![]() Hoofdstuk 3: meer krassen. Het vijfde leerjaar. Meneer Clockes
stopwoordje was 'bon'. Dit woordje werd op een heel
apart, samenzweerderig toontje uitgesproken en het leidde
altijd leuke anekdotes in. Deze anekdotes werden, in
tegenstelling tot de verschillende soorten bijwoorden of
de inwendige organen van de inktvis, wél onthouden. Het
ging er dus allemaal heel gezellig aan toe. Clocke had
een baard en sindsdien vind ik mensen met een kingewas
sowieso betrouwbaar. Het Sinterklaas-syndroom
waarschijnlijk. Op het einde van het eerste semester
trouwde meneer Clocke - we waren allemaal op het huwelijk
aanwezig want er waren ons massa's chocolade in het
vooruitzicht gesteld. Uit pure dankbaarheid bedolven we
het jonge paar met tonnen rijst - er zat een zoon van een
groot veevoederfabrikant bij ons in de klas. Achteraf bekeken dan toch, wanneer de jaarboeken worden gemaakt en de vragen worden gesteld. Ons tijdperk zou waarschijnlijk het atoomtijdperk gaan heten. Te beginnen vanaf 1945, toen de oerknal nog eens dunnetjes werd overgedaan. De vele vijvertjes rond Ieper zijn er niet altijd geweest. Deze poelen van rust kreeg ik nog eens te zien op mijn tweede bosklas. We gingen dit jaar ook internationaal: Frans-Vlaanderen figureerde prominent op ons lijstje van Te Bezoeken Zienswaardigheden. Om het vooral gezellig te houden, probeerden enkele pittoreske Frans-Vlamingen ons warm te maken voor de Groot-Vlaamsche gedachte. Dat dit in het Frans gebeurde, had zijn reden, een reden die ik vast toch niet zou hebben begrepen. Genoeg leeuwenvlaggen gezien voor de rest van mijn leven. En ja, natuurlijk : 'Vive Flandres !' Wat meer indruk op me maakte, was de V2-lanceerinstallatie te Eperlecques. De raket van Kuifje, maar dan in de verkeerde kleuren en in de verkeerde handen. Zelfs projectielen kunnen Kunst zijn. En dan kwam wat het einde van een tijdperk leek, maar eigenlijk een scheet in de Gaverbeek bleek te zijn: het zesde leerjaar. De Uberhauptsturmführer heette hier Iwan Deprez. Sommige mensen hebben geluk met hun naam, in die zin dat hun naam perfect hun persoonlijkheid weerspiegelt. Je zal maar eens Iwan heten en het goed met de mensheid voorhebben. Die naam Iwan suggereerde Angst. Iwan de Verschrikkelijke, had die niet iets met de goulash-archipel te maken? Achteraf bekeken was meneer Deprez gewoon een zielige, in een versleten kieltje gehulde, oude man, die meer het figuur van een verlopen cafébaas dan dat van een leraar had. Hij had een sikje, de hoorns kreeg hij van zijn vrouw. Onder zijn regime kreeg ik voor het eerst met Willekeurige Terreur te maken. Hoe ik ook zocht, er was geen systeem te vinden in de straffen die de man placht uit te delen. Conclusie: de man was gek. Remedie: braaf zijn. Dit werkte, maar niet altijd - één lijntje vergeten en je kon die huistaak opnieuw maken. Toen huilde ik daarom, ik had de woede nog niet. Dachau zou niets voor mij geweest zijn. Iets voor u? Hoe laag Deprez ook bij me op de evolutieschaal gesitueerd stond - ergens tussen de amoebe en de platworm-, zijn collega Frans Debeurre vond ik nog erger. Hij was het soort heerschap dat zijn krant met chirurgische precisie opvouwt, altijd 2 velletjes toiletpapier verbruikt per beurt en nooit, nooit een grap produceert. Griezelig. Alles moest dan ook tot in de puntjes verzorgd zijn bij deze mens. Debeurre gaf ons onder andere een vak als 'verkeer en veiligheid', waarin we leerden nooit in slaap te vallen tijdens het roken en eigenlijk om al helemaal niet met roken te beginnen. Voor godsdienst moesten we bij juffrouw Nadine zijn. Met haar cowboylaarsjes en haar strakke leggings stimuleerde ze véél bij ons, behalve dan ons religieus gevoel. Religie en een IQ (hebben pinda's dat ook, zo een IQ?) gingen blijkbaar toen al niet echt samen. Ze slaagde er zelfs in om het verhaal van de Barmhartige Samaritaan te laten klinken als een café-mop waarbij de vunzige clou niet al te ver meer leek. 'En toen zei die Samaritaan, toen zei hij dus 'Oei, dan heb ik de kanarie net uitgeperst!'' Waarop wij dan allemaal behulpzaam zouden meemonkelen. Slijmballen die we waren. Juffrouw Linda gebruikte heel wat make-up, dat verbood de bijbel blijkbaar niet En we gaan verder met
ons groeiproces. Mijn heilig vormsel. Van korte naar
lange broek, van Zonnestraal naar Zonneland. Als
voorbereiding op dit heuglijke feit volgde ik extra
catechese-lessen. Die lessen waren echt niet veel zaaks.
Verder dan het vroom napraten van Broederlijk
Delen-slogans kwamen we doorgaans niet: altijd eerlijk
zijn, lief zijn voor broer en zus en de rest van het
schorremorrie en iedere avond tegen de Dit en andere incidenten buiten beschouwing gelaten, doorliep ik de lagere school vlekkenloos(...). Ik leerde altijd mijn les, maakte al mijn huistaken, stond netjes in de rij, peuterde nooit neus (toch niet als iemand het kon zien), was braaf, had weinig vriendjes en was vaak eenzaam. Ik was toen nog een blanco blad dat popelde om door anderen te worden ingevuld. Een krant zonder hoofdredacteur. Als ik het niet had gelezen, dan wist ik het niet. En ik haatte het dingen te lezen die ik nog niet wist. Intussen deden er vreemde geruchten de ronde op onze school. Volgens sommigen die het konden weten (of die mensen kenden die het konden weten) was de lagere school niet het eindpunt van onze opvoeding. Nee, er bestond nog een ander soort school waar we nog veel meer zouden leren, waar er drankautomaten op de speelplaats stonden en waar er - gruwel o gruwel - ook Meisjes rondliepen. Kortom: de Grote School. Op de grote school moest er nog zo veel beginnen, leek het. Leven, werken, liefde. Wat is dat trouwens, liefde? Mijn moeder geeft mijn vader al meer dan twintig jaar hetzelfde voor zijn verjaardag - een overhemd - en hij blijft het ieder jaar weer een even grote verrassing vinden. Is dat liefde, of is het angst voor wat verandert? Is het elkaar, na 50 jaar gelukkig huwelijk, nog steeds niet onder de eerstvolgende voorbijrazende trein willen gooien? De grote verandering, een nieuw hoofdstuk waaraan je begint met de gedachte 'Nu verandert alles' in je hoofd, maar er verandert niets. De drempel die je je hele leven voor je uit blijft duwen. De Grote Sprong Voorwaarts is maar een kleine stap voor de mensheid. Je groeit niet op, je wórdt opgegroeid. Je krijgt een naam, een duw. Je leert want je moet vooruit. Een nieuw adres, een nieuwe school. Voorwaarts, zoals een kudde blinde lemmingen. De eerste avond dat je ouders je langer lieten opblijven, ook toen was er niets op TV. Je leert nieuwe woorden, nieuwe talen, nieuwe gelaatsuitdrukkingen, nieuwe visies. Het voelt goed. Je leert spaghetti maken, gitaar spelen. Alles. Zolang je je maar niet verveelt. Je schrijft want 24 uur is lang. Een jaar. Zo'n leven is lang. Doe iets, ga vooruit. Backwards never. Niet omkijken of je valt. Ze laten je los, en zie, je gaat alleen. Wat ben je fier. Je hebt het einde van een nieuwe bladzijde gehaald. Omdraaien maar.
De middelbare school. Een machine waar ze kinderen in stoppen en waar, zes jaren later, de volwassenen er zelf uit komen gehuppeld. Dit proces gaat niet zo vlotjes: aan 13 jaar kocht ik mijn laatste teddybeer, ik noemde hem Dostojewski. Het Heilig-Bloedinstituut maakte zijn naam, Grote School, echt wel waar. Er zaten meer dan 1000 jongens en 20 meisjes(een kleine, maar fel bekeken minoriteit). Ik zat in het eerste jaar dat het zogenaamde 'eenheidstype' en vogue was. Buiten het feit dat handboeken een nieuw lettertype kregen, verschilde dit systeem niet zoveel van het goede, oude systeem dat in vroegere tijden gangbaar was geweest. We hadden trouwens nog
steeds dezelfde schoolagenda met diezelfde moppen(die je
aan het begin van het jaar allemaal in één ruk na
elkaar las, zodat de lol er voor de rest van het jaar
natuurlijk wel af was). Twee grote veranderingen: veel
leerkrachten en veel lokalen. Onze leraar Latijn had veelbelovende stickers op zijn boekentas met slogans als 'Zonder Grieks ben je nieks' of 'Latijn is fijn'. Latijn is niet de geschikte taal om een boom op te zetten over voetbal, vrouwen, drank en andere interessante onderwerpen. Daarom noemen ze het een dooie taal. Ik was er dan ook stellig van overtuigd dat de ondergang van het Romeinse Rijk grotendeels aan hun taal, het Latijn, te wijten was: teveel met hun conjunctieven bezig en te weinig met hun verdediging. Of ze kregen het gewoon niet allemaal gezegd. Toch zeker niet op tijd. Totaal nutteloos dus, dat Latijn. In die zin was het een eerlijk vak: niemand had ons ooit verteld dat het ook maar in de verste verte nuttig zou zijn. Wiskunde was nuttig, maar Latijn... dat deed je omdat je nu eenmaal intelligent wou zijn. Het was daarenboven enorm plezant om menig barbaar te overstelpen met Latijnse citaten, die je zelf ter plekke uitvond. Dit ging allemaal gepaard met een enthousiasme dat tegenwoordig alleen nog weggelegd is voor reuzensolden bij meubelen Weba. Het leek een spannend verhaal. De geschiedenis van Rome. Van de stichting van de stad, haar bloei en haar verval. Tot die Germanen het Europa van de Regio's begonnen te verdedigen. En dan had je nog de nuttige vakken. Daar leerde ik inderdaad veel bij. Van mijn leraar Nederlands leerde ik, bijvoorbeeld, dat het hebben van een baard niet altijd op intellectuele activiteit wijst: het kan ook betekenen - 'ik ben gewoon te lomp om me te scheren' - 'hebt u mijn gezicht al eens goed bekeken?' - of - 'ik ben de missing link en niemand mag het merken'. Ik leerde ook van hem dat je een les beter niet begint met 'waar hebben we vandaag eens zin in?'. We hadden ook dramales. Dit klinkt natuurlijk erg, maar het was nog erger. Onze school had een speciaal dramalokaal. In dit lokaal lag er tapijt en er waren geen banken. Alleen zitblokken. Die kon je stapelen, maar je kon er elkaar ook mee naar de kop gooien. Om jezelf volledig te kunnen uitdrukken moest je wel je schoenen uitdoen. Aangezien we Bhopal al hadden gehad, konden we het geurtje dat er hing al beschrijven als een 'napalmluchtje'. Je had enerzijds non-verbale expressie (als de leraar koppijn had) en anderzijds verbale expressie. De dingen die we toen grappig vonden: was het een erg ongeval of bent u zo geboren? Om er in te blijven. Wiskunde was natuurlijk
het nuttigst van allemaal. Die leerde ons dat de kortste
afstand tussen twee punten de rechte was. In een ideale
wereld waar lijnen niet de dikte van een slecht geslepen
2HB-potlood hadden. Met wiskunde word je ingenieur, met
talen word je hooguit arm. Pas als je dood bent, word je
beroemd, dus kan je maar beter snel dood gaan. We leerden op school dat
kinderen in deze wereld sterven op het ritme van het
druppen van een kraan. Iedere druppel betekende een kind.
Vanaf toen kon ik geen druipende kranen meer verdragen -
die werden zo vast mogelijk dichtgedraaid. Nu, in deze
hoogtechnologische wereld, druipen er geen kranen meer,
sterven doen kinderen nog wel. Als ik toen meer spieren
in die armpjes van mij had gehad, had ik misschien alle
kindjes kunnen redden. Nu zou ik het wel kunnen, denk ik,
maar ik geloof er niet meer in. In stervende kindjes
geloof ik wel nog, maar ook niet meer zo intens, vrees
ik. Daarvoor heb ik al te veel van hun levende
leeftijdsgenootjes gezien: kindjes zijn alleen schattig
als ze aan het verhongeren zijn. Net zoals... Wat deed ik zo, die eerste jaren in het middelbaar? Schrik hebben voor de studiemeester, studeren, Latijn beschouwen als dé belangrijkste uitvinding van de mensheid - naast de ontharingscrème en de broodrooster. Schrik hebben voor de Russen, spookhuizen, examens en meisjes. Meisjes waren op zijn/haar minst 'vreemd' te noemen. Ze hadden zelfs apart turnles, opdat we hetgeen ze toch niet hadden, zeker niet zouden zien. Daarom putten we onze kennis uit blaadjes die we niet voor het woordje van de hoofdredacteur kochten. 'Wij', maar ik toch niet. Ik was namelijk te verlegen en ik was ook bang voor de Dag des Oordeels. Die Dag des Oordeels kon volgens mijn grootmoeder niet zover af meer zijn: daarop wees de kwaliteit van de zomers en de eerste patatten, de dood van Elvis en de verschijning van de Hawaïaanse boksershort. Aangezien de juf net ziek was toen ze ons de technische kant van de liefde moest uileggen, heb ik er lange tijd een levendige fantasie op na gehouden. Sommige van mijn vriendjes gingen daarbij veel doortastender te werk: bloemkolen, savooien en ooievaars sneuvelden in hun zoektocht naar Het Weten. Daarom duurde het nog een tijdje eer we de hand aan onszelf en anderen sloegen. Ik vond mezelf toen de lelijkste puber aan deze kant van het Aralmeer en ik schaamde me voor mijn stem- die klonk op band zoals Bob Dylan na een uitgelopen sangria-avond. Ik was dus een normale puber. Minderwaardigheidscomplex, een woord waarmee u toen de IQ-quiz kon winnen én het luisterend van heel wat knappe meisjes. Ik was één van die
jongetjes die veel vriendjes had, tijdens de examens dan
toch. Toen al moest je herseninhoud beangstigend veel op
die van de amoebe lijken om populair te zijn. Al deze
frustraties werden bij mij omgezet in agressie en koppig
stilzwijgen. Een driftkikker. Het type dat bejaarden hun
looprekje rectaal zou inbrengen, ware het niet dat ik te
verlegen Opletten, dat moest. Voor de Zonde, de auto's(die onveranderlijk door bloeddorstige maniakken werden bestuurd), vreemde meneren, slechte punten, kanker, pitten die je niet mocht inslikken (anders groeide er een boom in je maag, door je slokdarm, tot tegen je schedeldak) en ijzel op bruggen en wegen. God ja, het is een fase, je komt er wel doorheen. Je voelt je nu wel natuurlijk niet zo goed, maar ah, vroeg of laat denk je er met heimwee aan terug en je kan er nog een heel oeuvre over doorbomen. Dus wat klaag je eigenlijk? En natuurlijk word je communist. Je bent zelfs aan de flaptekst van Das Kapital begonnen, je citeert Bakoenin alsof het om spreuken van de Bond Zonder Naam gaat. Je bent ook tegen racisme, want je kent zelf geen enkele zwarte - dus waarom zou je ertegen zijn? - en de lievelingsacteur van je moeder is Sidney Poittier. Waarom niet. En tussendoor red je ook nog het milieu, dan kan je zonder gewetenswroeging die trendy Greenpeace-T-shirts aan - ik ben steunend lid, weet je wel... Je hebt echt geprobeerd om te geloven. Enkele dagen heb je tegen je muren gepraat, maar er komt niets. Je voelt je bedrogen, je probeert opnieuw en eigenlijk is het stom. Je bent zo alleen 's avonds en er is weer niets op TV. Je bent geen doelpubliek meer (tenzij voor Biactol-reclamespotjes). Je voelt je nog allener. Ondertussen trok de school zich hier niets van aan- ze ging door. Net zoals de wereld die tussen de erupties van oorlogen nog wat verder bleef draaien. Uit pure gewoonte. Iedere generatie heeft zo zijn eigen oorlog. Zo konden mijn grootouders trots zijn op hun tweede wereldoorlog, mijn ouders op Vietnam en wij, wij hadden de Golfoorlog. Tijdens de zomervakantie was de overduidelijke slechterik van het hele verhaal, Saddam Hoessein, de pretparkstaat Koeweit binnengevallen. Koeweit, dat opeens gebombardeerd (...) werd tot een toonbeeld van democratie en rechtschapenheid. Omdat er olie en atoomwapens in het spel waren, wierpen de Verenigde Staten en met hen de hele Westerse reutemeteut zich op als dé verdedigers van dit charmante stuk woestijn met zicht op zee. Ook hier in België heerste er een gezellig sfeertje dat aan die goeie oude Koude Oorlog deed denken. Anders brave huismoeders sloegen opeens kilo's spaghetti, suiker en maandverband in, voor het geval dat... Een enkeling overwoog de aanschaf van een gasmasker en leerde zijn volkslied van buiten. Mensen spraken over
Scuds alsof het over de nieuwe Brugse spitsen ging.
Eindelijk weer wat uniformen op televisie. Zo had je de
Amerikaanse generaal Schwarzkopf die zo een honderd keer
in prime time mocht uitleggen hoe hij die Irakese mietjes
terug de woestijn zou injagen - jankend en ietwat
fluorescerend oplichtend. Zijn aanpak was even simpel als
geniaal: er gewoon recht op af gaan, zoals echte mannen
dat doen. Strategie is tijdverlies. We vergaven de mens
zijn bierbuikje en zijn vocabularium werd dan ook gretig
overgenomen. 'Precisiebombardementen' waren bievoorbeeld
helemaal niet precies. 'Strategische doelwitten'
betekende 'ziekenhuizen en kleuterscholen'. Ik hield er zelfs nog
een spreekbeurt over, over 'de oorlog in Irak'. Ik
slaagde erin de woorden 'oorlog', 'bombardementen' en
'noodzakelijk' tot één zin te combineren. Dit buiten beschouwing gelaten, verliep mijn tweede middelbaar nogal gewoontjes: ik kende de regels nu al wel, ik wist op welke manier ik moest knikken en blokfluiten kon ik al van vorig jaar. We kregen wel een
priester als godsdienstleraar. E.H. Aelvoets leefde in de
veronderstelling dat we in alle vijf de godsbewijzen van
Aquino waren getrapt. Zelfs pertinente vragen zoals
'slaapt de heilige drievuldigheid in drie aparte bedden,
dan wel in een stapelbed?' of 'betekent een spellingsfout
in mijn bijbel dat God niet kan spellen of is ook deze
fout goddelijk geïnspireerd?' konden de goede man niet
van zijn stuk krijgen. De technologieles tenslotte probeerde ons nog steeds enige notie van de begrippen 'handenarbeid' en 'ernstig hoofdletsel' bij te brengen. Alles ging dus zijn normale gang. En toen gebeurde het. Dominique ging, voor de eerste keer in zijn leven, op vakantie. Misleid door de katholieke propaganda stuurden mijn ouders me mee op een CM-kamp voor 14-jarigen. Het laatste waarmee een 14-jarige zijn godganse vakantie wil doorbrengen, is een horde andere 14-jarigen. Ik ging dus naar Zwitserland. Een land dat ik sindsdien alleen maar kan associëren met saaiheid. Ze hebben er zelfs geen zee! Alleen bergen, die dingen waar je eerst moet opklimmen om daarna weer naar beneden te gaan, met een zweem van voldaanheid: 'Zie je wel dat er daarboven niets te zien viel' Ik vrees dat ik die week een overdosis bergen heb gehad. Ik vond ze toen al onhandig, dingen waar je rond moest en niet overheen.
|