Hoofdstuk één: Een steen

Een licht briesje bespeelde de nog prille bladeren en beroerde de zomerjurkjes van de voorbijfietsende meisjes. De melkman deed iets zwierigs met zijn flessen, terwijl de ochtendfile ongevaarlijk en zelfs opgewekt voorbijtoeterde. Alles leek het uit te schreeuwen: lente. Lente! In fluo op de muren van de jonge stad. Weg met de warmwaterkruiken, teleonthaal en dode vogeltjes!
Het was Pasen. En op die dag, op deze ideale dag... ben ik geboren. De klokken dansten een gewaagde charleston. De vogeltjes... U weet wel wat de vogeltjes deden.
Hoewel...
Zo was het niet. Ik weet niet hoe het was, maar zo was het niet. Het is ook nooit zo geweest. Dat van die file: misschien. Wat is dat eigenlijk, een charleston? Vast iets engs. Ik begin opnieuw.
Ik weet niet of er nog beelden van mijn klinische eerste dagen op aarde(in de plaatselijke materniteit - niet echt een heroïsche plaats)bestaan. Er zit ergens nog een filmpje in mijn vaders archief met mijn moeder en een pasgeboren baby erop. Een van de eerste filmpjes die mijn vader maakte: dat is te zien aan de enthousiaste, zwaaierige cameravoering. Maar of die baby nu ik, mijn broer of mijn zus is, dat weten we niet. Ikzelf voelde echter totaal geen affiniteit met dat hoopje krioelend mens. Het zal wel mijn zus zijn.

Vroeger keken we meer naar die bandjes, de schokkende beweginkjes - toen bewogen we nog geen 24 keer per seconde-, het haar dat als spinnenpoten langs de beeldrand kronkelde. Een klein kind wordt verondersteld dit leuk te vinden. Er was dan ook een serieus ritueel hieraan verbonden. Het doek stond hier, de band tikte dáár, tóen gingen de rolluiken dicht. Nu ben ik ouder. Ik kijk niet meer. Ik schrijf.

Waarom ik dit doe en bijvoorbeeld niet macrameeënd (toch ook
een interessante hobby: macramé) mijn dagen slijt, weet ik
niet. Hoef ik niet te weten. Hoeft u waarschijnlijk ook niet te weten. Laat ik dus maar beginnen. We doen het klassiek: we beginnen met de geboorte.

Ik werd geboren op 10 april 1977. Op Pasen dus. Mijn ouders waren er bijna te laat bij geweest, wegens een chronisch gebrek aan dokters. Die waren namelijk allemaal uitbundig de verrijzenis aan het vieren. In Waregem. Waregem ligt lekker strategisch aan de E17 en de Leie. Naast een ruimtelijk geordend stadscentrum en een CVP-burgemeester heeft Waregem ook een florerende middenstand. Wij zijn dus gelukkig. En mocht er al een schrijnend gebrek aan cultuur zijn, dan wordt dat toch mooi gecamoufleerd door een duur cultuurcentrum met zachte stoeltjes en genoeg beenruimte voor iedereen. Waregem leeft. En heeft geleefd.
In 1957 is het wereldkampioenschap wielrennen hier nog georganiseerd. Van Steenbergen klopte er Van Looy. Maar dat weet de jeugd natuurlijk niet meer. Ik ga nu zwijgen over ons verleden, want wij, Waregemnaars, hebben ook een toekomstvisie: hier wordt nog massaal aan de minderbedeelde medemens gedacht. Ieder jaar is er een missieverkoop in de parochiezaal, alwaar men fondsen werft voor de nonnetjes die blijkbaar nog steeds Moeder Theresa-gewijs in de brousse bij de zwartjes vastzitten. De truc met de zilverpapiertjes heeft de autochtone bevolking helaas al jaren dóór.

Maar soit. Ik was dus geboren en dus moest het vooruitgaan. Ik kreeg een naam: Dominique, op zijn Frans dan nog, met een letter die me in het eerste leerjaar nog heel wat problemen zal geven: de 'q'. Een naam die trouwens op twee manieren te
misbruiken valt - als meisjesnaam en als het geïmiteerde gekweel van een zingende non. Dominique, -nique, -nique,... Een non-talent dus. De rijmmogelijkheden met mijn naam zijn echter beperkt en dat kan alleen maar positief zijn (de dichterlijke vrijheden laat ik hier even buiten beschouwing).

Mijn eerste levensjaren, toen de vakanties en de Cha Cha's langer leken te duren, lijken zich te verbergen in de nevel van het kijken zonder zien, het waarnemen zonder indrukken. Misschien dat hypnose de mist aan flarden rijten zou en dan wel wat jeugdtraumaatjes en -complexjes zou blootleggen,... Nee, dank u. Ik geloof nu eenmaal graag in de onschuld van de eerste jaren, in het grote mysterie van het opgroeien. Hoeveel AK-47's met bijhorende kindertjes ze ook laten zien op TV. Stel je voor: de eerste oorlog met kinderoppas komt eraan.
Toch zijn er nog wel wat impressies die de grote amnesie hebben overleefd, niet omwille van hun historische relevantie of dramatische kracht, maar gewoon omdat een geheugen nu eenmaal een geheugen en dus ondoorgrondelijk is. Ik zou dingen kunnen vertellen... Maar ik doe het niet: de neoromantiek heeft zijn beste dagen gehad, ik leg me erbij neer. Tijd voor wat actie, ongecensureerd geweld, kettingzagen en van die dingen.
Kortom: de kleuterklas.

Aangezien zelfs het schrijverschap geen voldoende excuus biedt om iemand aan dit instituut te laten ontsnappen, werd ook ondergetekende op een goeie dag aan de groene poort van de Mariaschool gedeponeerd, om aldaar 3 jaar ons vaderlands kleuteronderwijs aan den lijve te ondervinden. Dit feit ging gepaard met een pathetische huilbui, die even heroïsch als nutteloos was. Hup, die school binnen. Sindsdien heb ik me bij mijn weten nooit meer overgegeven aan mijn lagere huilinstincten, want ik wist het nu wel zeker: de wereld was
én hard én slecht.

De Mariaschool , nu, was een school die gerund werd door een team nonnetjes(door God dus eigenlijk), die zich, verschanst in hun klooster, de laatste kwarteeuw onopgemerkt hadden laten voorbijgaan. Deze dames waren niet getrouwd want dat mocht niet van Jezus. Ze hadden wel een tuin, met enkele dieren en een zandbak: dat mocht wel en dit maakte waarschijnlijk ook veel goed. Nonnen horen dus thuis in een klooster. Alles heeft mooi zijn plaats in deze wereld. Jassen horen thuis aan het haakje, de blokjes in de doos, de vingertjes niet in de neus.
Ik moet wel zeggen dat ik pas laat vroegrijp was. Er zijn veel dingen die ik vroeger niet begreep die ik nu wél begrijp. Volwassen zijn, heet dat. Never such innocence again. Terwijl mijn klasgenootjes duchtig hun eerste oedipuscomplexjes en penisnijdjes (we zaten gemengd) aan het beleven waren, was ik er gewoon. Ik moet vaak dom geleken hebben. Dit wordt een motief, vrees ik.
De eerste kleuterklas dus. De naam van de juf ben ik vergeten. Ik weet alleen nog dat ze mollig was en haar tanden nog had. Niet echt een type om de rest van mijn leven onbewust naar op zoek te gaan. Op onze lessenaartjes stonden er gele potjes met een etnisch motiefje op. Daarin zaten er ronde schijfjes met gleufjes in, die je in elkaar kon schuiven. Je kon er allerlei dingen mee bouwen die nooit bleven rechtstaan, want de schijfjes waren, zoals gezegd, rond. Het zal wel pedagogisch geweest zijn.
Schijfjes zijn trouwens altijd rond.

De rest van dat schooljaar is onopgemerkt aan me voorbij gegaan. Alleen de laatste dag herinner ik me nog: ieder kind (dat waren wij) kreeg toen een cadeau. Een plastic poedel op wieltjes of een trendy muzikale telefoon die het Wilhelmus kon meerinkelen. Ik wou een telefoon, ik kreeg zo'n stomme, in-geteelde poedel, want ik stond achteraan. Het concept 'frustratie' werd me duidelijk: je moet vóóraan staan, jongen, dan pas krijg je die telefoon. Poedels hebben geen wieltjes, ook al zijn ze wit en stom en zijn ze 'made in Taiwan'. Nu nog kom ik de mensen tegen, op straat of in de supermarkt, die me die poedel hebben opgedrongen. Ze denken dat ik het al vergeten ben.

Na het eerste kleuterklasje was het weer vakantie en ik dacht dat het op de één of andere manier bij dat ene schooljaar zou blijven. Dat hier sprake was geweest van een administratief foutje. Mooi niet. Ik kwam terecht bij juffrouw M. met een post-Treblinka permenant en een gezicht dat steeds op onweer stond. We werden geen vrienden. Ik deed het nog liever in mijn broek dan haar een sanitaire pauze te vragen. Wat ik dan ook eens effectief deed. Dit leverde me een standje op (gelukkig niet in díe betekenis) en een lekker warm gevoel.

Mijn blijven was niet lang. Nog voor de paasvakantie werd ik naar derde klas gepromoveerd. Dit klasje werd geleid door zuster Berlindis, een hard-core-non. Haar kruisje op de borst gespeld, een androgyne verzameling botten en pezen met een zware premier Martens-bril. Buiten dit en het feit dat haar lievelingswoorden 'curieuzeneus' en 'vraagstaart' waren (kun je nagaan), viel ze best wel goed mee. Mijn vader had ook nog in haar klasje gezeten - dit verklaarde misschien de argwanende blik de ze me soms toewierp.

Het grootste deel van hun tijd brachten de kindertjes op school door met tekeningen maken. Als we volwassen waren geweest, was het kunst geweest - COBRA meerbepaald. Het plastisch realisme kwam pas later. Mensen waren oranje, net als de zon (die echter, in tegenstelling tot mensen, ook geel kon zijn). Eenmaal af, werd de tekening op een spijkertje gehangen, bij zijn voorgangers. Eens per maand werden deze met een strik gebundeld (deze bundeltjes hadden meestal een Thema: lente, vakantie, vader- en moederdag, kerstdag en dies meer) en kregen we het hele zootje mee naar huis, waarmee we verondersteld werden onze ouders een groot plezier te doen. Dit waren, wat je noemt, speciale dagen.

Het klasje was pijnlijk professioneel ingericht. Kijkt u even mee. Bij het binnenkomen kan u de kapstokjes waarnemen. Hieraan hangen, naargelang het seizoen, respectievelijk wantjes, snotdoeken, sjaals en ontdooiende jasjes; respectievelijk weinig. Ieder kind heeft zijn eigen symbooltje, zo leert het omgaan met abstracte begrippen. Mijn kentekentje was de druiventros - het zal wel een betekenis hebben gehad. Links ziet u het winkeltje, waar vooral plastic fruit te koop ligt. Wees gul, dames en heren, vergeet even de crisis. Let ook op de reuzedobbelsteen, waar je heel wat kan insteken om het er dan weer uit te halen.

Wij laten de lessenaartjes met bijhorende peuters (zie eens hoe lief ze elkaar uitroeien!!) rechts liggen en begeven ons richting poppenhoek. Dat dit exclusief vrouwelijk terrein is, hoeven we u niet te vertellen. Omdat de meisjes dus nogal intensief aan territoriumafbakening doen, zijn de jongens op de typisch mannelijke activiteiten aangewezen, d.w.z. puzzelen, met de blokken spelen, neuspeuteren en vechten. We gaan nu door naar de praathoek, waar er, inderdaad, gepraat wordt (hahaha, één van mijn favoriete mopjes). Dit hoekje wordt mooi afgegrensd door een muurtje van decoratieve kartonnen dozen, wat bijdraagt tot de wat intimistische sfeer die de gemiddelde peuter dan ook verleidt tot het doen van enkele openhartige ontboezemingen, waar hij een paar decennia later nog enorme spijt zal van krijgen. In die contreien bevindt zich ook de achterdeur. Deze geeft uit op de zandbak en andere vast wel opwindende dingen die diezelfde gemiddelde peuter helaas nooit te zien krijgt.

Hier hebt u natuurlijk nog de Kast. Hier kunt u zich gerust een wijle overleveren aan diepe overpeinzingen over de vele generaties kleuters wiens geestjes hier vast nog ronddwalen,
over de vergankelijkheid van Alles (kortom: over de Zin). De Kast, waar alle fascinerende schatten die een kinderleven vullen, uit te voorschijn kwamen en er, na de dagtaak, opnieuw in verdwenen. Om er de volgende dag weer, onverwachts, te worden herontdekt. De snoeptrommel met boetseerklei, de krijtjes, de touwtjes die in zuster Berlindis' handen omgetoverd werden tot magische dingen 'verzamelingen' genaamd, onze eerste schriftjes. Het ultieme Nirvana voor de kleuter-intellectueel.

En dan waren er ook nog de SA's: de Speciale Activiteiten. Fruitsla maken (en er zout in plaats van suiker bij kappen), een carnavalsdansje instuderen (iets neo-realistisch, vrees ik) en nog meer van die dingen die een gelukkig leven garanderen. En de hoogdagen van de katholieke kerk waren ook ónze feestdagen. Gedurende de godganse Mariamaand zongen de meisjes van het zesde allerlei devote liedjes, terwijl de hummeltjes van de lagere klassen Auschwitzgewijs rond het Mariabeeld op de speelplaats waren opgesteld. Te Lourdes op de berge. Wie loerde er nu eigenlijk op die berg? Een nieuw woord: oordopjes.

Een ander mirakel: dia's. De ene keer werd dit didactisch instrument ingezet om het sprookje van de hebzuchtige visser (die, zoals iedere professionele kleuter weet, onder een gebarsten kruik leefde) uit de doeken te doen; een andere keer om een horrorfilm te vertonen met als hoofdpersonage een zeker louche sujet dat naar de naam Kareltje Cariës luisterde en het op ons tandglazuur gemunt had. Gelukkig was er nog de wulpse tandjesfee. Er zat ook een moraal aan vast: kindjes, tandjes poetsen!!!

En toen kwam de zomer eraan. Zandbakkenseizoen. In een plotse aanval van enthousiasme had de juf een go-cart-race georganiseerd. Ik kreeg de belachelijke schildpad die je
met je voeten moest voortduwen. Enig cynisme is de modale speelgoedbouwer ook niet vreemd. Bezield als ik was, leunde ik echter iets te veel naar voren. Gevolg: een bloedneus en een ietwat gehavend reptiel. In echte Rescue 911-stijl werd ik toen door de directeur naar huis gebracht. Een hoopje bleke ellende met bloed op zijn mouw. Wat denkt een moeder als ze één van haar bloedjes (what's in a name...) zo teruggeleverd krijgt? Ik weet het niet. Misschien net hetzelfde als wanneer ze haar zoon terugkrijgt van Poitiers, de Somme, El Alamein, de Heizel of de examens.

Het einde van de kleuterklas kwam in zicht. Daar wees het bezoek aan de grote school op. We kregen er elk een ballon, een zwaar gesponsord latje en cake. Veel cake. Dat beloofde. De ballon was met helium gevuld - hij ging nogal makkelijk de lucht in. Hoe langer het touwtje, hoe hoger hij ging. Een bericht aan God (ook gesponsord, door een bank dan nog wel). En toen kwam mijn zus met die schaar. Het concept 'verdriet'. Hopelijk kwam mijn ballon aan, want het deed pijn. Hij was paars, mocht u hem ooit...

En toen kwam die laatste dag er natuurlijk. Eindelijk gelijkheid: iederéén kreeg nu diezelfde debiele voetbal.
En... Stop, nog eens: stop. STOP.

Een probleem: hoe verder ik raak, hoe meer er te herinneren valt. Ongelooflijk wat voor rommel een mens bijhoudt. Weet u, ik ben hieraan begonnen in de hoop ergens een rode draad te vinden, een thema. Dat hebben alle verhalen toch? Maar hier... Noppes. Geen evoluties, gooi alles maar naast elkaar. Behalve ouder worden is er niets. Als een paard in het moeras, spartel jezelf maar dood. Gelukkig: Veengrond bewaart goed. Seamus Heaney heeft daar een gedicht over geschreven, schijnt het. Een detail uit een vorige eeuw, zomaar in de grond.

Het museum dat mijn leven is. Ooit eens in het natuur-historisch museum in Brussel geweest. Imitatie- reuzeninsekten (met tussen-n of niet, versteende uitdrukking, dus zonder) gaan kijken. Ze bewogen als mime-spelers in een... Nee, als turners. Russische turners, die heb ik ook al gezien. Ondanks de wetenschappelijk verantwoorde modellering, karikaturen van zichzelf. Trieste giganten, net als de dinosauriërs. Voor ze hip werden. In Bernissart hebben ze er een hele hoop gevonden, ze hebben zelf de cover van Zonneland gehaald. Katholiek verantwoord tijdschrift ter stichting van Onze Jeugd. Wat ooit eens groots moet zijn geweest. De botten zonder leven - net als de herinneringen. Het wensbeentje in de kip, ik had altijd het kleinste stuk. Zo verdwijnt bijgeloof. Hoewel, ik heb nog lang treden, tegeltjes,... lopen tellen. Een even aantal betekende 'geslaagd', oneven was... Niet uitspreken. Praten over ongeluk brengt ongeluk.
Daar heb je het al: het ongeluk. De lagere school.