Hoofdstuk 2: krassen.

Een andere poort, een andere speelplaats. Hetzelfde systeem. De banken zijn iets groter, dit wordt gecompenseerd door het gebrek aan meisjes. Het Heilig-Hartcollege lag in de Nijverheidsstraat. Nijver is goed voor je. "Early to bed and early to rise makes John healthy, wealthy and wise. "Ijverig. Mieren zouden het zijn. Je zet een voet op hun hoop - een catastrofe, vele doden - ze werken door, krioelen hun weg verder. Morgen moet alles weer in orde zijn, want dan is het koninginnedag.

De lagere school betekende ook mijn eerste kennismaking met reeksen. 1, 2, 3, 4, 5, 6,...(vul logisch aan). Januari (31), februari(28 of 29),... Op de knokkels van je hand.
Leopold I, Leopold II, Albert I(zei 'nee' tegen de Duitsers, verliet zijn troepen niet, maar viel toen van de rots - ocharme), Leopold III en Boudewijn I(Albert II was er nog niet en prins Karel telde nooit mee). De Belgen waren de dappersten aller Galliërs. Zoiets doet een mens nu deugd zie.

Het eerste leerjaar. Ons gebracht door juffrouw Suzanne. Een juffrouw, om ons minder naar huis te doen verlangen. Juffrouw Suzanne was van het gezellige type. Alles werd ingedeeld in 'gezellig' en 'niet zo gezellig'. Het soort mensen dat kickt op IKEA-meubeltjes, een kussentje hier en daar, en alles héél knus, dat wel. Bhopal? The Texas Chain Massacre? 'Niet zo gezellig'. Nog wat thee?

Juffrouw Suzanne was juist wat we nodig hadden: iemand om ons liefdevol op snottebellen en uitpuilend oorsmeer te wijzen. En ik leerde het wonder 'lezen en schrijven' kennen. Dit gebeurde aan de hand van verhaaltjes waarin niet-uitgediepte personages, die luisterden naar de onwaarschijnlijke namen 'An', 'Jan'(notabene nog broer en zus ook) en 'Piet' en
'Miet', de hoofdrol speelden. Deze luitjes leidden een op zijn minst ongeloofwaardig bestaan: geen vader en moeder in de wijde omtrek te bespeuren met het bijhorende vermanende vingertje. Dit gebrek aan ouders had een aantal kleine, doch niet te onderschatten avonturen tot gevolg, die wij dan mochten lezen. Eerst op grote bordjes, later in het boekje zelf.

Ook rekenen stond op het programma, maar dat vond ik toen al niet belangrijk. Al ooit eens iemand 'creatief' zien boekhouden? In het eerste leerjaar leerden we tot 20 tellen, in het tweede tot 100, in het derde tot 1000, in het vierde tot een miljoen-miljoen. Gedaan met de vooruitgang. En dan was er nog godsdienst.

Om het allemaal wat aanschouwelijker te maken, had juffrouw Suzanne geheel Israël in de zandbak nagebouwd. Galilea - Samaria - Judea. Net een voetbalmatch met een ploeg te veel op het veld. Het zag er allemaal nogal primitief uit. Ik was een van de weinigen tot wie het was doorgedrongen dat Jezus en de zijnen geen sportschoenen en jeans droegen, maar zich wel door het leven bewogen in soepjurken en sandalen. (geen Arafat-sjaal, want Jezus was een jood). Een beetje zoals de paus.

Ik kon misschien nu wel schrijven, het praten vlotte nog niet echt. Dit viel zelfs op in mijn West-Vlaamse geboortedorp. Daarom stuurden ze me naar een lo-go-pe-dis-te. Dat zijn mensen die al-les heel na-druk-ke-lijk uit-spre-ken in de hoop dat je dat dan ook zal doen. Mooi niet. Daarom moest ik iedere woensdagavond naar juffrouw Maureen gaan. Genoemd naar de gevaarlijke roofvis die menige wereldzee van een paar generaties kleine vis-opdondertjes heeft verlost. Dat beloofde.

Als ik me niet vergis, was het de eerste keer dat ik iemands anders huigje van zo dichtbij te zien kreeg. Dit was minder opwindend dan u zou denken. Heel wat opwindender was de vibrator (ietwat omgebouwd, maar toch, onmiskenbaar: een vibrator). Dit toestel werd verondersteld mijn strottenhoofd te stimuleren bij het produceren van mijn -r-. Het rrrruisen van het rrranke rrrrrrrrrr - hier haperde het toestel even. Een nieuw adjectief: bekakt.

Op één van mijn bezoekjes aan de logopediste stond er me merkwaardig veel volk op te wachten. Bleek dat de koningin (Fabiola heette ze toen, die met de krulspelden) het naburige bejaardentehuis met een bezoekje zou vereren. Daar lopen ze nu warm voor, die bejaarden. Daarna zou ze de straten afdweilen op zoek naar handjes die dringend geschud moesten worden. Ook ik kreeg, als wat verdwaalde toeschouwer, een handje. Daarmee ontnam ik vast een of andere oudstrijder de beloning waar hij na 3 jaar kamp, 7 maanden bejaardentehuis en een veertigtal kerstboodschappen, méér dan recht op had.

Ik zei (ik citeer): 'Goedendag mevrouw'. Met een ruime pauze na 'goedendag' om het goed tot haar te laten doordringen.

Het zal ook rond deze tijd geweest zijn dat ik ontdekte dat er ook andere mensen thuis rond mij leefden. Ik ontdekte dat ik een zus had (de schók). Ze was twee jaar ouder en heette Dorien. Een gemiddelde zus dus. We werden dan ook maar snel vrienden. Niet té, natuurlijk, het blijft tenslotte je zus.

Ik had ook een broer, Karel. Hij was de oudste en hij was gehandicapt (of is het nu 'andersvalide'?). Hij had autisme. Nú heeft deze handicap een hoge hipheidsfactor, daar hebben allerlei films en liedjes wel voor gezorgd, maar toen ik klein
was, had het dat niet. Via een metonymie werd het stigma 'gehandicapt' ook soms op mij overgedragen. 'Gekandihapt' zeiden ze, want dat was grappig. Kleine kinderen zijn soms zo lief, dat je ze met plezier door de sapcentrifuge zou halen.

Ik wou dat ik toen al zo volwassen was geweest om enkele van die puistenkoppen, met liefde voor het vak, professioneel door het asfalt te slaan. Nu doe ik het verbaal.

"Geen kauwgum inslikken, maar wel je gevoelens. Dat is misschien wel ongezonder, maar het staat ook beter." Ik had ook een vader en een moeder. Ik ben hen enorm dankbaar voor het feit dat ze me als drenzige peuter, toen het nog kon, niet tegen de rand van mijn bedje hebben doodgeslagen of me niet, in datzelfde bedje, hebben laten verhongeren toen ik om eten en warmte huilde. Daarom zal ik me in dit onderwerp beperken tot één regel hartgrondig zwijgen.

Dat had u niet verwacht. En nog een.

Zo hebt u ook direct een beeld van mijn vakanties in die tijd gekregen. Op een bepaald moment gingen we naar het toneel. Mijn eerste culturele ervaring. De jongens van het vierde hadden een stukje in elkaar gestoken rond het thema 'het jaar 2000'. Toen was dat nog de toekomst. Het zou geen lachertje worden, dat jaar 2000: de 'acteurs' liepen rond in vuilniszakken, dit was waarschijnlijk het gevolg van de verregaande belastingshervormingen van het tiende kabinet-Dehaene. Er was ook een tekenwedstrijd aan het stuk verbonden. Ik tekende hetgeen me het diepst had getroffen in de komende eeuw: de vuilniszakken. Iets drie-dimensioneels. Een concept-kunstwerk. Ik won er een futuristische lichttol mee. Een hele namiddag probeerde ik het ding aan de praat te krijgen. Tevergeefs. Het heeft slechts eenmaal gewerkt - in de late avond.

U begrijpt dat ik de toekomst met een zekere scepsis tegemoet zag...

En ja, dan was er het tweede leerjaar. Wat had u anders verwacht? Deze promotie bracht me een lokaal verder op de gang. Nog 4 te gaan. Meester Jacques was hier de gezagsvoerder. Geen tuttebel van een juffrouw maar een mannelijke man. Hij was een kei in het bordenwisserslingeren en in het plastisch vertellen van sprookjes. Dit laatste gebeurde bij voorkeur vlak na de middag, wanneer iedereen wat lyrischer gestemd was. Rekenen en schrijven bleven echter onze hoofdactiviteiten. 'Vaardig en Vlot', 'Arythmos' en 'Taaltaken', dat waren de poëtische titels van de boekjes die ons deze noodzakelijke vaardigheden bijbrachten. Er stonden vraagstukken in waarin de appels nog 3 frank kosten en waarin kinderen nog alleen naar de winkel gingen. De blijvende aanwezigheid van An en Jan en de bende, drukte ons op de bittere werkelijkheid: we waren nog steeds niet volwassen.

 

Tijdens het tweede leerjaar had ik me, ondanks mijn pedagogisch verantwoorde opvoeding, ontwikkeld tot een intellectueel. Dat vertelden de cijfers op mijn rapport me toch maandelijks. Gelukkig haalde ik nooit de honderd. Niets is zo knakkend als de honderd halen: geconfronteerd met het absolute maximum ga je twijfelen aan je eigen stommigheid. Zeven zijn en alles kunnen: het begin van het einde.

Gelukkig waren er nog de turnlessen die me ver van die utopische 100 hielden. Om de een of andere duistere reden droegen de heren die me de edele kunst van het rondjeslopen en de fijne motoriek moesten bijbrengen bijna allemaal, zonder uitzondering, felblauwe trainingpakken. Dit verklaart misschien mijn aversie ten opzichte van dit onschuldige kledingstuk: het trainingspak. Ook wel 'jogging' of, ten onrechte, 'sportpak' genoemd.

Absolute toppunt van wansmaak, en dan blijf ik nog objectief. Dit kledingstuk suggereert een graad aan sportiviteit die net iets te veel is voor mijn zwakke, onsportieve maag. En dan is er nog het joggingpakkengezin: vader, moeder, de wolken van kinderen heerlijk allemaal in een schel trainingspak gehesen. Lekker knus en zo gezellig. Ideaal om te figureren in reclamespotjes voor tuinmeubilair, kinderchocolade of slijpschijven. The horror, the horror.
Door deze afkeer werd ik vaak veroordeeld tot koude billetjes en vreemde vestimentaire combinaties. Een gering offer.

Naast LO, hadden we ook WO. Werkelijkheidsonderricht. Dit vak behandelde alles wat niet onder rekenen, schrijven of godsdienst te klasseren viel. Zo leerden we bijvoorbeeld De Dingen Waar We Als Belg Trots Op Moeten Zijn. Ons land heeft het dichtste wegennet ter wereld. Hiephiep voor het wegennet!! Onze chocolade en ons bier zijn wereldberoemd en overal gegeerd. Antwerpen is een wereldhaven en Signal de Botrange is echt wel hoog. België is klein maar Luxemburg is kleiner. We hebben Laag-België, Midden-België en Hoog-België. Vreemd genoeg lag Hoog-België onderaan op de kaart.

De sprookjes van meester Bruno maakten na de zomervakantie plaats voor de knorrigheid van mijnheer Cleinhaens. Deze mens was vaak ziek. Hij had nochtans niets gebroken of zo. Ik begreep niet hoe dat kon. Misschien begrijp ik het nu. Maar toen versierde ik mijn schriftjes nog met bloemen en ik dacht dat het zo goed was.

Eens in de week kwam er een juffrouw langs die ons wat professioneler over Jezus kon vertellen en over mensen die door hun geloof grootse dingen hadden verricht. Franciscus, moeder Theresa, pater Damiaan,... En als je problemen had, kon je altijd 's avonds bidden. God luisterde immers altijd, je stond in de palm van zijn hand geschreven. Je mocht hem zelfs 'vader' noemen. Ongetwijfeld had hij een lange, witte baard, veel rimpels en enorm grote handen - voor al die namen natuurlijk. Of misschien leek hij wel wat op de man die soms 's avonds laat bij ons thuis kwam. De man handelde in Blijde Boodschap. Meestal speelde ik wat onder tafel, terwijl de Eindtijd onschadelijk over me heen raasde en mijn ouders knikkend achterliet. Mijn moeder iets oprechter dan mijn vader (je bent nog jong en je doet nog iets voor elkaar).

Mijn grootmoeder had een boekje waarin het één en ander wat verder werd verklaard. De zondaars kwamen er collectief te laat tot inkeer en werden dan ook, terecht, deftig gestraft in het Vuur Dat Nooit Dooft. Het leken me gewone, bange mensen te zijn, maar ze hadden gezondigd en dus hoefde ik geen medelijden te hebben. Ik had liever de oude Donald Ducks die ook al bij mijn grootmoeder lagen. De nummers volgden wel niet op elkaar en heel wat verhalen eindigden zo nogal abrupt op nogal vreemde momenten, maar er stonden tenminste leukere prentjes in.

En toen kwam het computertijdperk ook mijn leven en de woonkamer binnen. Met het doorzichtige excuus 'een educatief sinterklaascadeau voor zijn bloedjes te willen' kocht mijn vader een Commodore 64. Het ding werkte met cassetjes, harde schijf was nog niet nodig en de geluidjes hadden iets weg van een op hol geslagen pacemaker. Nu zou zo'n machien hooguit een schamper glimlachje op de mond van de computer-conoisseur toveren, maar in die tijd was dit voldoende om de jaloerse medemens te tergen tot de dood erop volgde.

Eigenlijk hadden we al een computer in huis: een IBM-34. Een bakbeest dat de kamer van mijn zus wat op de commandoboeg van kapitein Kirk deed lijken, met veel gebliep en het betere lichtjeswerk. Ge-SHIFT. Door deze computergekte kwam mijn prille leescultuur sterk in het gedrang. Puk en Muk, Pinkeltje en Paulus de Boskabouter moesten het nu opnemen tegen Pacman, Double Dragon en andere onderwereldtypes. Een strijd die nog jaren zou doorgaan.

Een van mijn vrienden is de gelukkige eigenaar van een fantastisch computerspel. Je racet in een sportwagen door een stad en je moet zoveel mogelijk mensen omverrijden. Bejaarden leveren je bonuspunten op. Kindertjes natuurlijk ook. Ook artistieke prestaties worden beloond: hoe kunstzinniger de hersenen en andere lichaamsdelen van de voorruit druipen, hoe hoger je score. Logisch toch. Ach, als ze maar van de drugs blijven. En dat deed ik.

Over het vierde leerjaar zou ik veel kunnen vertellen, maar dat doe ik niet. Het was namelijk een gelukkig jaar, en dat wil u natuurlijk niet horen. Joris Dekneuter was, ondanks zijn naam, een geëngageerde leerkracht. Hij vond het belangrijk dat onze creativiteit werd gestimuleerd. Zijn knutsellessen beperkten zich niet tot het lamme bloempjes tekenen en bootjes vouwen van de vorige jaren, er werd iets meer van ons verwacht. We mochten ons eigen stripverhaal in elkaar knutselen. Mijn verhaal heette 'De Wollebollies in Zuurstokkenland'.

In deze periode leverde ik ook mijn eerste economische prestatie- het verdienen van Geld. Een som van 500BEF. Het betrof hier de tweede prijs in een voordrachtwedstrijd, georganiseerd door de Nationale Bond der Volkstuinders. Mijn stukje had als titel 'De Wintereik' (of 'De Zomereik', het was alleszins iets pakkends) en handelde dan ook over deze illustere boomsoort. Het geheel was geschreven door mezelf en uitgetypt door mijn vader die de stijl nog wat stroever maakte. Dit charmeerde het publiek (een horde volkstuinmensen in een uitgelaten bui - toen al had ik stalen zenuwen), vooral omdat het zo kort was en omdat ik het een en ander plastisch uitbeelde. Op dezelfde kindvriendelijke namiddag was er ook een pompoenwedstrijd: het grootste en stevigste exemplaar werd er met een prijs bedacht. Er bestaat nog ergens een foto waar de op het feest (want dat was het, ondanks alles, nog steeds: een feest) aanwezige kinderen en pompoenen gemoedelijk samen op poseren. Van mijn wintereik-gezeur is er echter geen exemplaar bewaard gebleven. Pompoenen zijn dan ook belangrijker.

Maar ik dwaal af. Ik hield trouwens toen al meer van fictie en fictie gaat nooit over wintereiken of pompoenen. Ik droomde dat ik ooit eens even goed als meester Joris zou kunnen voorlezen. Of gewoon goed moppen kunnen vertellen, dat was ook al voldoende. Mijn lievelingsverhaal was dat van de GVR- de Grote Vriendelijke Reus. Het was geschreven door Roald Dahl, die toen nog niet dood was. Nog niet zo lang geleden liep ik langs de Waterstraat in Waregem. Toen viel er me voor het eerst op dat er op ieder riooldeksel aan beide kanten van de weg 'GVR' gedrukt staat, de naam van het bedrijf dat die deksels maakt of zoiets. Even leek het alsof ook hier de reus was voorbijgegaan en zijn afdrukken hier had nagelaten. Op de een of andere manier voelde ik me wat minder eenzaam op mijn weg naar huis.

Even miste ik niemand. Even maar. Maar dit verhaal gaat over vroeger, niet over nu. Toen de wereld een sprookje was en wij de prinsen waren. Voorlopig nog in korte broek en met een fiets waar de steunwieltjes nog niet zo lang van verdwenen waren...

En dan was er nog zoiets als 'bosklassen'. Een week naar een jeugdherberg in de Kemmel. De eerste keer weg van huis. Traantjes op het kussen. Ieper en zijn velden waar er doden groeien. 'Their name liveth for ever'. De prijs die we betaalden. Kinderen die over kinderen lopen. Wisten wij veel. En 's avonds keken we video of playbackten we wat.

Ooit komt er een tijd zonder verjaardagsfeestjes: gemiddeld worden we 72 jaar. Ik ben 10 en ik kan rekenen: 1/7. Eén week van de grote vakantie is er nu al voorbij en nog is er niets gedaan. En toch moet ik al afscheid nemen. Dominique de Rusteloze. Een nieuwe school: daag, ik mis jullie nu al.