te brengen, toen feliciteerde zo een taalkampjongmens me met mijn fantastische improvisatie. "Waar bleef ik die onbekende melodieën toch vandaan halen?" Ondanks dit incident werd ik die week verliefd, op een meisje. Ze heeft het nooit geweten, hineininterpretierend gezien, zou ik zeggen: 'Gelukkig maar'. Die ene week leek echt lang, niet zo lang misschien als 'De pantserkruiser Potemkin' zonder reclameblokken, maar toch. Ze heette Ester en ze was goed gek - ze gaf om me.

Zo begon ik dan mijn vierde jaar. De meeste lessen waren nog steeds aried gebied. Alleen talen interesseerden me nog wat. Ik las nog altijd graag, daar hadden 4 jaar boekbesprekingen niets kunnen aan veranderen. Leerkrachten Nederlands waren plots interessante mensen. Dat ik me hier, boven deze slechtverlichte tafel, voortijdig oud voel en mijn rug breek op een Zweedse designerstoel, heeft veel met deze heren te maken. Dank u.

Ik weet dat ik niet origineel ben als ik u vertel dat Tolkiens 'Lord of the Rings' mijn lievelingsboek was. Ik doe het toch, Tolkien verdient het. Typisch onvolwassen leesgedrag. Toch werd ik volwassen: ik schreef geen moppen meer in mijn agenda en ik mocht nu ook KNT-films gaan bekijken.

Van deze mogelijkheid maakte ik al snel gebruik. Samen met een "maat" van mij, Freddy, ging ik naar de plaatselijke cinema. Freddy zou later voor burgerlijk ingenieur gaan studeren, maar dat kon ik toen nog niet weten. De film was slecht, het was een thriller en er was een happy-end.

***
Tijd voor experimentele poëzie:

"Dementie"

Wàt zei u?

***

Mijn leraar Nederlands had het vast goed gevonden. Mijn leraar Nederlands was dan ook een aimabele mens. Mocht ik mijn leraar Nederlands ooit eens tegenkomen op straat, ik zou hem zeker een pint offreren. Eerlijk waar.

Een saai jaar dus, dat vierde jaar. Laat ik nog maar wat zwijgen over mijn fantastische vakanties.

Het vijfde jaar zou ik liever overslaan, maar dat bent u niet van me gewoon. Ik zag dat jaar mijn grootmoeder sterven. 'Na een lange slepende ziekte' werd het op haar doodsprentje. Geen bezoekjes meer in de achtertuin, haar huis werd prozaïsch verhuurd. De dood heeft niets te maken met dure, uitgekozen woorden, stilte of zelfs maar berusting. Maar alles met obscene darmpjes en infuzen, met gewone dingen als schakelaars, machines die stoppen en een deken.

Er is een kamer vrij.

Ik heb me ver van de dood proberen te houden. Ze zag er nochtans goed uit, in het funerarium. Ik kon mezelf er niet toe bewegen haar op te zoeken. Ze was lid van Immer Jong. Ik had geen tranen, ik kon niet huilen, dus huilde ik maar om de tranen die niet kwamen. Ik vond mezelf hard - toen. Nu nog. Grootmoeder was nu eenmaal geen zielig hondje of een vogeltje. Dan had ik het wel gekund.

Wat doet een mens tegen de dood? Leven, verdomme. Ik wou de wereld veranderen, bij gebrek aan een lief. Aan zeventien jaar deed ik voor het eerst iets dat onder het titeltje 'dingen die je als huis-,tuin- en keuken-tiener normaal niet doet' viel: ik ging mee als monitor op kamp met mentaal gehandicapten. Invaliden. Mindervaliden. Andersvaliden. Mensen met mogelijkheden. Er zijn veel manieren om ermee om te gaan.

Mijn eerste kamp was te Gierle, een non-entity niet ver van Bobbejaanland. De setting was een idyllisch boerderijtje, dat me ongewild vrolijk deed voelen. Op papier ziet het er allemaal nogal vaaltjes uit, papier verdraagt, maar vervaagt ook veel. Het enthousiasme van de gasten(een eufemisme als een ander) contrasteerde ferm met mijn eigen levensmoeheid. Van puur contentement door je bed zakken, dat had ik nooit echt meegemaakt.
Ik raakte er van mijn medelijden verlost. Medelijden is de overtreffende trap van haat, met medelijden kom je niet ver. Ik vrees dat het hier net een goedkope reclamebladzijde lijkt:
'En toen kwam de here Jezus in mijn leven'. Eén reclameblok in een heel boek, dat valt wel mee. Daarom...

Ga mee met KVG!!!

In elk geval: doe iets. Doe tenminste alsof.

En rolstoelslingeren heb ik van mijn hobbylijstje geschrapt. 'Creatief met microcefaal' ook.

Zo een kamp was het perfecte alibi om weer eens wreed het kind uit te gaan hangen. Kindertijd(bis). Een kindertijd die ik misschien iets te serieus, met vaak te veel boeken in de aanslag, had doorgenomen. Ongelofelijk.

Ik leek alles, de hele miserie die mijn leven leek, weer aan te kunnen. Zelfs een tweede taalkamp. Ik ging namelijk naar Parijs. Daar ontdekte ik nu eens échte mongolen, zie. We zaten op hotel, met kleine, geparfumeerde zeepjes en dikke tapijten die kleine mensen niet overleefden. Er was ook een zwembad. Er was geen animatie voorzien. Wel reanimatie - als de croissants weer eens ietsjes te hard was geweest. Zoals gewoonlijk op taalkamp, leerde ik weer geen zak Frans, maar ik leerde wel Parijs kennen, wat ook wel de moeite waard is. En als ik nu nog mijn bril had durven opzetten, dan was het nog beter geweest. (Hebt ú al ooit eens aan een lantaarnpaal de weg gevraagd?).

Ik raakte er ook bevriend met Pieter. Pieter was een nogal naïef uit zijn ogen kijkend jongmens, hij zeulde zijn pluchen pinguïn constant met zich mee (hij had een rood mutsje aan - de pinguïn -) en hij had een voorliefde voor Italiaanse designers met moeilijke namen. Pieter en ik waren allebei verliefd op hetzelfde meisje uit onze groep. 's Avonds perfectioneerden we onze slow-techniek met een kussen van de sofa op onze hotelkamer. We waren allebei verlegen -en Pieter had zijn pinguïn niet echt mee. Conclusie: er gebeurde weer totaal niets. Dat was ook niet echt nodig, we hadden ons toch maar geamuseerd.
Tijd voor mijn spuitjes.

Het zesde middelbaar was mijn laatste jaar in het College. En daarmee is zowat alles gezegd. Tijdens dit jaar kreeg ik mijn eerste Literaire Erkenning: In onze plaatselijke negorij organiseerde Foster Parents een schrijfwedstrijd rond de toch-wel-leuk-gevonden zinssnede 'Ruimte voor ontwikkeling of ontwikkeling voor de ruimte'. Gestimuleerd(eigenlijk meer gedwongen) door mijn leerkracht Nederlands nam ook onze klas deel aan dit concours (aaaaarghhhh!!!), waar het de bedoeling was om de begrippen 'ruimtevaart' en 'ontwikkelingssamenwerking' met elkaar te verzoenen. Aangezien ik altijd al sterk ben geweest in verzoenen (het verdrag van Jalta, dat was ik), won ik toch zeker wel een prijs. Ik won namelijk één van die fantastische televisies.

Dat een televisietoestel evenveel met ontwikkelingssamenwerking heeft te maken, als 'IQ' met Donaat Deriemaeker, scheen de waarde heren organisatoren niet te storen. Mij ook niet echt. Ik was al blij dat het geen broodrooster was geworden. De prijs werd uitgereikt door Erik Derijcke, toen nog staatssecretaris voor ontwikkelingshulp, iets wat mij een groot plezier had moeten doen.

En toen kwam de liefde.
Ja, beste lezer, ik had danig zitten. Spring is in the air. Spring 's in de lucht. En ik boekte vooruitgang: ik durfde mijn gevoelens nu al uiten bij het object van mijn begeerte, zodat ik tenminste echt, vlakaf, kon worden afgewezen. Ze heette Hilde en deed geen snit en naai. Ik werd verliefd, kreeg het antwoord 'laten we gewoon vrienden zijn' en ik had het niet door. Ik heb een jaar lang met haar geschreven. Woorden kunnen veel verbergen, hoewel ieder woord het scheen uit te schreeuwen 'ik hou van u'. Verder dan een alibi-knuffel kwam het niet, wat goed was. Aan het begin van mijn langste vakantie ooit, maakte ze het uit. Ik was kapot, ik vertrok juist op kamp. Ik kreeg een brief. Ze had het zo niet bedoeld. Heel even zweefde ik weer. Het was allemaal een grote vergissing, sommige fouten blijven we maken.
Die zomer zijn we nog tesamen oudjes gaan entertainen op JOKA-kamp. Allemaal tevergeefs. Ze werd ziek en ging naar huis. Ergens wist ik dat het toen voorbij was. Ze had het geen tweede keer moeten uit maken. Ik had het zo ook wel door.