Kortverhalen
Ik hou van korte, snedige verhalen. Tranches de vie met een pointe... U kan kiezen uit het volgende moois...
| THRILLERS | VERRASSEND | TRAGISCH | HUMOR |
|
Marcel heeft een vreemde hobby: hij achtervolgt vrouwen. |
Mediamagnaat Isaac Meijer heeft een droom: de problemen in zijn land oplossen met een tv-programma. Expeditie Robinson met twee toch wel heel aparte teams. |
Elfen bestaan niet, maar soms zouden ze moeten bestaan... |
James Bond krijgt een nieuwe baas.... |
Russisch voor beginners (nieuwe versie) Een thriller: taal als moordwapen... het kan. |
Vergeet die mp3-speler of die i-Pod. Dit is pas echt revolutionair. Replicator: waar verleden en toekomst elkaar ontmoeten! |
Een verhaal in een verhaal in een verhaal. Of zoiets... |
Een modern kerstverhaal. Met dank aan de inwoners van de Diestsesteenweg voor de inspiratie ;-) |
|
Blaffende honden bijten niet - ook niet in Buenos Aires. Het verhaal over een dief met een probleem... |
Een schrijver verdedigt zijn geesteskind tegenover enkele sceptische uitgevers. Een verhaal met een venijnig einde... |
Meneer en mevrouw Claessens leven al tientallen jaren met een stil verdriet... |
Een snelcursus moderne montagetechnieken. |
|
Valentijn komt met rasse schreden dichterbij. Romantische etentjes, smeuige schlagers en intieme ballonvaarten maken elke vorm van leven quasi onmogelijk. Gelukkig is er nog dit verhaal... |
Voor de mensen die het vorige verhaal te cynisch vonden, laat de Troubadour - exclusief en in wereldpremière - zijn Gevoelige Kant zien... |
Wie droomt er niet van een muzikale carrière? Been there, done that. |
|
|
Vrouwen kunnen wreed zijn voor elkaar... En dat levert voldoende stof op voor een nieuw drama in (godzijdank) één bedrijf. |
Assepoester maar dan anders... |
De Vlaamse commerciële omroep heeft onlangs de zogenaamde 4040-lijn gelanceerd waar kijkers zelf nieuws kunnen aanleveren... |
|
|
In cauda venenum... |
De kotplasser: Een anekdote uit mijn studententijd |
||
|
Met soldaatjes spelen is geen kinderspel! |
|||
|
Een oude wetenschapper vraagt een schrijver om zijn biografie neer te pennen. Als dat maar goed afloopt... |
|||
|
Over Lot en Liefde. |
Hoe ze nooit
goed genoeg was. Niet mooi genoeg. Niet slim genoeg. Misschien
hadden ze gelijk. Ja, ze was lui. En ja, ze was dom. En slecht.
Vooral dat laatste.
Ze schoof de
emmer voor zich uit. Er klotste water op de vloer. Het was zwart
en vies.
Ze bekeek haar besproete armen en voelde de
vertrouwde walging. Ze was oud geworden. Haar bleke tienerlijf
was onmerkbaar veranderd in het getaande exoskelet van een oude
vrijster, zonder ooit tot volle rijpheid te zijn gekomen.
Misschien had het geholpen als ze kinderen had
gehad. Dat ze dan misschien, door liefde te geven, ook van
zichzelf had leren houden. Dat ze dan tenminste iemand zou
gehad hebben. Dat ze... Ze had ooit een kindje gehad,
herinnerde ze zich met een schok. Ze zag een jongetje voor zich,
vaag als op een oude foto. Met rode krullen en een half
afgekauwde lolly in zijn knuistjes geklemd. Meer wist ze zich niet
te herinneren. 'Die vervloekte medicatie,' dacht ze nog even.
Toen golfde de chemische verdwazing alle gedachten weg. Die
vervloekte medicatie.
Ze dacht aan
het reclamespotje, gisteren op tv. Het was voor een
levensverzekering geweest. Een oude vrouw en haar dochter,
glimlachend naar en naast elkaar, in een landschap van
herfsttinten en schapenwolkjes. De moeder wou haar dochter niet
tot last zijn. Vandaar de levensverzekering.
- Astrid!
De schelle stem van haar moeder. Stiefmoeder,
verbeterde ze zichzelf. Astrid liet de st tegen haar
gehemelte knallen en schrobde verbeten verder.
- Ben je nog
niet klaar?
Haar
stiefmoeder stond vlak voor haar. Haar volle lippen hadden zich
rond een sigaret gesloten, als een roos met giftige stamper.
- Kijk me aan!
Astrid keek weg. Haar moeder ademde rook. Een
draak.
'Je kon wel wat dankbaarder zijn. Na alles wat we
voor je hebben gedaan.'
Wat dat alles
was had ze Astrid nooit verteld.
Ze wou dat
Astrid haar bij haar voornaam noemde. Alsof dat haar jonger zou
maken. Alsof ze dan vriendinnen zouden worden.
- Anna
en Ella kunnen er elk moment zijn, brieste ze. Straks
komen ze nog te laat. Door jouw schuld.
Zijn auto zou parelwit zijn. Net als de
glimlach die hij kwistig zou rondstrooien. Hij zou haar optillen,
als een veertje, en haar dan zachtjes, als was ze een porseleinen
herderinnetje, op de passagierszetel van zijn witte bolide doen
plaatsnemen. En zij, zij zou zich beperken tot een koket knikje.
En zwaaien, zoals lady Di.
Het was de eerste zaterdag van de maand en dan
moest er samen gewinkeld worden. Anna en Ella stapten met
synchrone passen over de bijna lege parking die het plaatselijke
shopping center als een asgrijze poel omringde. Nu en dan deelden
de zussen een roddel of een kwetsende opmerking. Astrid liep
enkele meters voor hen uit. Alsof ze een gevaarlijk dier was,
iets dat constant in de gaten moest worden gehouden.
Een vrouw met een peuter op de arm liep hen
voorbij. Astrid zwaaide, maar het kind leek haar niet op te
merken.
"Laat de mensen met rust!" siste Anna.
"De mensen" zei ze, alsof Astrid iets anders zou zijn,
iets om je voor te schamen. Astrid verborg haar hoofd tussen haar
te vlezige schouders en wandelde verder. Hier was ze al eens
eerder geweest, op een gelijksoortige winterdag. Toen had ze nog
tussen haar beide zussen in gewandeld. Ze had hen ook toen al
onuitstaanbaar gevonden.
Bij een schoenwinkel die er niet te duur uitzag,
gingen ze naar binnen.
U heeft een mooie, hoge wreef, zou de
verkoper zeggen. "Dat hebben er niet veel." Er zou
bewondering in zijn stem klinken, een gevoel dat Astrid bij
bijzonder weinig mensen opriep. Ze zou de afgunst van haar zussen
als een kille bries over haar wangen voelen strijken.
Voor een keer zou zij de uitverkorene zijn. Ze zou genieten.
"Ze passen u perfect." In haar
fantasie kocht ze altijd zilverkleurige muiltjes. Anna en Ella
hadden ze even daarvoor geprobeerd - zonder succes. Totaal
onpraktisch, maar mooi - zo kocht ze er normaal nooit.
De verkoper gaf haar een rare blik, vond ze. Alsof
hij dezelfde scene in zijn fantasie had nagespeeld en haar nu
herkende. Hij was niet zo knap als ze zich herinnerde. Ook een
stuk jonger. Met de laatste resten van een door acné verpeste
puberteit over zijn gelaat verspreid.
"Heeft u ook zilverkleurige muiltjes?"
vroeg Astrid. Haar stem klonk iel.
Opnieuw die vreemde blik. Half herkenning, half
verbijstering. Astrid hoefde zich niet om te draaien om zich een
levendig beeld te vormen van de ontsteltenis op het gezicht van
haar zussen. Later zou ze de herinnering aan dit moment
koesteren, wist ze.
"Ik zal eens kijken wat we hebben." De
verkoper verdween door een deur achter de toonbank.
Astrid had zich nog nooit zo zeker gevoeld. De
schoenen zouden pas het begin zijn. Daarna zou ze nieuwe kleren
kopen. Een nieuw kapsel. Een fitnessabonnement. Enkele bezoekjes
aan de zonnebank. En dan een man. En dan een kind...
Het was Anna die haar uit haar dagdroom deed
ontwaken. Natuurlijk. Ze gunde haar nooit iets.
"Astrid!" siste ze. Ze had haar bij de
elleboog genomen en trok die zachtjes naar zich toe.
"Meekomen!" zei ze, iets zachter nu.
"Maar mijn schoenen... protesteerde
Astrid zwakjes.
Mijn schoenen. Het klonk als een
gebed.
Asjeblief. Astrid. Ook Ella
mengde zich in de conversatie. Haar stem bevatte een nieuwe,
onverwachte emotie: angst. Haar zussen waren bang. Het besef
maakte Astrid euforisch. Wat slecht was voor hen was per
definitie goed voor haar.
Ik blijf, zei ze strijdvaardig.
Haar zussen begonnen zichtbaar te panikeren.
Kom mee, Astrid. Doe niet zo stom!
Ze bleef vastberaden.
Ik blijf.
Niet veel later was de politie er. Twee piepjonge
agenten met kogelvrije vesten die met overbodig machtsvertoon de
winkel binnenstormden. De verkoper toonde hen gretig de weg. Hij
wees naar Astrid. Dat is ze, zei hij. De
kinderlokster.
Of ze even haar mond wou opendoen? Het zou zo
gefikst zijn! Zo gefikst, de uitdrukking deed haar
glimlachen. Hij haalde een wattenstaafje boven en stak het in
haar mond. Het kietelde.We moeten wat epitheelcellen
hebben.
We.
Ze had geen idee over wie hij het had. Of wat epitheelcellen
waren.
Ze hadden haar een foto getoond van een jongetje.
Hij leek op de peuter uit de plotse herinnering van die ochtend
maar dan zonder lolly. Die lolly had ze hem zelf gegeven, nadat
ze er even had aan gelikt om te tonen dat alles veilig was. Daar
hadden ze haar DNA vandaan. Zo hadden de rechercheurs het haar
verteld.
De tests waren positief. Het was wel degelijk Astrid
geweest die een 3-jarige kleuter uit een schoenwinkel had
meegelokt om hem pas enkele uren later huilend aan de rand van de
snelweg achter te laten. Met een lolly. Kinderen hielden van
snoep. Het was een van de weinige zekerheden in Astrids leven.
"Wat precies heb je met hem gedaan?" De
rechercheur keek haar strak aan. Hij was het type dat lange
stiltes kon verdragen. Beter dan Astrid dat ooit had gekund. Zou
kunnen. Het onvermijdelijke bekertje koffie had hij met een smak
op tafel gezet. Astrid kromp ineen. Ze hield niet van
onvriendelijke mensen.
'Ik weet het niet.' Ze herinnerde zich vaag een
bezoekje aan een fastfoodketen en een rondje op de paardenmolen.
Dingen die moeders met hun kinderen deden. Meer niet. De
medicatie had haar geheugen aangetast. Volgens haar zussen was
dat ook de bedoeling geweest. Om je te beschermen tegen
jezelf. Dat stak nog het meest.
Ze brachten haar naar een gespecialiseerde
instelling. Daar zou ze blijven tot ze weer beter was. Beter.
Astrid kon zich daar weinig bij voorstellen.
De auto die haar stond op te wachten was wit. De
agent zette haar behoedzaam op de passagierszetel. En zij
zwaaide, bleef zwaaien - als lady Di -, tot ze al lang de straat
uit waren.
Ik weet niet of het aan mij ligt, maar tijdens mijn vijf jaar in Leuven, slaagde ik er altijd in om op de verschrikkelijkste koten terecht te komen. De ene keer trof ik een douche waar je munten in een sleufje moest gooien voor het ding een minimalistisch stroompje lauw water produceerde, de andere keer bleken er Poolse illegalen op zolder te logeren of kon ik ongewild de amoureuze acrobatieën van mijn buurman volgen en dat door de flinterdunne muur heen. Het ergste was dat mijn kotintuïtie er met de jaren alleen maar slechter op werd, zodat ik in mijn laatste jaar als student op een piepklein kamertje terechtkwam met alleen koud water en een kantelraam dat uitgaf op wat wel het grauwste deel van Leuven moet zijn geweest. Om dan nog maar over de kotbaas te zwijgen, een kwieke zeventiger die er een gewoonte van maakte om in zijn marcelleke op het dak te klimmen en daar in de prille ochtenduren allerlei luidruchtige werkzaamheden uit te voeren. Dit kot was de setting van de volgende anekdote.
We zaten in de ergste periode van het jaar: die paar weken voor de examens waarin iedereen zich schuldig begint te voelen voor een jaar lang niksen en spijbelen en zich met een energie, die aan wanhoop grenst, op zijn blanco cursussen en fragmentarische notities stort. Zo ook ondergetekende, die er niets beters had op gevonden dan zich met zijn cursus Vredesonderzoek en Conflictbeheersing (of iets dergelijks) in bed te installeren. Het studeren vlotte niet echt, mijn buurman een eerstejaars had zijn vrienden uitgenodigd voor een allerlaatste, ongeremde drinkavond; voor de examens een einde zouden maken aan een jaar vol slaapgebrek en drankmisbruik.
Normaal deed ik s avonds de deur van mijn kamer op slot. Vier jaar ervaring als student had me geleerd dat dit geen overbodige maatregel was, al was het maar omdat de meeste studenten van practical jokes houden. Dit keer had de combinatie saaie cursus + zacht bed me echter genekt: ik was midden in een ongetwijfeld zeer interessant hoofdstuk in slaap gesukkeld en dat met open deur.
Na enkele uren slaap, werden mijn dromen plots verstoord door een vreemd geluid: het geklater van een klein beekje, leek het wel. Enigszins verdwaasd deed ik mijn ogen open en zag een halfnaakte, mij onbekende, jongeman aan mijn wastafel staan, met zijn rug naar me toe gekeerd. Ik had enkele weken daarvoor The Sixth Sense gezien, een film die begint met een bloedstollende scène in een badkamer en dacht dus dat ik met één of andere gestoorde gek te maken had. Ik kroop uit bed en sloop voorzichtig naar de kerel en zag dat hij in mijn lavabo aan het wateren was. Nu, lavaboplassers zijn niet zo vreemd in studentenmiddens (als je toilet twee verdiepingen lager is en moeder natuur roept, dan zit er vaak niets anders op dan je lavabo oneigenlijk te gebruiken); maar dit druiste in tegen de eerste en bij mijn weten enige regel van lavaboplassers: nooit ofte nimmer in andermans lavabo.
Mijn verbazing veranderde in ergernis en ik zei (mijn cursus Vredesonderzoek ten spijt) iets in de strekking van Hela manneke, das wel mijne lavabo! Waarop de vreemde indringer me verstoord aankeek en repliceerde: Mmmmmemreaammjajajaja. De jongeman was een stuk groter en struiser dan ikzelf, dus zat er niets anders op dan te wachten tot hij had gedaan waarvoor hij gekomen was. Daarna duwde ik hem met zachte, doch kordate, hand naar buiten. Om daarna onmiddellijk mijn deur op slot te doen.
De volgende ochtend kreeg ik een verklaring voor het vreemde voorval: één van de gasten van mijn buurman, die te dronken was om naar huis te gaan, was op zijn kamer blijven slapen. Midden in de nacht was hij wakker geworden met een vol gevoel in de onderbuik en was hij op zoek naar een toilet de gang opgestommeld. Toen hij mijn open deur zag, was hij naar binnen gegaan en had hij (ongetwijfeld gehoor gevend aan een oeroud instinct) zijn plasje in mijn lavabo geparkeerd. Achteraf kon ik er wel mee lachen, maar niet voordat mijn buurman de getroffen plek grondig had ontsmet!
Marcel maakte
zich geen illusies. Hij had altijd al geweten dat hij anders was.
Al sinds zijn veertiende, toen zijn klasgenootjes zich collectief
hadden verdiept in literatuur met schaars geklede vrouwen op de
cover en - zo mogelijk nog spaarzamer gekledere dames
binnenin, had Marcel heel andere interesses gehad. Vanaf zijn
zestien kon je hem dagelijks in de plaatselijke bioscoop
terugvinden. Daar vulde hij, in een decor van rode pluche en
gedimde lichten, zijn jonge geest met de gestileerde gruwel van
Hitchcock en Buñuel. Hij was vooral een fan van de scènes
waarin hulpeloze, hysterische vrouwen schreeuwend het leven
lieten. Daar werd hij opgewonden van.
Marcel was
opgegroeid in een sfeer van Hier vloekt men niet, God ziet
u!. Elk bioscoopbezoek ging dan ook gepaard met een
knagend, katholiek schuldgevoel. Pas vele jaren later had Marcel
het aangedurfd om zijn fantasieën in de praktijk om te zetten.
Zoals vanavond.
***
De laatste
avondtrein uit Brussel had net zijn lading forenzen op het perron
uitgespuwd. Marcel wachtte, veilig in de schaduw van een
warmlopend treinstel. Hij droeg een lange, zwarte regenjas, een
paar kalfsleren handschoenen en een deukhoed. Ergens had deze
outfit hem gepast geleken. Dik ingeduffelde pendelaars wandelden
hem voorbij, zonder hem ook maar één blik waardig te gunnen.
Uit hun gehaaste monden ontsnapten kleine wolkjes condens.
Ze was als
laatste uitgestapt. Ze kon nog geen twintig zijn, maar had haar
best gedaan om dat niet te laten merken. Ze had haar gitzwarte,
stugge haren in een zakelijk knotje gebonden en droeg een zo
mogelijk nog zakelijker broekpak. De enige frivoliteit die ze
zichzelf had toegestaan, was een stel naaldhakken, die hun
ritmische sirenenzang op het asfalt tikten. Een secretaresse of
een advocate. Beide beroepen waren sexy, besloot Marcel. Hij gaf
haar een voorsprong van dertig meter.
Wat ze droeg,
had trouwens geen belang. Fantasie was een krachtige manipulator,
dat had Marcel door de jaren heen geleerd. Het zou hooguit enkele
dagen duren vooraleer zijn verbeelding haar zakelijke broekpak in
een nauwsluitende jumpsuit had veranderd, zo één die Emma Peel
in The Avengers had gedragen. Of haar rolkraagpull had
vervangen door een frivool bloesje met duizelingwekkende
decolleté.
De vrouw was
gestopt. Het getik van haar hakken pauzeerde samen met haar. Ze
leek wat te zoeken. Een sigaret werd vakkundig aangestoken. Een
rookster. Marcel knikte goedkeurend. Sigaretten en onkuisheid, de
combinatie leek op zijn netvlies gebrand. Hoe Rita Hayworth de
hare uit een sarcastische mondhoek liet bengelen. Of hoe Marlène
Dietrich de hare met volle lippen omvatte, als een bloedrode tulp
met een giftige stamper.
Marcel tastte
in zijn jaszak. Alles zat klaar. De vrouw wandelde terug verder.
Marcel was haar op twintig passen genaderd. Hij rook haar parfum.
Nuits Fauves. Dat beloofde.
Elke stap
verwijderde hem verder van zijn katholieke, kleinburgerlijke
opvoeding. Iets ouder en angstaanjagender kwam ervoor in de
plaats. Zo was het altijd al geweest.
Nogmaals
bracht Marcel zijn hand naar zijn vestzak. Er weerklonk een droge
klik. Marcel glimlachte. Je kon nooit zeker genoeg zijn.
De vrouw had
intussen haar stap versneld. Ze naderden de stationsparking. Die
lag er verlaten en slechtverlicht bij, merkte Marcel tevreden op.
Ook de vrouw had dit gezien. Ze keek schichtig om zich heen. Ze
maakte zichzelf waarschijnlijk wijs dat er niets aan de hand was.
Dat Marcel een toevallige voorbijganger was. Dat ze over een
minuutje of tien terug zou zijn bij haar echtgenoot, kinderen of
wie er ook op haar zat te wachten.
Marcel was
haar tot op drie meter genaderd. De vrouw deed geen moeite meer
om haar paniek te verbergen. Ze zette het op een lopen. Het
gewieg van haar heupen maakte haar nog aantrekkelijker. Marcel
had haar snel ingehaald. Hij drukte haar tegen de stalen poort
van een garagebox.
Haar gezicht
was even mooi als Marcel het zich had voorgesteld. Haar ogen
puilden wel lichtjes uit, maar dat kwam waarschijnlijk door de
angst, vermoedde Marcel. Hij graaide onhandig in zijn vestzak en
haalde het zwartgeschilderde waterpistool boven. De vrouw gilde.
Lang en scherp.
Pas toen ze
het miezerige waterstraaltje voelde, stopte ze met schreeuwen.
Haar paniek had plaatsgemaakt voor oprechte verontwaardiging.
Wat
denkt u wel dat u doet! brieste ze. Ze had zich
bewonderenswaardig vlug van de schok hersteld. Marcel keek zo
verbouwereerd mogelijk. Daar was hij de voorbije jaren goed in
geworden.
Ik dacht
dat u iemand anders was, stamelde hij. Dat u ook
meedeed aan het moordspel van
van ons bedrijf.
Het scheelde
niet veel of de vrouw had een klacht ingediend, maar Marcel had
zo zielig gekeken dat ze uiteindelijk genoegen nam met diens
welgemeende excuses en een kleine vergoeding voor haar
verruïneerde kapsel.
***
Terug in zijn
auto haalde Marcel de dictafoon uit zijn jaszak en zette het op
het bestofte dashboard. Het was een ultralicht, modern ding dat
perfect in zijn zak paste. Hij spoelde de tape terug en luisterde
naar de langgerekte, haast dierlijke schreeuw van de vrouw op de
stationsparking.
Verdomme, ze
was echt goed. Bijna net zo goed als Janet Leigh in Psycho. En
alleszins veel beter Drew Barrymore in Scream.
Marcel liet de
vrouw wel tien keer schreeuwen. Toen kwam hij schokkend klaar in
een wereld die volledig van rode pluche leek gemaakt.
Misschien
komt het door uw
huwelijksproblemen.
De directrice
sprak het laatste woord uit alsof het om een uiterst
besmettelijke geslachtsziekte ging. Ze boog haar schrale
gierennek naar Joris Claessen, die instinctmatig ineenkromp.
Herinneringen. Niet dat de bebrilde directrice van het
Sint-Jozefsschooltje ook maar één gelijkenis vertoonde met de
rondbuikige, paapse schooldirecteurs die zijn eigen kindertijd
hadden bevolkt.
Mevrouw
Muylders was namelijk met haar tijd meegeëvolueerd. Getuige
daarvan haar smaakvolle broekpak, de bewust warrige coupe die ze
zich nog maar onlangs had laten aanmeten en de ingelijste
Kandinsky-repros die de muren van haar kabinet sierden.
Nu. Wat
stelt u voor?
Joris
Claessen was opnieuw twaalf. Zijn bleke tienerbenen bengelden als
twee slapgekookte asperges over de stoelrand, zonder enig contact
te maken met de grond. Hij had daarnet de treden geteld van
de brede, majestueuze trap die naar het kabinet van de prefect
leidde. Het waren er drieëndertig geweest. Een oneven getal.
Oneven getallen betekenden onveranderlijk slecht nieuws. En
inderdaad. Nauwelijks enkele minuten later had de prefect het
verteld. Een ongeval. Zijn moeder.
Joris rilde en
werd opnieuw een kwarteeuw ouder. Er werd een antwoord van hem
verwacht. Dat zag hij aan de opgetrokken wenkbrauwen van mevrouw
Muylders.
Nick is
een aparte jongen
probeerde hij. Dit was duidelijk
niet het juiste antwoord. De wenkbrauwen waren nog steeds
opgetrokken.
Ik
bedoel
hernam hij zich. Nick heeft een
probleem
Inderdaad.
Het gelaat van de directrice ontspande zich alsof de stiksels van
een voorbije facelift het plots hadden begeven. Ze behoorde tot
die generatie pedagogen die hadden geleerd dat de antwoorden van
de mensen zelf moesten komen.
Het is
niet normaal, vervolgde ze, dat een jongen van
dertien nog in zon onzin gelooft. Ze schoof zorgzaam
een dichtgevouwen blad cursuspapier over de tafel, als betrof het
hier het laatste, cruciale bewijsstuk in een moordzaak.
Kijkt u
even. Ze knikte hem bemoedigend toe. Joris was meteen op
zijn hoede.
Het was al bij
al niet onaardig getekend, stelde hij enigszins goedkeurend vast.
Dat tekentalent had Nick van Klara geërfd. Hijzelf kon nog geen
Mondriaan natekenen. De schets stelde een rij dansende figuren
voor. Het zouden mensjes geweest kunnen zijn, ware het niet dat
ze allemaal voorzien waren van ragfijne vleugeltjes, puntoren en
een lichtblauwe huidskleur.
Mijn
vrinden, de elfen, had iemand erbij geschreven. Joris
herkende het kinderlijke handschrift van de jaarlijkse
nieuwjaarsbrieven en de schoolagenda die hij elke week
plichtsgetrouw ondertekende. Het geschrift van zijn zoon.
Nick was in
alles zon exacte kopie van Klara datzelfde hoge
voorhoofd, die geprononceerde jukbeenderen en dat witblonde haar
- dat Joris (bezitter van een laag voorhoofd, nauwelijks
zichtbare jukbeenderen en inktzwart haar) zich soms vragen stelde
bij zijn biologische vaderschap. Tijdens één van hun talrijke
ruzies had Joris die vragen ook luidop herhaald. De volgende
ochtend was Klara vertrokken, hem achterlatend met een kind dat
hij niet echt als het zijne beschouwde
Een kwartier.
Meer tijd had de directrice niet nodig gehad om Joris te laten
inzien dat zijn zoon zwaar relatiegestoord was, zich daarom in
zijn eigen fantasiewereld had teruggetrokken en daarenboven nog
eens een lichte vorm van dyslexie had. Er moest dringend
worden ingegrepen, had ze meerdere malen herhaald. Joris
knikte. Tijdens het gesprek was er een grimmige trek rond zijn
mond verschenen. Die elfen moesten eraan.
***
Na het
achtuurjournaal Nick zat dan al twee uur op zijn kamer -
sloop Joris stilletjes naar boven. Aan de deur van Nicks kamer
aarzelde hij. Moest hij nu kloppen of niet? Uiteindelijk deed hij
de deur zachtjes open. Het was tenslotte zijn huis.
Nicks kamer
bevond zich vlak onder het dak. Vroeger was het Joris
werkkamer geweest, maar toen Nick geboren werd, had Joris zijn
hele boekhouding naar de woonkamer verhuisd. Het was één van de
vele offers geweest die hij op het altaar van het vaderschap had
gebracht, vond hij zelf. Nu hing er een uitgebreide collectie Lord
of the Rings-posters aan de muren en stond de volledige
MAMMUT-kinderkamer van IKEA er uitgestald. Nick zelf zat op bed,
zijn Fellowship of the Ring-deken om zijn knieën
geslagen. Hij droeg een babyblauwe pyjama met glimlachende
pandas en keek nauwelijks op toen zijn vader, met een
verontschuldigende glimlach, kwam binnengeslopen. Het dakraam
stond open.
Mag ik
gaan zitten? Joris voelde de vage onrust die hij altijd had
als hij zijn zoon onder vier ogen sprak.
Je doet
maar.
Het bed was zo
laag dat Joris zijn benen haast moest dubbelplooien.
Nick kwam
naast hem zitten. Niet te snel en niet te dicht. Zijn benen
hadden wel plaats genoeg.
Stilte.
Ze zijn
vandaag niet gekomen, fluisterde hij plots. Zo zacht dat
Joris even twijfelde of hij wel iets had gehoord. Ze.
Joris wist wie Nick bedoelde. Hij keek zijn zoon aan. En schrok.
Die veel te ernstige ogen diep in hun kassen, die hem afwachtend,
gretig, maar ook vol blind vertrouwen aankeken
Had Nick die
van hem?
Had hij ook zo
gekeken, op die dag in november, zon 25 jaar geleden?
Die witte
benen. Als asperges. Ook van hem?
Joris slikte.
Misschien
komen ze morgen, zei hij zacht, voor hij het licht
uitknipte. Er waren al ergere leugens verteld, hield hij zichzelf
voor. Hij ging terug naar beneden. Vierentwintig treden. Dat was
goed.
James Bond
tuurde naar zijn fanatiek opgeblonken schoenen. Hij had er toen
al een half uur wachten op zitten. Er was niet één oneffenheid
of vlek op het duimdikke vasttapijt die hij niet grondig had
bestudeerd.
James voelde
zich behoorlijk kattig. Zijn eerste ontmoeting met de nieuwe baas
en nu al had hij meer tijd in het bedompte wachtzaaltje
gespendeerd dan de voorbije twee decennia samen. De vorige
baas zou hem dit nooit hebben gelapt.
Zijn
collegas hadden hun research al gedaan. De oude rotten
hadden hun contacten in het wereldje aangesproken, de jonge
generatie had de naam van hun nieuwe baas alvast gegoogeld
of hoe ze dat werkwoord ook mochten schrijven.
Bond had zelfs
die moeite niet genomen. Zijn ogen en zijn oren. Meer had hij
niet nodig om iemands achtergrond en karakter te achterhalen. En
als dat niet hielp, dan had hij nog altijd zijn glimlach
die ondanks zijn middelbare leeftijd nog steeds als
jongensachtig kon worden omschreven.
Chris
Studebaker Rear Admiral. De vergulde plaque naast de
massieve deur uit Franse eik stak Bond de ogen uit. Toegegeven,
voor een groentje had de nieuwe een naam die klonk als een klok.
James lanceerde een denkbeeldige fluim op het vasttapijt. Hij
hield van zijn job. De snelle autos, de gewillige vrouwen
en de donkerblauwe, haute couture pakken. Allemaal
op kosten van de staat. De nieuwe baas kon daar allemaal een eind
aan maken, dat besefte Bond maar al te goed.
De deur
schuifelde zachtjes open. Goede, oude miss Moneypenny wenkte hem
dichterbij, alsof hij een onwillige kleuter was die van zijn
legoblokken moest gescheiden worden.
De baas
wacht, fluisterde ze. Ze glimlachte zoals alleen zij dat
kon: mysterieus en kwajongensachtig tegelijk.
Bond volgde
haar gewillig en ging het luxueus ingerichte kantoor binnen.
De nieuwe baas
was een vrouw. Zijn glimlach maakte even hoogstens een
milliseconde plaats voor een uitdrukking die twijfelde
tussen verrassing en paniek. De enige plaats waar Bond een vrouw
boven zich duldde was in bed. En dan nog alleen maar als hijzelf
te moe was.
Ga
zitten.
Bond had de
unieke gave om in elke vrouw wel iets sexy te ontwaren. Russische
spionnes met meer baardhaar dan de volledige bezetting van ZZ
Top, Oost-Duitse atletes met meer mannelijke hormonen dan
hijzelf, Franse douarières met een hemeltergend accent ...
Ze hadden allemaal een zekere vrouwelijkheid gehad, die vreemd
genoeg pas tot rijping kwam als hij met hen naar bed was geweest.
Miss
Studebaker was echter een brug te ver. De vrouw achter het bureau
deed hem nog het meest aan zijn tante Trudy denken. Miss
Studebaker zag er zo gerimpeld uit alsof ze zich elke ochtend van
zalfje vergiste en pure isobetadine op haar gelaat smeerde. Ze
was bovendien zo bleek, dat het leek alsof ze wekelijks een
vampier op bezoek kreeg die dan de laatste druppel bloed uit haar
gestel zoog. Bond kon zich trouwens niet voorstellen dat een
levend wezen zoveel honger kon hebben dat hij zijn tanden in miss
Studbakers schriele nek wou planten.
Ik heb
al uw films gezien, zei miss Studebaker.
Bond
glimlachte. Een fan. Dat ging makkelijk worden.
Ze zijn
schromelijk overdreven, zei hij. Hij loog.
Ik vind
ze hopeloos ouderwets.
Ach
zo. Bond had, als hij er goed over nadacht, zijn tante
Trudy altijd gehaat.
De
tijden veranderen.
Ik ben
uw beste agent.
Miss
Studebaker nam zelfs niet de moeite om te antwoorden. Ze drukte
op één of ander verborgen knopje en sprak gedecideerd:
Moneypenny. De dossiers.
Geen vraag of
verzoek. Een bevel. Bond moest het haar nageven. Deze dame had
lef. Moneypenny had scherpe nagels en aarzelde niet om die te
gebruiken.
Monneypenny
duwde een trolley voor zich uit, van bodem tot rand gevuld met
kartonnen mappen, het soort waarin Bond vroeger zijn Playboys voor
zijn moeder had verborgen gehouden.
Miss
Studebaker viste een blauwe map uit de stapel.
Snelheidsovertredingen,
las ze laconiek.
Een tweede,
nog dikkere map.
Seksistische
toespelingen.
Een derde.
Dronkenschap
tijdens de diensturen.
De vierde map
was wel drie centimeter dik
Deze heb
ik van de Dienst Financiën, verduidelijkte miss
Studebaker. Achterstallig papierwerk. Ze wachten nog steeds
op je onkostennotas van From Russia with Love.
Toen overkwam
Bond iets wat hem nog nooit was overkomen. Hij voelde zich oud en
overbodig. Hij hoorde zelfs nauwelijks nog hoe miss Studebaker
haar plannen voor MI6 uit de doeken deed. Een toekomst die
opvallend veel besparingen en gelijkekansendecreten leek te
bevatten.
Bond zag
zichzelf al zitten. Zijn Aston Martin verbeurd verklaard, net als
zijn onuitputtelijke voorraad single breasted jasjes. En geen
Wodka Martinis meer. Dat laatste vond hij nog het ergst.
Een leven met een middenklasse gezinswagen, ribfluwelen jasjes
met ellebooglappen en brikjes Fristi. Hij kon maar één kant op.
Weet u
trouwens waar die 00 voor staat in mijn
codenaam? vroeg hij.
Ze probeerde
hem nog tegen te houden maar hij was sneller. Zijn Beretta maakte
drie nette gaatjes in haar verbaasde voorhoofd. Ze gleed
geruisloos op de vloer. Dat ging lastige vlekken geven.
Niemand
komt tussen een man en zijn Aston, zei hij tegen niemand in
het bijzonder en stapte rustig naar buiten, alsof hij net een
leuke babbel had gehad meer niet. Hij gunde zijn
slachtoffer geen blik waardig. Zijn collegas stonden hem
stomverbaasd op te wachten.
Ben ik
dan echt de enige die haar Russisch accent heeft opgemerkt?
Iedereen
zweeg. Ze hadden tenslotte allemaal een sportwagen van de zaak.
Russisch voor beginners (nieuwe versie)
Iedereen komt ooit zijn Laatste Grot tegen. Dat weet elke speleoloog. Je bent een stelsel aan het verkennen en plots gebeurt het. Zonder enige waarschuwing of voorteken. De duisternis, die daarnet nog iets vertrouwds had, zelfs iets beschermends, staart je opeens met duizend ogen aan. Wachtend en loerend. Je wordt bang. Je beseft plotseling welke enorme massa aarde en steen je omringen. Hoe weinig er nodig is om het fragiele evenwicht tussen de aardlagen te verstoren, om van deze plek je stenen graf te maken. Je loopt zo hard je kan. Je probeert niet te schreeuwen. Je komt nooit meer terug.
Het is enkele van mijn vrienden overkomen. s
Ochtends doken ze als onverschrokken, gehelmde helden een
grot in en s avonds waren ze een bibberend wrak, een
veiligheidsdeken over hun schokkende schouders geslagen.
Misschien is dit mijn Laatste Grot.
***
Het is donker. Mijn
voorlaatste lucifer ligt drie stappen achter mij. Het vlammetje
was nietig en beverig geweest, maar op de één of andere manier
had het de schimmen en vreemde geluiden op een afstand gehouden.
Mijn hightech zaklantaarn is enkele uren geleden al gesneuveld.
Net als mijn koptelefoontje dat alleen nog ruis ontvangt.
Ik vervolg mijn weg
op de tast. Mijn handen glijden over koele kalkstenen formaties.
In de verte hoor ik water druppelen. Drinken zal geen probleem
zijn. Zuurstof en eten daarentegen... Ik herinner me een
krantenartikel over vier Franse speleologen die dagenlang in een
grottencomplex hadden vastgezeten. Op de bijhorende foto kon je
zien hoe ze glimlachend naar boven werden gehaald. Of hadden ze
dat alleen gedaan omdat er een camera in de buurt was geweest?
Zou ik ook lachen als ze mij bovenhaalden?
Linda is boven
gebleven, godzijdank. Hoewel haar gezelschap me goed zou hebben
gedaan, misschien deze situatie zelfs had kunnen vermijden. Ik
vraag me af wat ze nu aan het doen is. Of iemand haar al op de
hoogte heeft gebracht. Your husband. Gone. De
gedachte aan haar, alleen in deze vreemde stad, maakt me
ongerust. Haar Russisch is niet zo goed als het mijne.
***
De ijsgrotten
van Kungur waren een jongensdroom. Een oude foto in een
jeugdatlas van een majestueuze rotsformatie vormde de eerste
kennismaking. Het Oeralgebergte herbergt tientallen
indrukwekkende grottenstelsels. Het Kungurcomplex, met zijn
honderden met ijs bedekte spelonken en zesendertig ijsmeren,
wordt door sommige speleologen het achtste wereldwonder
genoemd, luidde het bijschrift. Vooral de uitdrukking
het achtste wereldwonder had indruk op me gemaakt. Ik
kende de zeven andere wereldwonderen dan wel niet, maar zon
achtste wereldwonder, dat moest toch wel heel
speciaal zijn.
En toen leerde
ik Linda kennen. Klein maar energiek, met guitige kuiltjes in
haar wangen en een brede, goedmoedige glimlach. Geen klassieke
schoonheid, maar een vrouw die Het had. Charme. Charisma.
Ze was - net
als ik - een fervente amateurspeleologe.
Er zijn weinig
grotten die we niet hebben bezocht. De Karstgrotten in Slovenië
met hun wonderlijke druipsteenformaties, de donkere, spookachtige
spelonken van Matese, de Bezeklik in het noorden van China, met
zijn boeddhistische schilderingen... Allemaal hebben we ze
doorkruist en op foto vastgelegd, steeds weer onder de indruk van
deze ondergrondse kathedralen en hun bijna bovenaardse
schoonheid; van stalactieten, stalagmieten, kalkpilaren,
kleurrijke steenkoralen, trappen van obsidiaan en bogen van
kwartsiet...
Alleen de
Kungurgrotten bleven we steeds maar weer uitstellen.
De
Kungurgrotten waren dan ook iets speciaals. Niet alleen stonden
ze bovenaan ons verlanglijstje, ze vroegen ook een extra
inspanning. Om de grotten volledig tot hun recht te laten komen
moet je Russisch leren. Dat is de enige taal die de lokale gidsen
begrijpen.
***
De beslissing
om samen Russisch te volgen kwam van Linda. Ze kwam op een avond
thuis met een vierkleurenbrochure van het "Wereldberoemde
Adler Taleninstituut".
Gekregen
van Mulders, zei ze.
Mulders was haar
kantoorchef bij het expeditiebedrijf waar ze werkte. De man was
al twintig jaar gelukkig getrouwd (twee kinderen en een labrador)
maar dat belette hem niet om wel heel erg attent voor Linda te
zijn. Ik vond hem een kwal.
De brochure zelf
stelde niet veel voor. Het ging om het soort tekst waarin mensen
een perfecte kennis van deze of gene taal, breitechniek of
computertoepassing wordt beloofd "en dat in amper tien uur
tijd". Linda was echter zo enthousiast dat ik niet anders
kon dan instemmen.
We waren met twaalf
cursisten. Samen vormden we het soort zootje dat je bij elke
avondcursus aantreft: zij die Moeten Voor Hun Werk en zij die
Niets Beters Te Doen Hebben.
Vladimir, onze
docent, was alles wat een Rus moest zijn: hij had de schouders
van een os, de ondoorgrondelijke trekken van een filosoof en een
volle, wilde baard waaronder bloedrode lippen verborgen zaten.
Hij bezat bovendien een aangename basstem die een licht
hypnotiserende uitwerking had.
Ik en Linda zaten
altijd op de voorste bank. De lessen vonden plaats in het slecht
verlichte en muf ruikende lokaaltje dat het Adler Instituut ons
elke woensdagavond ter beschikking stelde. Eén verdieping lager
zaten de cursisten Engels voor Beginners in royale, van alle
elektronische snufjes voorziene en goed verluchte aula's. Voor
Russisch moest je duidelijk wat over hebben.
***
Ik ben gisteren de grotten in gegaan. Of was het eergisteren?
Ze laten je alleen afdalen, met een
koptelefoon op je hoofd, zoals televerkopers er ook één hebben.
Spitstechnologie. Om het "echter" te maken. Zonder
gidsen die in de weg lopen of het uitzicht verpesten. Ik was bij
de Druzhbagrot gestart. De Vriendschapsgrot, die is het grootst
van allemaal, met een reusachtig ondergronds meer. Zeer populair
bij toeristen. Elk jaar bezoeken tienduizenden mensen de grotten.
Het eerste uur kwam ik geregeld groepjes Amerikanen tegen,
puffend, luidruchtig kwetterend en kauwend op Marsrepen en Milky
Ways. Barbaren.
Een operator aan de andere kant van de lijn gaf me
instructies. In het Russisch. Vooruit. Achteruit. Links. Rechts.
Daal hier af, kijk hier omhoog. Geniet van het uizicht daar.
Enzovoorts. Redelijk amateuristisch eigenlijk. Hoe
amateuristisch, bleek pas achteraf.
Na amper twee uur liep het fout. Ik kwam
rotsformaties tegen die ik niet had mógen tegenkomen, kruiste
beekjes die nergens stonden aangegeven. En toen viel de zender
uit.
Ik heb al een dag niemand meer gezien. Een enkele
keer hoorde ik het holle geluid van voetstappen, ik schreeuwde de
longen uit mijn lijf, maar niemand reageerde.
Wie weet wat voor wezens in dit deel van de
grotten leven. Spinnen, hagedissen, slangen en vleermuizen,
ongetwijfeld gemuteerd door hun levenslange verblijf in deze
duisternis. Getraind om alles te eten wat hun pad kruist in deze
voedselarme hel. Brrr.
***
Toen alle
cursisten in de eerste les moesten uitleggen waarom ze Russisch
wilden leren, konden Linda en ik onmiddellijk op Vladimirs
interesse rekenen. Hij was namelijk zelf afkomstig uit de stad
Perm, die op "amper" honderd kilometer van de
Kungurgrotten lag. Het moet zijn eergevoel hebben gestreeld dat
de grotten zo hoog stonden aangeschreven. In de volgende lessen
liet hij dat ook duidelijk blijken.
Vladimirs
manier van lesgeven was op zijn minst ongewoon te
noemen. Bepaalde hoofdstukken uit ons handboek sloeg hij gewoon
over omdat hij ze niet interessant vond. De tijd die hij zo won,
vulde hij met zogezegd hilarische anekdotes uit zijn kindertijd
die hij zoals gezegd - in Perm had doorgebracht. Vladimir
had ook een enorme voorliefde voor de wrange verhalen van Gogol.
Soms schoof hij de gordijnen dicht, deed de lichten uit, zodat de
winterse duisternis met dreigende zwarte vingers het lokaal
binnen leek te dringen en dan gaf hij ons een sonore,
fascinerende lezing uit Dode Zielen. Maar het bijzonderste
van alles was zijn afkeer voor woordenboeken.
De eerste les
waagde een medecursist het om te vragen welk woordenboek hij zich
moest aanschaffen om de lessen optimaal te kunnen volgen.
Vladimir liep eerst rood aan, zei een Russisch woord dat
ongetwijfeld iets smerigs betekende en keek de man zo lang aan,
dat deze ongemakkelijk op zijn bank begon te wriemelen.
Woordenboeken
zijn het werk van taalboekhouders, antwoordde hij met
nauwelijks verholen minachting. Het zijn gevangenissen voor
woorden! Wee degene die er één meebrengt naar deze les.
Dat laatste
had hij enigszins lacherig gezegd, maar niemand twijfelde eraan
dat Vladimirs afkeer voor woordenboeken oprecht was. Ik heb nooit
geweten waarom hij woordenboeken zo haatte, hoewel ik het
toentertijd opmerkelijk vond voor een talenleerkracht.
De volgende
lessen daalde het aantal cursisten gestaag. Vladimir, uit
erkentelijkheid voor de interesse die we in zijn geboortestreek
hadden, vulde het merendeel van zijn lessen met woordenschat en
uitdrukkingen die vooral amateur-speleologen van pas konden
komen, maar die de andere cursisten slechts matig konden bekoren.
Protesten werden snel en vakkundig met Russische grootmoedigheid
onder de mat geveegd.
De
teruggelopen interesse voor zijn vak leek Vladimir niet in het
minst te storen. "Beter één vogel in de hand, dan
tien luizen in mijn haar," antwoordde hij cryptisch, toen ik
hem vroeg of hij dat niet spijtig vond, zo'n ingekrompen
leerlingenbestand. Er was echter maar één leerling die hem
interesseerde. En dat was Linda.
De Rus had er
nooit een geheim van gemaakt dat hij Linda uitzonderlijk
sympathiek vond. Al vanaf de eerste les bedolf hij haar onder
knipoogjes en complimentjes. Als er moest voorgelezen of
gerollenspeeld worden, dan was Linda altijd zijn eerste keuze en
hoewel ze me verzekerde dat de interesse allesbehalve wederzijds
was, kon ik niet anders dan vaststellen dat ze wel gecharmeerd
was door Vladimirs klunzige versierpogingen. De hele situatie
zinde me hoegenaamd niet. Elke les voerde ik met de Rus een
onzichtbare, maar daarom niet minder felle strijd, om Linda's
aandacht. De laatste les kwam het tot een openlijke confrontatie.
***
Linda en ik waren die avond de enige cursisten die
waren opgedaagd en Vladimir had ons grondig uitgehoord over onze
vakantieplannen. Hij was vooral onder de indruk van het
gidssysteem dat in de Kungurgrotten werd toegepast.
Mijn land is niet zo achterlijk als vaak
wordt beweerd, zei hij. Als Russen iets willen dan
krijgen ze het ook. Alleen gaan hun ambities meestal niet verder
dan een fles goede vodka. Hij gaf ons één van zijn wrange
lachjes en ging daarna verder met de les.
"Links is pravo - PRAAA -
VOO," zei Vladimir, terwijl hij het woord met driftige halen
op het bord kalkte. "PRAAA-VOO met een lange
-aaaaaaaaaaa."
We noteerden het woord in ons schrift, dit was een woord dat zeker van pas zou komen. En nu even op de uitspraak oefenen, zei Vladimir, terwijl hij me verwachtingsvol aankeek. "PRAFFO," herhaalde ik onzeker.
"Te kort!"
Vladimir liep rood aan, zodat zijn hoofd op een
tomaat met baardgroei leek.
"Je let niet op! Je spreekt nog slechter dan
een Oekraïense boer met kiespijn!"
"Dan ligt dat enkel en alleen aan jouw manier van lesgeven!" kaatste ik de bal terug.
De discussie zou waarschijnlijk de hele avond hebben vergald als Linda ons niet had afgeleid.
"Links is dus PRAAA - VOO. Maar hoe zit dat nu met rechts?" vroeg ze met gespeelde onschuld.
- "Dat is vlevo." De lesgever in Vladimir had het gehaald van het mannetjesdier. "VLEE - VOO. Met lange -ee- en lange -oo-."
Hij schreef het woord in grote letters op het bord, met daarnaast de vertaling.
vlevo rechts
***
Ik moet een instructie verkeerd hebben begrepen.
Dat is de enige mogelijke verklaring. Eén gruwelijke vergissing
die me op een foute route heeft gebracht. Hoewel. De operator,
een lokale jongen die een redelijk accentloos Russisch sprak, had
echt zijn best gedaan om langzaam en duidelijk te articuleren.
Hij had regelmatig zijn instructies herhaald en ik had ze ook
allemaal begrepen. Mijn zakwoordenboekje dat ik me ondanks
Vladimirs vermaningen had aangeschaft, heb ik zelfs geen enkele
keer moeten consulteren. Ik ben fier op mezelf. Het boekje zit
onderaan in mijn rugzak, een nutteloos gewicht.
Ik probeer niet te panikeren, dwing mezelf om
regelmatig te ademen. Het Kungurcomplex bestaat uit drieduizend
grotten, met daarnaast nog God weet hoeveel onontdekte grotten.
Ze zullen me nooit vinden. Ik denk aan de Franse speleologen. Hoe
reddingswerkers hen de grotten uitdroegen, op hun schouders, en
hoe ze als helden werden ontvangen. Misschien sta ik morgen ook
zo in de krant. Lachend en opgelucht.
De lucht ruikt vochtig.
***
Na de laatste les
gingen we iets drinken in The Corner, een Ierse pub op
twee straten van het Adler Instituut. Omdat we de volgende
ochtend vroeg op Zaventem werden verwacht, hadden we ons
voorgenomen om het niet te laat te maken. Vladimir had echter
andere plannen.
De rokerige gelagzaal
- met de onvermijdelijke vergeelde foto's van The Dubliners en
James Joyce aan de muren - was zo goed als leeg. Door de
speakers klonk de Metallica-versie van Whiskey in the Jar.
Zo, zei
Vladimir. Jullie vertrekken morgen naar mijn geliefde
vaderland. Hij had zijn hemdsmouwen opgerold en zijn
massieve onderarmen op ons tafeltje gelegd. Het waren de kloeke
armen van een slager.
Daar drinken we
op! riep hij. Barman, drie vodkas.
Linda keek me
hulpeloos aan. Het was niet haar gewoonte om alcohol te drinken,
maar deze traktatie weigeren zou onbeleefd geweest zijn. Ik
knikte haar moedeloos toe. Het zou een lange avond worden, dat
besefte ik toen al.
Ik voelde me een
ongenode gast op een intiem diner à deux. Vladimir
praatte de hele tijd alleen met Linda en deed niet de minste
moeite om me bij hun gesprek te betrekken. Tot vier maal toe deed
ik Linda teken dat het tijd was om te vertrekken. Tot vier maal
toe zag ze het niet of deed ze alsof ze het niet zag.
Uiteindelijk was het drie uur toen we, enigszins
onvast op onze benen staand, naar huis gingen. Linda was
bijzonder vrolijk en giechelde de hele tijd. Dat had ongetwijfeld
te maken met de talrijke vodkas die ze naar binnen had
gegoten. Ikzelf was eerder somber gestemd. Diep vanbinnen was ik
opgelucht dat de cursus voorbij was. We zouden Vladimir nooit
meer hoeven te zien.
***
Ze zeggen dat de lucht in sommige grotten giftig
is. Dat je gek wordt van de gassen die er hangen. Net als bij de
Hondsgrot, in de buurt van Napels. De atmosfeer van die grot
bevat giftig kaloxydegas. Omdat het gas zwaarder is dan lucht
blijft de kaloxyde tot een hoogte van zon meter boven de
grond hangen. Als men rechtop door de grot gaat, is er geen
probleem. Honden en kinderen, daarentegen, sterven in enkele
seconden. Ik durf niet te gaan zitten.
Ik ben blij dat Linda er niet is. Haar kater was
een stuk erger dan die van mij en daarom is ze op de kamer
gebleven, in Hotel Stalagmit. Drie sterren en een rijkelijk
gevulde minibar. Russen weten waar ze hun prioriteiten moeten
leggen. s Namiddags ging ze de omgeving verkennen. Het
Belaya Gora Klooster en nog wat. Ikzelf kon niet wachten, ik wou
vandaag nog de grotten in. Ga maar, zei ze.
Morgen gaan we wel samen.
***
Ik heb ooit, lang geleden, Het Gouden Ei
van Tim Krabbé gelezen. Voor school. Het was het dunste boekje
van de leeslijst. Het einde, waarin het hoofdpersonage levend
wordt begraven, is me altijd bijgebleven.
Ze moesten zulke boeken verbieden. Of toch niet op
leeslijsten zetten.
***
Duizenden grotten. Ik denk aan de Fransen. Die
hadden makkelijk praten. Zij waren met hun vieren.
De duisternis is een tijger. Ze valt nooit aan
zolang je haar blijft aankijken.
Ik zie beelden in het donker. Herinneringen en
hersenspinsels, dingen die zijn gebeurd en dingen die nooit
waren.
Ik strompel verder. Ik zie twee mensen. Een man en een vrouw. Ze zijn elkaar net op straat tegen het lijf gelopen. Hij lacht. Zij vertelt een verhaal en weent. Hij legt zijn hand op haar schouder. Hij troost haar. Ze kijkt hem aan. Hij kust haar, eerst op haar voorhoofd, maar daarna op de mond. Zijn wilde baard prikt en kietelt haar. Ze lacht.
Ik stop.
***
Ik heb mijn rugzak op de grond gezet en het
woordenboek eruit gesleurd. Stukken uitrusting vallen kletterend
op de grond. Het kan me niet schelen.
Ik neem mijn laatste lucifer, strijk hem aan en
hou het vlammetje boven de bladzijden. En daar vind ik wat ik
zoek. Op pagina paginas 16 en 97 van mijn Random
House Russian Pocket Dictionary.
PRAVO rechts
VLEVO links
***
Mijn laatste lucifer ligt naast me. Ik weet niet
wat ik het ergst vind. Mijn eigen dood, of het feit dat mijn
moordenaar nooit zal worden gestraft.
Het is nog nooit zo donker geweest.
Vroeger perste ik elke ochtend sinaasappelsap voor je, want ik dacht dat dat zo hoorde. Tot je me vertelde dat de geur alleen al je deed kokhalzen. Toen begon ik verhalen voor je te schrijven. Die vond je wel goed. Behalve vandaag. Je houdt mijn laatste verhaal vast en je leest. De zon gutst over de lakens. Je wenkbrauwen zijn net twee harige kommas. Ze verroeren zich niet. Je kijkt kritisch en je bent mooi. Je bent vooral mooi, beslis ik.
***
Ergens rinkelt een telefoon. Een bleke, magere man met wijze, grote, blauwe ogen neemt op. Hij luistert en zijn handen vallen in zijn schoot. Zijn vrouw. Een banaal ongeluk. Hij wiegt zijn lichaam zachtjes heen en weer.
Soms opent hij een kast. Net alsof daar ergens,
in de bestofte duisternis, een antwoord op hem ligt te wachten.
De afwas, een chaotische troep, slibt aan en de rolluiken blijven
neer. Hij zit thuis.
Toen hij nog jong was geweest had hij vaak met
het idee zelfmoord gespeeld. Zelfdoding
noemen ze het tegenwoordig, alsof het om een medische ingreep
gaat. En hoe hij het ging doen. Meestal deed hij het op
kleinkunstmuziek, ergens in de natuur waar alles vredig en goed
was het domein Puyenbroek of de Blaarmeersen in
de buurt van Gent. Nóóit binnen. Hij had zijn hele leven al
tussen zes wanden geleefd.
De Luger is zwaar en degelijk. Levenslange
garantie. Deutsche grundlichkeit. Hij had, meer omdat hij zich
had afgevraagd of het allemaal wel werkte zoals op TV, de
veiligheidspal afgezet. Je zet hem in je oorschelp en je trekt.
De loop voelt koud aan. Koud, maar niet zo koud als zijn hart.
***
Je kijkt op. Je linkerhand draait krullen in je haar. Dat doe je altijd als je je ergens aan ergert. Je uitdrukking voorspelt weinig goeds.
- Ik begrijp niet waar die Luger plots vandaan komt, zeg je.
- Zijn grootvader was bij het verzet,
antwoord ik. Hij heeft hem gepikt van een dode
Duitser.
- Waarom staat dat dan nergens? Je
stem klinkt beschuldigend.
Mijn hand zoekt het stapeltje papier op het
nachtkastje.
- Kijk. Hier. Pagina 25. Zijn grootvader
was vroeger nog bij het verzet geweest. Samen met vier anderen
had hij een transport tegengehouden. Behalve een medaille had
deze heldendaad hem ook een Luger opgeleverd. Gepikt van een dode
Duitser.
- Moeten daar geen puntjes op, op de u van grundlichkeit?
- Baboesjka! Een troetelnaam van toen
we elkaar nog maar net kenden.
- Ik heet Barbara, zeg je. Steenkoud.
- En het einde, ga je verder,
Veel te melodramatisch. Koud, maar niet zo koud als zijn
hart.
Je leest de laatste regel met overdreven intonatie
voor. Ik haat het als je zo doet.
- Geef maar terug. Ik grits het blad
uit je handen. Ik verzamel wat meer lakens rond mijn benen. Het
kan me niet schelen als je het koud hebt.
Stilte. En dan jij weer.
- Zou jij het doen? Je stem klinkt
verzoenend.
- Wat?
- Zelfmoord plegen. Als ik ... Een
aarzeling. Als ik weg ben.
- Misschien, geef ik schoorvoetend
toe.
- Niet doen, zeg je.
- Ik zal het einde herschrijven,
beloof ik, ook al weet ik niet waarom.
***
Ergens rinkelt een telefoon. Een bleke, magere
man met wijze, grote ogen neemt op. Hij luistert en zijn handen
vallen in zijn schoot. Zijn vrouw. Een banaal ongeval. Hij wiegt
zijn lichaam zachtjes heen en weer.
O ja. Hij heeft zelfmoord overwogen, maar nooit
van harte. Hij zag het eerder als iets dat hij moest doen, als
een liefdesbetuiging over de dood heen. Hij had zelfs de
Luger van zijn grootvader die hij in de oorlog van een
dode Duitser had gepikt uit de lade gehaald.
Was het plichtsgevoel? Een laat gevolg van meer
dan twaalf jaar katholiek onderwijs? Of was er iets in hem dat
weigerde te buigen, de lichtvoetige, staalplaten krijger die hij
ooit eens was geweest? Hij kon het niet, hij besefte dat hij het
zelfs geen seconde echt had overwogen. Het deed verdomme pijn om
zichzelf op die oneerlijkheid te betrappen maar het luchtte ook
op.
Binnen deze muren, eens geliefd, nu gehaat maar
vooral vertrouwd, zou hij blijven wonen. Tussen het spuuglelijke
bloemetjesbehang, maar ook tussen alles wat zij ooit eens had
gemaakt en aangeraakt. Híer hadden haar vingers gerust en het
lichte hout gestreeld, dààr hadden haar ogen meer dan eens
gepauzeerd, vooraleer ze hem plagend, vragend, had aangekeken. Hij
besloot om te blijven leven. Voor haar.
Maar dat was buiten de vrachtwagen gerekend die hem nog de volgende dag van de weg reed...
***
- Jezus! Wat een kuteinde!
We liggen opnieuw in bed. Je schudt demonstratief
met je hoofd. Je haren vallen langzaam op de lakens.
- En dan die lichtvoetige, staalplaten
krijger...
- Ik vond het net een goed beeld.
- Compleet erover.
- Baboesjka.
Ik probeer niet te smeken.
- Ik zie dat je wat meer uitleg bij de Luger
geeft. Das wel goed.
- Dank je.
- Maar het einde is kut.
We vallen in slaap, onze ruggen naar elkaar
gekeerd.
***
Ik ben bezig met de derde versie als er aan de
deur wordt gebeld. Barbara. Een ongeval. De politie handelt
slecht nieuws dus niet telefonisch af. Zelfs dat had ik fout.
Mijn handen vallen krachtloos langs mijn lijf. Ze zijn inderdaad
te groot.
Ik heb geen Luger. Toch ken ik tientallen manieren
om er een eind aan te maken. De verschillende methodes trekken
één voor één door mijn hoofd, als een lugubere, cynische
processie. Schoonmaakmiddel. Touw. Riem. Mes. Medicijnen.
Elektrocutie. Uithongering. Overdosis. Geen enkele manier lijkt
me geschikt.
- Niet doen, zei je.
Ik staar voor me uit. Dagenlang. Ik overloop onze
mooie momenten. Het zijn er veel, stel ik tevreden vast. Ik hoop
dat ik ze - als ik ze regelmatig herhaal - nooit zal vergeten.
Plots wil ik naar buiten. Ik heb al te veel van mijn leven tussen
deze zes wanden doorgebracht.
De avondzon kleurt de lucht oudroze. Het waait
zacht. Het is fris, maar dat geeft niet. Ik beeld me in hoe je
over mijn schouder heen kijkt en goedkeurend knikt en iets zegt
als Ja. Dit einde vind ik beter. Veel beter. En je
lacht.
***
- Fijn hoe je de verschillende verhaallijnen
door elkaar mengt, zegt Karel.
Hij draait de laatste bladzijde om, alsof hij
denkt - hoopt - dat er nog iets komt. Voor een redacteur, bij een
befaamde uitgeverij leest hij onrustwekkend traag.
- En de titel, waar heb je die
vandaan?
Ik had deze vraag verwacht en toon hem de
poppetjes. Hoe ze naadloos in elkaar passen.
- Mooi, mooi, zegt hij bewonderend.
En dan een pauze.
- Alleen het einde is kut.
- Ik zal het herschrijven, beloof ik,
ook al weet ik niet waarom.
Ik ben
mij ervan bewust dat er al
veel inkt is gevloeid over het zogenaamde Sjaloom-project. Die
aandacht is, voor zover ik kan nagaan, zeker terecht. Met
onderstaande tekst wil ik wat meer inzicht geven in de
gebeurtenissen die het project hebben vorm gegeven en die de
afloop uiteindelijk hebben bepaald. Ik heb mijn bevindingen in
een verhaal gegoten. Dit is een bewuste keuze. De vorm mag dan al
op fictie lijken, de inhoud is dat zeker niet. Ik wil in dit
kader zeker de deelnemers aan het project bedanken voor hun
medewerking en hun openhartigheid. Mijn dank gaat ook uit naar I.
Meijer, wiens persoonlijke archieven ik mocht raadplegen. Zonder
hun steun was dit verhaal nooit mogelijk geweest.
***
De smetteloos witte motorsloep scheert over het azuurblauwe water. Het woelige schuimspoor dat het vaartuig achterlaat, splijt de golven in tweeën.
De symboliek ontgaat Khaled niet. Hij bekijkt de zwijgzame rij aan de overkant van het dek, gebruinde mannen, behangen met felgekleurde, belabelde rugzakken, en voelt de onoverbrugbare kloof die hem van deze wezens scheidt. Links en rechts van hem zitten mannen zoals hijzelf. Dezelfde religie en idealen. Hetzelfde land, dezelfde herinneringen aan prikkeldraad en grensovergangen.
Maar zij, die anderen, zij konden evengoed van een andere planeet, een ander universum, komen. Zo weinig hebben ze gemeen. Het schuimspoor wordt steeds langer. Het loopt tot aan de horizon en splijt de zee in tweeën.
Wees welkom op El Kordokosona, zegt de atletisch gebouwde man. Hij draagt een linnen hemd en een katoenen broek met opgerolde pijpen. Zijn blote voeten zijn half begraven in het rulle zand. Dit eiland zal de volgende veertien dagen jullie thuis zijn. De eeuwig aanwezige cameras registreren de onwennige nieuwkomers. Jullie zullen moeten samenwerken om te overleven. Dit laatste herhaalt hij wel drie keer. Dan pas is de regisseur tevreden over het resultaat.
***
Isaac Meijer is een dromer. Zoals zovelen. Toch is er één ding dat Isaac al sinds zijn kindertijd van de grijze massa onderscheidt: zijn dromen komen onveranderlijk uit. Daar zorgt Isaac zelf voor. Ooit droomde hij ervan om journalist te worden en zie! - enkele jaren later was Isaac gerechtsverslaggever voor de Tel Aviv Chronicles. Daarna droomde hij van het hoofdredacteurschap en zie! nog geen tien maanden later kreeg de oude Rosenberg een hartaanval en werd Isaac de jongste hoofdredacteur ooit. Zijn onuitputtelijke ambitie heeft hem gemaakt tot wat hij nu is: de succesvolste mediamagnaat van Israël. Drie radiozenders, een tiental tijdschriften en vijf tv-zenders, waarvan één in de Palestijnse gebieden. Iedere andere man zou al lang op zijn lauweren zijn gaan rusten. Maar Isaac zou Isaac niet zijn, mocht er zich al geen nieuw plan in zijn hoofd hebben gekristalliseerd.
Zijn fijne, ringloze vingers rusten op de babyblauwe cover van een vuistdik dossier. Een nieuw programmavoorstel. Normaal houdt Isaac zich ver van de dagelijkse werking van zijn tv-zenders, maar dit is een uitzondering. Het voorstel dat hij voor zich heeft liggen is er namelijk één van zichzelf.
Geen enkele van Isaacs tientallen medewerkers is op de hoogte van zijn rol in de totstandkoming van het Sjaloom-project. Wat hen betreft, is het plan niet meer dan het hersenspinsel van één van de whizzkids van Programmatie. En in die hoedanigheid is het ook tenslotte bij Isaac terechtgekomen: een dossier waar hij slechts zijn krabbel moet onder zetten.
Hij aarzelt. Wat als de kijkcijfers tegenvallen? Wat als het hele project een sof wordt? Zal dat de zaken niet nodeloos compliceren? Nee. Een mens moet soms te ver gaan om te weten hoe ver hij precies kan gaan. T.S. Eliot. Toch nog iets dat hij aan zijn studentenjaren in Londen heeft overgehouden. Isaac glimlacht. Hij tekent. Voor de toekomst van zijn land, houdt hij zichzelf voor. Tien verdiepingen lager ontwaakt Tel Aviv.
***
De cameras zijn overal. De eerste dag werken ze nog op Khaleds zenuwen. Hij durft met moeite naar het toilet, een geïmproviseerde kuil met gaas omspannen. Straks filmen ze hem nog terwijl hij staat te pissen! Ze zijn met hun zessen. Twee stuurse jongens uit Ramallah, Ismail en Zayed. Abdel, een bedeesde student uit Jeruzalem, en de eeuwig glimlachende boerenjongens Sami en Zakaria. Allemaal hebben ze de strengste selectieprocedures doorstaan. Dat blijkt uit de efficiëntie waarmee ze hun kamp opslaan. Sami en Zakaria hakken bamboe, Ismail en Zayed vlechten een dak uit een soort taai reuzenriet en Abdel graaft een ondiepe greppel rond hun kampplaats.
Tegen de slangen, zegt hij.
Alleen Khaled weet niet direct wat te doen. Hij trekt het omringende oerwoud in. Op zoek naar eten, zegt hij. Op zoek naar rust, denkt hij. Van het andere kamp geen spoor.
***
Wanneer komen ze?
Abdel en Khaled zitten op het strand. Ze hebben net hun eerste middagmaal op het eiland achter de rug. Een taai soort rode vruchten met nog taaiere bamboescheuten.
Geen idee. Het koele water kietelt Khaleds voetzolen. Hij denkt aan een avond, twee jaar geleden. Hij en Naima in Haifa, de Middellandse zee rond hun enkels. Hij mist haar. Op dat ogenblik weerklinkt het gezoem van een motor. De witte motorboot meert aan en nog geen twintig seconden later staan alle kampbewoners op het strand.
De eerste opdracht wacht op jullie, zegt de presentator, die er nog doorvoeder uitziet dan de dag voordien. Je kan een driegangenmenu winnen. Het eiland is al snel een kleine stip aan de horizon.
***
Een houten staketsel met netten en touwladders overspannen, een metershoge houten palissade ... Het zijn maar enkele van de obstakels waar ze overheen moeten. De jongens van productie hebben zich duidelijk uitgeleefd. Het hulpje van de presentator, een knappe brunette, geeft het startschot. Sami vertrekt als eerste. Hij is sneller dan zijn tegenstander, een pezige dertiger met een sikje. Khaled schreeuwt de longen uit zijn lijf, als een volleerde muezzin. Sami, Sami, Sami!
Dit is zoveel meer dan een spel. Dat weten alle
mannen die hier op het strand verzameld zijn. Dit gaat om de eer
van twee landen, twee culturen. Na Sami komt Zayed. Daarna
Zakaria en Ismail. De Palestijnse ploeg ligt zon
En dan begaat Abdel een zware fout: hij laat de estafettestok vallen en dat levert het Palestijnse team een minuut straftijd op. Zelfs Khaled kan zon achterstand niet meer goedmaken. Na een heroïsche spurt valt hij hijgend neer op het zand. De vreugdekreten van het andere kamp weergalmen in zijn hoofd.
De terugtocht verloopt in alle stilte. Iedereen laat de student links liggen, alleen Khaled niet.
Eensgezindheid, fluistert hij.
Wat? Abdels stem klinkt vlak.
Geen eensgezindheid, herhaalt Khaled, Dat is de reden waarom we altijd verliezen. Nog nooit heeft hij het allemaal zo duidelijk gezien.
Hoe bedoel je?
Kankeren, das het enige dat we kunnen. Kankeren op elkaar, op de joden, op onze zielige levens. Kankeren en niets doen.
Abdel zwijgt, maar Khaled gaat verder. Hij heeft al veel te lang gezwegen, vindt hij zelf.
En als er al eens iemand in slaagt om de grauwe realiteit te ontvluchten, om iemand te worden dan zijn we altijd de eersten om hem er weer in te duwen. Met zijn kop in de modder.
Abdel spuugt op het dek. Het vocht weerkaatst in de zon.
***
Abdel wordt diezelfde avond nog naar huis gestemd. Daarna volgen Sami en Zakaria. Zo blijft Khaled alleen achter met de mysterieuze Ismail en Zayed. De twee mannen trekken zich vaak terug in de mangrove in het midden van het eiland. Soms blijven ze urenlang weg. God weet wat ze allemaal uitspoken. Khaled is te zwak om zich nog veel zorgen te maken. Hun ploeg heeft tot nu toe alle proeven verloren en de honger begint zijn tol te eisen. Hij legt zijn hand om zijn biceps. Duim en middenvinger raken elkaar. Hij is nog nooit zo mager geweest.
***
De volgende dag is de boot er weer. Knappe Brunette vraagt hen om in te stappen. Voor de laatste ronde, zegt ze, met een geheimzinnige, sexy glimlach om haar mond. De voorbije nacht heeft Khaled alleen in het kamp doorgebracht. Ismail en Zayed zijn pas in de vroege ochtend, toen de zon al als een reusachtige, koperen vogel boven de golven hing, uit de mangrove teruggekeerd.
De samensmelting is een feit. Na twee weken honger en ontbering worden beide kampen bij elkaar gevoegd. Drie joden en drie Palestijnen. Dat belooft. De cameralui lopen er zichtbaar gespannen bij. Dit is meer dan een tv-programma, dit is wereldpolitiek, Lost meets Big Brother meets Camp David. Het hele concept lijkt niemand onberoerd te laten. Zelfs Kofi Annan verwijst ernaar in zijn jaarlijkse openingsspeech voor de Veiligheidsraad.
De uitzending is pas gepland voor het najaar, maar de media en niet alleen die met Isaac Meijer in de beheerraad storten zich alvast op het levensverhaal van de deelnemers. Schandaaltjes worden opgegraven, oude vlammen geïnterviewd, analyses worden geschreven, gelezen, weerlegd, herwerkt en vergeten.
***
De sfeer rond het eerste gemeenschappelijke kampvuur is ronduit vijandig. Ismail en Zayed weigeren eerst zelfs botweg om met de joodse medekandidaten samen te zitten. Pas als de producer in hoogsteigen persoon naar het eiland wordt overgevlogen en hen het contract dat ze enkele maanden geleden hebben ondertekend onder de neus duwt, zwichten ze.
Alle gezichten staan op onweer. De voorbije uren heeft niemand ook maar een woord gezegd. Ook Khaled voelt zich opgelaten. David, Nathan en Samuel (want zo heten de drie joodse nieuwkomers) zien er elk ongehoord gezond uit. Zij hebben duidelijk geen honger geleden. Zij hebben geen taaie bamboescheuten moeten vreten, of boomschors, of die uitzonderlijk walgelijke boomkevers van gisteren. Het is haat op het eerste zicht.
Khaled wil net met een doorzichtig smoesje naar bed gaan als er iets vreemds gebeurt. Eén van de joodse mannen begint te neuriën. Zo zachtjes dat de golven het geluid bijna overstemmen. Khaled herkent de melodie. Beethoven. Ode an die Freude.
Alle Menschen werden Brüder,
Wo dein sanfter Flügel weilt.
De klanken doen iets met Khaled. Vergeten herinneringen banen zich een weg naar zijn hoofd. Zijn grootvader. Zijn eerste lief. De zon boven Gaza-stad. Vogels. Het is sterker dan hemzelf. Hij zingt mee. De anderen vallen één voor één in.
Het is niet veel. Zes mannen op een strand. Ze kennen de woorden niet, want dit is een nieuw lied. Ze zingen vals en de zon is al lang ondergegaan, maar het geeft niet. Het is een begin.
***
De volgende dagen zijn surreëel. De meeste tijd brengen de deelnemers rond het kampvuur door. Daar vertellen ze ellenlange, uitgesponnen verhalen. Verhalen over geweld en verdriet. Soms ook over vreugde en hoop. Deze mannen zijn geen geboren vertellers, ze haperen, struikelen over hun woorden en soms begrijpen ze maar de helft van wat de ander vertelt. Het geeft niet. Het is een begin.
Hoe zou het daar nog zijn? Zayed wijst naar de horizon.
Daar is de buitenwereld.
Ze kijken toe, zegt Nathan. Wees gerust. Hij is een loodgieter, net als Khaled.
Ooit zullen ze verhalen over ons vertellen, grapt Samuel. De zes helden die vrede stichtten in het Midden-Oosten. Nathan, Zayed, David, Khaled, Ismail en natuurlijk... mezelf. Hij lacht maar zijn ogen staan ernstig.
Ik hoop het, zegt Zayed.
Het klinkt broos en onzeker. In de verte zoemt een camera.
***
OK, hij heeft zich dus vergist. Dat is hem nog nooit eerder overkomen. Isaac Meijer voelt een vage pijn in zijn onderbuik. Zo voelt frustratie dus. Hij heeft net de eerste, ruwe montage bekeken van Operatie-Sjaloom. Toegegeven, ze hebben hun best gedaan. De regisseur kan niets worden verweten, net zomin als de rest van de crew. Mooie plaatjes, goede muziek, een snedige montage, een knappe co-presentatrice... Alles wat een mens maar wil. Maar zelfs deze overvloed aan vakmanschap kan de waarheid niet verhullen: dit is S.T. Saaie Televisie.
Niemand zit te wachten op conversaties over loodgieterij of sprookjes, of godbetert - een stel volwassen mannen die liedjes zingen. Om dan nog maar te zwijgen over het ronduit schandalige einde: na de samensmelting weigerden de kandidaten nog opdrachten uit te voeren. Ze wilden de eenheid binnen de groep niet verstoren, stond in hun gemeenschappelijk perscommuniqué. De gedachte alleen al is voldoende om Isaac Meijer te doen kokhalzen.
Als mensen een scoutskamp willen zien, dan moeten ze maar kookouder worden, heeft hij daarnet tegen Chris, zijn persoonlijke assistent, gezegd. Isaac Meijer weet wanneer hij verslagen is. Hij is ook mans genoeg om het toe te geven. Het Sjaloom-project wordt afgevoerd.
Veel tijd om te treuren heeft Isaac Meijer niet. De plicht roept. Hij schuift zijn benen onder zijn mahoniehouten bureau. Zijn hand rust even later op een vuistdik dossier, dat uiterlijk niet zo heel erg verschilt van het Sjaloom-dossier dat enkele weken geleden op exact dezelfde plaats lag.. Een nieuw project. Een actiefilm. Met een babyblauwe cover.
Terror in Tel Aviv.
D.B. (28/02/2006)
Je wil John Travolta zijn, inclusief trendy danspasjes en sexy heupbewegingen... Of Sergei Bubka, terwijl hij het wereldrecord polstokspringen breekt. 6 meter 2 centimeter (Parijs, 13 juli 1985). Je wil Rachmaninovs Pianoconcertos spelen, exact zoals de componist ze heeft bedoeld. Geen zielige kopie van het origineel, maar de pure, onverdunde realiteit. Wel, wij hebben goed nieuws voor u. Fantastisch nieuws: de Replicator. Dit staaltje supertechnologie heeft het allemaal, en dat tegen een spotprijsje: 1.259,95 euro. Inclusief Supercond
itieset en Casanova-pakket.
Bel NU!
Replicator®. U kan het!
Replicator®. Waar verleden en toekomst elkaar ontmoeten.
Bel NU!
***
Het begon als een bevlieging.
Dat doet het altijd. De een of andere jonge, trendy gast die het
blokje rond jogt, met het nieuwste snufje aan zijn riem. Een
kleine onopvallende polyester console, met een dunne slangachtige
kabel die over zijn ruggengraat kronkelt. Nee, dit is geen
simpele MP3-speler of, God verhoede het, een i-Pod. Dit is iets
nieuws. In het begin reageert de goegemeente wat verward;
sommigen maakten er zelfs zij het onschuldige
grapjes over.
Kijk, Jimmy heeft een extra brein gekregen. Of
Microszoft heeft zijn eerste mens opgekocht. Het
lijdend voorwerp van hun beledigingen, de hierboven vermelde
whizkid, reageert niet. Hij weet dat hij de vooruitgang achter
zich heeft en dat die uiteindelijk iedereen, zelfs de meest
verstokte kritikaster, zal overtuigen.
De jongen had gelijk. Natuurlijk. En dit was slechts het begin van de triomfantelijke doortocht van de Replicator doorheen de hele beschaafde wereld. Mensen werden nieuwsgierig, als de eerste de beste bende graatmagere, bepukkelde tieners die zich verdringen rond het hotste meisje op de speelplaats. En uiteindelijk kochten ze het onding. Allemaal. Sommigen organiseerden hun hele leven rond hun nieuwe aankoop, alsof het een leegte vulde, een oerdrang beantwoordde die er altijd al was geweest.
Wees wat je wil zijn. En als dat niet lukt, doe dan tenminste wat je wil.
Er kwamen verschillende soorten Replicators op de markt. Want zo werkt de vrije markt nu eenmaal. Kleurrijke, blinkende apparaatjes voor de kinderen en de lagere klassen. Sobere, en bijna onzichtbare exemplaren voor de hogere, cultureel verfijndere klassen. Uiteindelijk keken mensen je raar aan als je voorbijkwam zonder een Replicator aan je riem. Het toestel had een hele weg afgelegd: van afwijking tot verplichting.
De theorie achter de Replicator was redelijk simpel. Elke spierbeweging wordt veroorzaakt door zenuwimpulsen. Dit zijn elektrische golven die in een neuron ontstaan en via het ruggenmerg worden doorgegeven. Anders gezegd: elke beweging heeft een typisch, en dus perfect reconstrueerbaar, golfpatroon. Bijgevolg kan je spierbewegingen opslaan zoals je dat met geluiden, beelden en teksten doet. Meer nog, je kan zelfs andermans bewegingen downloaden en die met je eigen lichaam uitvoeren.
Een wonder. Onhandige zakenlui van middelbare leeftijd die dansen als Nurejev; reumapatiënten die vingervlugge goocheltrucs demonstreren, keukenklunzen die hun groenten versnijden als een echte sushichef, getrouwde koppels die hun eerste danspassen samen herbeleven exact zoals het vroeger was. Een wonder.
Er waren natuurlijk complicaties. Die zijn er altijd. Vooruitgang kiest niet altijd de kortste weg.
Om deftig te functioneren, moest de Replicator op je ruggenmerg worden aangesloten. En dat was een delicate operatie. Iedereen kende wel één of ander horrorverhaal over mensen die zich lieten reppen door een knoeier, met goedkoop namaakmateriaal. De verhalen waren gruwelijk genoeg om instant-stadslegenden te worden. Mensen die hun eigen ingewanden uit hun lijf trokken, hun hoofd tot een bloedige pulp sloegen, of liepen tot ze er dood bij neervielen en dat allemaal door één of andere banale softwarefout. Niet dat dit mensen ervan weerhield om een Replicator-kit te kopen. Integendeel, deze verhalen gaven het bezit van een Rep zelfs iets heldhaftigs...
***
Zo. Hier sta ik nu. Aan de Replicator-afdeling van onze plaatselijke electrozaak. Het Licht der Vooruitgang is tot mij gekomen in de vorm van een verjaardagscadeau. Mijn overbezorgde kinderen, bang dat hun vader op zijn achtenveertigste voorgoed in het Stenen Tijdperk zou blijven steken, hebben me de laatste state-of-the-art Replicator gekocht. Ik moet toegeven dat mijn protest niet zo overtuigend klonk als ik dat had gewild. Ik voelde me zelfs opgelucht, omdat zij de knoop in mijn plaats hadden doorgehakt.
***
Ik had niet echt veel keus, hé?
- Nee, niet echt. Kinderen kunnen best wel overtuigend
zijn.
Karl grijnst. Hij is een oude vriend. Als student bezochten we
dezelfde cafés, zaten we achter dezelfde vrouwen aan en droegen
we dezelfde gedichten voor als we zat waren tot de
cafébaas ons poëtisch narcisme beu was en ons de straat op
gooide.
Tien jaar geleden verloren we elkaar uit het oog. Het getrouwde leven stond onze jeugdige vriendschap in de weg etc. U weet wel hoe dat gaat. En toch. Karls gerimpelde, patatvormige gelaat dat vanachter de toonbank tevoorschijn kwam, was een opkikker van formaat. Voor mij moet technologie een gezicht hebben en liefst een bekend gezicht. Ik word oud.
Karl meet mijn benen, armen, polsen, kuiten en mijn vingerkootjes. Hij gebruikt daarvoor een ouderwetse lintmeter, zoals de kleermakers van weleer. Of een begrafenisondernemer die de maten voor een kist neemt. Nu en dan hamert hij enkele gegevens in op een keyboard. Alles moet perfect zijn. Elke eigenaardigheid van mijn lijf, elke afwijking wordt omgezet in computertaal. Mijn rozige, weke kuiten: 01.03.65. Mijn buikje: 23.57.52. Mijn lange, ivoorwitte vingers, die me ooit deden dromen van een carrière als concertpianist: 93.45.46.27.45
- En hoe is het nog met
Linda?
Sociale praat. Het hatelijke handelsmerk van de winkelier.
Hoewel, dit keer kan de interesse oprecht zijn. Karl, Linda en ik
woonden ooit in dezelfde straat.
Bwa. We zijn nog altijd getrouwd.
Meer valt er niet te zeggen.
- Een hele prestatie in deze tijd
Karl zucht. Zijn vrouw heeft hem acht jaar geleden verlaten. Niet
veel later opende hij zijn winkel. Eerst verkocht hij er vooral
digitale cameras, die waren toen in geweest.
Maar nu waren het dus allemaal Reps.
- Kom, we gaan je inpluggen.
Het doet geen pijn. Toch niet
extreem veel. Twee gaatjes in de onderrug.
- Bij de Replicator 1.0 moesten we ook een contactpunt aan
de schedelbasis installeren. Karl blijft praten, hij
probeert mijn aandacht af te leiden van de naald. Man, dat
deed pas pijn! Gelukkig hebben de techneuten van Cybercom daar
uiteindelijk iets op gevonden. Nu hebben we maar twee gaatjes
nodig. Vooruitgang...
Ik knik, hoewel ik niet het flauwste benul heb waarover hij het
heeft.
- Twee is altijd beter dan drie, zoals ik altijd zeg.
Hij neemt een bol watten, doopt ze in ontsmettingsalcohol en
wrijft die over mijn rug.
- Je mag je weer aankleden.
- Enig idee wat je ermee
wil doen?
We staan aan de kassa. De Replicator hangt aan mijn riem,
glimmend en gebruiksklaar.
Ik zou het echt niet weten. Misschien mijn squashtechniek
wat verbeteren. Of ik kan eindelijk dat In Zaire-dansje
leren.
Eerlijk gezegd kan het me allemaal bitter weinig schelen. Karl
bekijkt me aandachtig. Hij opent één van de tientallen laatjes
in de kast achter hem.
- Dit zal je interessant
vinden, zegt hij. Hij houdt een kleine, inktzwarte Rep Disk
voor mijn neus.
- Het getrouwde leven gaat soms vervelen. Een brede
grimas doet zijn gezicht oplichten. Een man heeft soms wat
meer nodig.
Zijn plotse, familiaire toon stoot me af.
Ik weet niet of dit echt
mijn...
Ik laat mijn verontwaardiging niet blijken. De man probeert
tenslotte alleen maar vriendelijk te zijn. Ik wil beleefd
weigeren, maar Karl duwt het schijfje in mijn handen.
Ik heb zoiets niet nodig! Ik ga het nooit gebruiken!
- Toch wel.
Zijn onverstoorbare zelfvertrouwen doet me twijfelen.
- Iedereen gebruikt het, zegt hij. Hij glimlacht als
een goedaardige Boeddha. Dat doen ze allemaal.
***
Zes maanden later. Ik kan niet meer zonder. Oh ja, eerst was ik sceptisch. Ik was niet van plan om de controle over mijn spieren zomaar af te staan. Ik stopte mijn spiksplinternieuwe Replicator weg in mijn nachtkastje. Daar verbleef het geruime tijd in het gezelschap van enkele bedorven graanrepen en ongebruikte condooms. En daar had het moeten blijven. Maar dat deed het niet: ik begon het ding effectief te gebruiken.
Eerst gebruikte ik mijn Rep
slechts sporadisch. Ik leerde mezelf viool spelen, een vurige
tango dansen, bloemschikken etc. Pas later werd het een gewoonte.
Ik begon het toestel ook te gebruiken voor de kleine dagelijkse
routines. Om me mooi glad te scheren, zonder dat ik mezelf de
keel oversneed, om mijn tanden te poetsen...
Mijn handenarbeid outsourcen, noemde ik het lacherig.
Voor mij was het een echte openbaring: mijn spieren die iemands
anders zn handelingen uitvoerden.
***
Vandaag ga ik het geheim van het Zwarte Schijfje ontsluieren. Linda is op bezoek bij haar zus in Hasselt. Ze zal pas laat terug zijn. Ik heb het uit zijn cellofaanverpakking gescheurd en hou het behoedzaam in mijn handen. Het ziet er niet uit als een normaal Repschijfje. Het is inktzwart, zonder enige titel of andere aanduiding. Dit zou wel eens straf spul kunnen zijn. Ik kan nauwelijks wachten.
Ik schuif het schijfje in de houder en druk op de play-knop. Ik voel hoe de sofware mijn bewegingen zachtjes begeleidt, zoals een bezorgde moeder dat met haar kind doet. Ik voel me opgelaten wanneer een warm, kloppend gevoel zich in mijn onderbuik nestelt. Plots begin ik te spreken, de woorden zijn niet de mijne. Ik schrik. De Replicator heeft mijn stembanden gekaapt.
Dag Richard.
Ik besef dat ik tegen mezelf aan het praten ben. Mijn stem klinkt
anders, alsof ik mezelf aan het playbacken ben. Ik vraag me af
hoe dit ... ding mijn naam kent.
Ik ben het, Karl.
De stem klinkt spottend. Gevaarlijk. Ik panikeer. Ik zou dit
duivelse apparaat zo graag willen uitschakelen. Doodgraag. Maar
ik kan het niet. Mijn spieren gehoorzamen me niet meer. Ik
knipper met mijn ogen. Drie keer, want dat is de
standaardprocedure om een Reptoepassing af te sluiten. Zelfs dat
werkt niet.
Herinner je ons nog,
Richard? Hoe jong we waren?
Ik knik instemmend. Het knikt.
Jij, ik en Linda. Hoe we door de duistere straten
wandelden, terwijl we nachtelijke serenades zongen. Ik hield van
haar en dat wist je.
Het wordt kwaad. Ik voel hoe het mijn spieren spant alsof het elk
moment iemand in elkaar wil timmeren.
De stem vervolgt zijn bittere
monoloog.
- Je koos voor haar. Je vergat onze vriendschap.
Mijn ademhaling verloopt moeizaam, alsof ik net een ijskoude zee
ben gered.
Mijn hersenen zoeken koortsachtig naar argumenten, excuses en
beloftes. Ik zal van haar scheiden alles wat je maar
wil ik heb nooit van haar gehouden... Briljante
redeneringen die zullen bewijzen dat onze vriendschap wel
belangrijk voor me was. Ik besef dat het geen zin heeft om met
een softwarepakket te discussiëren.
- Volgende week, zal ik Linda tegen het lijf lopen een toevallige ontmoeting op straat. Ik zal vragen hoe het met haar gaat. Zonder enige twijfel zal ze over jou beginnen en je ontijdige overlijden. Hoeveel ze je wel niet mist. Ik zal haar troosten.
- Twee is altijd beter dan
drie, zoals ik altijd zeg.
Ik voel zijn grijns op mijn gezicht.
Met een schok sta ik recht. Ik
begin te dansen, als een willoze, krachteloze marionet. Eerst
langzaam, alsof mijn voeten de koude vloer willen verkennen voor
ze in een dolle, adembenemende dans uitbarsten. Ik ben een
derwisj, ik dans een uitzinnige dans met de Dood.
En één twee drie en één twee drie en...
Ergens, in dit gebroken, gehavende lichaam is er een adertje gebarsten. Een spier is gestopt.
Ik denk niet aan Linda. Niet aan mijn kinderen. Alleen aan een reclameslogan die ik ooit ergens eens heb gelezen.
Replicator®. Waar verleden en toekomst elkaar ontmoeten.
Maar wat
als het verleden
anders is
dan
we dachten?
So,
you want to be John Travolta,
showing off your fancy dance steps? Or maybe why not? -
you want to experience Sergei Bubkas famous 19
8 leap (Paris, 13 july 1985)? Play Rachmaninovs Piano
Concertos the way he intended them to be played? No sad, mocking
imitation of reality but pure, undistilled reality itself? Well,
weve got some FAN-TAS-TIC news for you: the Replicator
3v.22. This cutting edge piece of technology has it all. And at a
really sharp price: 1,259 £ 23p. Including the General
Gymnastics and Casanova-add on! Call now!
Replicator®. You can. Because we can.
Replicator®. Where past and future meet.
***
It started as a fad. It always does. Some young,
trendy kid jogging around the block sporting a new gizmo. A
small, unobstrusive polyester console attached to his belt, a
thin snakelike cord running up his spine. No mere MP3-player or
i-Pod, this. Something new. At first, people react puzzled, even
make offhand jokes about it. Jimmys got a new brain
installed. Or It seems Microsofts taken over
their first human. The subject of their mocking taunts, the
aforementioned youngster, doesnt bother. He knows progress
is on his side and that eventually it will overrun
even the most stubborn of his stone age-minded adversaries.
He was right. Of course. This was only the
beginning of the Replicator®s victory march
throughout the civilized world. People got curious
like skinny, freckled kids, flocking around the hottest girl in
the schoolyard. They even ended up buying the bloody thing,
actually constructed their lives around it as if it filled
an emptiness that had always been there, satisfied a primal urge
that had finally gotten a name and a solution.
Be what you want. And if you cant manage that. Do what
you want.
There were different kinds of Replicators. Because
thats the way the world goes, spinning its way along the
invisible rules of marketing. Shiny, bright-coloured ones for the
kids and the lower classes; sober, sleek and nearly
invisible ones for the cultural upper classes. Finally, people
started giving you the odd look if you passed by, without having
one of these technological wonders attached to your body. From
deviation into option into obligation.
The whole idea was fairly simple. Every
movement is the result of nerve stimuli. These are basically rapidly
traveling electrical waves, which begin in a neuron and propagate
rapidly down the axon. To put it simply: each movement has
a typical, and therefore perfectly reconstructable wave pattern.
This means one can store muscular movements on a hard disk, in
practically the same way as you can store sounds, images and
texts. You can even download movements that are not your own and
re-enact them using your own body.
A miracle. Plump, middle-aged businessmen dancing
like Nurejev, old arthritics performing card tricks, kitchen
virgins chopping up their vegetables like a sushi chef, married
couples reliving their first dance together exactly the
way it had been
A miracle.
Of course, there were complications. There always
are. Progress can be as recalcitrant as a wayward child, being
dragged off to school. The Wright brothers plummeting down at
For the Replicator to function properly, the
system had to be branched to your spinal cord. A delicate
procedure, to say the least of it. Everybody knew horror stories
about people who got their repping done by a seedy wheeler
dealer, using (The horror, the horror!) cheap,
low-standard counterfeit material. The results were gruesome
enough to become instant urban legends. People ripping the guts
out of their own body, hammering their head into a bloody pulp,
running till they dropped stone dead, unable to stop their
movements, all because of a software failure. These examples
didnt stop people from buying Replicator-kits. On the
contrary, these tales even added a certain heroism to an
otherwise purely consumerist act. Im not buying this
for myself. Oh no, its for the cause of scientific
progress!
***
So. Here I am now, browsing the Replicator-rack of
our local retailer. The Light of Progress has come to me in the
guise of a present for my 46th birthday. My
over-anxious children, eager to upgrade their cave dweller-dad,
bought me the latest state-of-the-art Rep. I have to admit that
my protestations werent as sincere as I would have wanted
them to be. I even felt a kind of relief, that they had made the
inevitable decision in my stead.
***
Didnt have much choice, did I?
- Not really, I suppose. Kids can be quite
convincing.
Carl grins. Hes an old friend of mine. We
used to get drunk in the same cafés when we were students at the
Polytech reciting Browning and Poe till the landlord got
fed up with our poetic narcissism and threw us out.
Ten years ago, we got out of each others
lives, married life interfering with our boyish pranks. Still,
Carls wrinkled, potato-shaped face popping up from behind
the counter of the electronics store, was a pleasant surprise for
me. I need technology to have a friendly face preferably a
known face. Im getting old.
Carl is measuring the length of my legs, my arms,
my wrists, my calves, my fingers, using an old-fashioned tape
measure - as if he were a tailor contemplating a new suit or an
undertaker preparing my coffin. Every now and then he hammers
some data into a keyboard. Everything has to be perfect. Each
peculiarity of my body has to be translated into computer lingo.
My pink, wobbly calves: 01.03.65. My ever expanding belly:
23.57.52. My long, ivory fingers, that once destined me to become
a pianist. 93.45.46.27.45
- Hows Sheryl doing?
Small talk. The hateful craft of the shopkeeper.
Still, his concern might be genuine. Carl, Sheryl and I used to
live in the same street so he actually knows the
person he is inquiring after.
Were still married. Theres
nothing more to be said.
- Quite an accomplishment in this
divorce-ridden era
Carl sighs. His wife left him eight years ago.
Thats when he opened his electronics store. He started out
selling digital cameras, they were the in-thing, back
then; but now its all Reps.
- Lets get you hooked up.
It doesnt hurt. Much. Two punctures in my
lower back.
The Replicator 1.0 also required an input
jack at the base of the skull, Carl keeps on talking,
trying to divert my attention from the needle. Boy, did
that hurt! Luckily, the whiz-kids at Cybercom discovered a more
humane way to do things. So, we only need two access points.
Thats progress for you.
I nod, although I have not the faintest idea what
he is jabbering about.
Twos always better than three, as I
always say. He takes a cotton pad drenched in disinfectant
and smears it across my back.
You can put your shirt on.
- What do you want to do with it?
Were standing at the counter, the Replicator
hanging on my belt, ready to be used.
Dunno. Maybe Ill improve my squash
skills. Or
it might help to avoid my toes being
squashed during the In Zaire-routine.
Frankly, I dont have any idea. Carl seems to
notice my lying incertitude.
You might find this interesting, he
says, opening a drawer and taking out a small Rep Disk.
Married life can be boring, he says
a smirk spreading across his face. You might need
some exercise.
I am appalled by the sudden, jocular familiarity
in his voice. His boys-will-be-boys-intonation.
Nudge, nudge, know whatahmean.
- I dont know if thats really
the kind of
I try not to show my indignation. After all,
hes just trying to be friendly. Carl pushes the disk into
my hand.
- I wont use it! I protest, but
to no avail.
You will. His blunt self-assurance
baffles me.
They all do. He says, smiling
radiantly. Yes, they all do.
***
Three months later. I suppose I have become an
addict by now. A zealot fiercely embracing a new cause. At first,
I was too suspicious to give up my muscular independence. I
locked my brand new Rep unit away in my night stand drawer. There
it remained enjoying the company of some stale candy bars
and a box of expired preservatives. There it should have
remained. But it didnt. I started to use it. First,
sporadically, as a I taught myself to play the violin, to dance a
fierce tango, to sculpture delicate flowers out of clay
Later, it became a habit. I started using it for the numbing
routines of daily life. To get a good close shave
without cutting my skin to shreds, to brush my teeth without
tiring etc. Outsourcing my manual labour, as I called
it. It was a thrilling experience: my own muscles doing another
mans actions.
Today, I have finally decided to unveil the
secrets of the black disk Carl has given me. Sheryl is
visiting her sister in
I slid the disk into the holder and push the
play-button. Instantly, I feel the software gently
taking over my movements; like an anxious mother guiding her
babys first steps. I feel a kind of elation, as a warm,
throbbing sensation spreads across my lower belly. Suddenly, I
start to speak someone elses words. My vocal cords are
responding to the electric impulses of the Rep Unit.
Hello Richard.
I realize that Ive started talking to
myself. My voice sounds strange, as if Im being
play-backed. I wonder how this
thing knows my
name.
Its me, Carl.
The voice has a mocking, dangerous ring to it. I
start to panic. I want, really want to switch off the
devilish contraption. But I cant. My muscles belong to
someone else. I flutter my eyelids, three times in a row, this is
the standard procedure to shut off a Rep Application gone awry.
It doesnt work. It should have worked.
Do you remember how we were, Richard?
I nod, in mute apprehension. It nods.
You, me and Sheryl. Walking through the
nightly streets, singing serenades to the night. I loved her and
you knew.
It grows angry. I feel it flexing my muscles as if
its about to strike someone. That someone would
be me, I suppose.
The voice continues its spiteful soliloquy.
You chose to ignore our friendship. You took
her away from me. A highborn kinsman.
Im breathing heavily now, sucking in air as
if rescued from an ice-cold sea.
Im frantically thinking up arguments,
excuses, pleading promises I will divorce her
anything I never loved her anyway, brilliant
syllogisms to prove my innocence
I realize its no use
arguing with a machine.
Next week, I will run into Sheryl - a chance
encounter on the street. I will inquire after her general health.
Undoubtedly, she will start talking about you and your untimely
demise. How she misses you. I will comfort her.
Twos always better than three, as I
always say.
I feel his grin on my face.
With a jerk, Im forced to my feet and start
to dance. An unwilling, powerless puppet on a string. Very
slowly, at first - as if my feet are probing the cold floor
before they erupt into a mad, breathtaking pattern. Im a
dervish spinning and flailing my arms in a frantic dance with
Death. And one and two and three and one and two and three
Somewhere, in this broken, tattered body, a vein
has burst, a muscle has stopped its daily toil.
Im not thinking of Sheryl. Nor of my
children. Only of a slogan I once saw in an ad.
Replicator. Where past and future
meet.
Het was allemaal zo onschuldig begonnen. Met een paar lampen in een boom. In de tientallen jaren die aan het incident voorafgingen, waren Fernand Kneutels en Theo Snaters modelburen geweest. Toegegeven, er waren nu en dan wat probleempjes geweest maar alla, in elk huishouden gaat er soms wel een keer iets scheefs, gelijk ze hier zeggen.
Zowel Fernand als Theo waren gepensioneerd. De één was dokwerker geweest, de ander schoolmeester en dat was er onder ons gezegd en gezwegen - ook aan te zien. Fernand was een grote, struise beer van een vent met een wilde weerborstel wit haar en een stem als een misthoorn. Theo daarentegen was een ziekelijk, mager ventje met een ziekenfondsbrilleke en nog meer zenuwtics dan Dustin Hoffman in Rain Man. Ze hadden echter zonder het te weten één ding gemeen: een bazige vrouw die hen het leven zuur maakte. Ze hielden allebei bijgevolg van tuinieren, een hobby die hen een zekere vorm van vrijheid gaf.
De huizen in de Dorpstraat lagen allemaal zon vijf meter van de straat en dat gaf de buurtbewoners voldoende ruimte om hun groene driften te botvieren in het aanleggen en opsmukken van hun voortuintjes. Die van Fernand en Theo waren echte pareltjes. In Fernands voortuintje stond een indrukwekkende, bebloemde Mariagrot centraal, omringd door tientallen gipsen beeldjes. Theo had zijn voortuintje ingericht als een Japanse stadstuin, met een klein vijvertje, omringd door wat bamboe, gietijzeren waterspuwers en enkele fraai getrimde bonzaiboompjes.
Hoewel het nooit met zoveel woorden was gezegd, was er door de jaren heen een zekere rivaliteit tussen beide stadstuiniers ontstaan. Mocht iemand dit ooit in hun aanwezigheid hebben geïnsinueerd, dan hadden zowel Theo als Fernand dat ongetwijfeld ten stelligste en met een geamuseerd glimlachje ontkend. Toch kon niemand eromheen dat beide heren elkaars voortuintje nauwlettend in de gaten hielden.
De hele ellende begon een week voor Kerstmis 1995. Theo had een eenvoudige lampenslinger in één van zijn bonzaiboompjes gehangen. In totaal ging het om niet meer dan tien lampen, maar de kerstdecoratie miste zijn effect niet. De volgende ochtend stoof Fernand als een razende naar de Brico en diezelfde avond hingen er twee lampenslingers rond de top van zijn Mariagrot.
Theo sloeg terug met een felverlichte kerststal, waarop Fernand dan weer reageerde met een levensgrote, staartster in Gyproc. En toen was het godzijdank Nieuwjaar geworden en werden alle kerstdecoraties opnieuw veilig opgeborgen. De rust leek opnieuw te zijn weergekeerd in West-Poelvoorde.
Het jaar daarop opende Fernand de vijandelijkheden. Met een protserige Merry Christmas-dakverlichting, zijn staartster van het jaar tevoren en een plastieken klimkerstman. Theo hing daarop drie klimkerstmannen aan zijn voorgevel en plantte een span lichtgevende rendieren voor zijn vijvertje. Fernand had hard teruggeslagen: met twee extra kerstmannen, een kerststal met een echt schaap en een kindeke Jezus dat begon te wenen als je het hard door elkaar schudde.
De volgende jaren liep de situatie meer en meer uit de hand. Schaarliften werden aangesleept, aannemers onder de arm genomen, greppels uitgegraven en weer opgevuld, wallen opgeworpen en weer platgelegd... Elke winter werden de twee tuinen bedolven onder een lawine van kerstverlichting, kunstsneeuw en opgezette rendieren. Sommige buurtbewoners begonnen zich verontrust af te vragen of de uitbundige verlichting de vliegtuigen uit Zaventem niet in de war zou brengen.
Toen het elektriciteitsnetwerk in de straat onvoldoende bleek te zijn om hun kerstobsessie van stroom te voorzien, overwogen beide buren zelfs even om een windturbine te installeren, maar een klacht van de plaatselijke duivenbond maakte een eind aan de plannen. Uiteindelijk sloegen de vrouwen van Fernand en Theo de handen in elkaar en werden beide mannen met zachte doch kordate hand gedwongen om aan de onderhandelingstafel plaats te nemen...
Het vredesproces verliep aanvankelijk vlotjes. Fernand had zijn opgezette rendieren al opgegeven in ruil voor Theos belofte om zich dit jaar tot één schaap te beperken. Nu moest er alleen nog een compromis worden gevonden over de klimkerstmannen en de lampenslingers. Daar liep het echter fout. Een technische discussie over voltages en lichtmetingen mondde uit in een zware rel en uiteindelijk bleef alles bij het oude.
Op Kerstmis 2000 kwam er een eind de hele flauwekul. Theo en Fernand waren dat jaar elk tot het uiterste gegaan. Het nieuwe millennium kwam eraan en dat moest nu eenmaal in stijl worden ingezet. In Theos tuin bevond zich een levensechte evocatie van de vlucht naar Egypte, inclusief verlichte minipiramides, een levende muilezel en tientallen met de hand gesculpteerde figuurtjes. Fernand had dat jaar als thema de Kindermoord te Betlehem gekozen, met een reusachtige koning Herodes die een gemene bulderlach liet horen telkens er iemand de brievenbus leegmaakte. De hele buurt keek ongeduldig uit naar het einde van de middernachtsmis, want op dat moment zouden Theo en Fernand hun spectaculaire kerstverlichting officieel ontsteken.
Tientallen kijklustigen hadden zich verzameld om het moment de gloire van de beide mannen mee te beleven. Theos echtgenote deelde glühwein en truffels uit en de plaatselijke fanfare waar Fernands echtgenote lid van was - speelde Jingle Bells en iets van Laura Lynn. Zowel Theo als Fernand hadden hun hand op de schakelaar. Om klokslag één uur drukten ze af.
Er gebeurde niets. Beide buren keken elkaar verbouwereerd aan. Het publiek werd onrustig, hier en daar klonk een nerveuze lach. Zowel Fernand als Theo stonden stokstijf. Het rumoer zwelde aan. Theo sprak als eerste.
Zie nu wat ge met uw knoeiwerk hebt bereikt. Heel de boel is om zeep.
- "WABLIEF ?!" bulderde Fernand.
Ge hebt uw aarding niet goed gelegd.
- "WABLIEF ? GIJ durft MIJ ne knoeier noemen?" Fernand was al aardig rood aangelopen.
Ja. Omdat het de waarheid is.
Met een oorlogskreet vloog Fernand op Theo af. Niemand greep in. Daarvoor was iedereen te verrast. In enkele tellen rolden beide buren over de grond, een web van lampjes, slingers en engelenhaar met zich meeslepend. De tengere Theo was duidelijk geen partij voor de veel struisere Fernand. Het gevecht zou dan ook snel geëindigd zijn als Theo zijn handgesculpteerde beeldjes niet had gebruikt om zijn tegenstander enkele rake meppen te verkopen.
En toen gebeurden er verschillende dingen tegelijk. De kerstverlichting floepte zonder aanwijsbare reden aan. Fernand en Theo kwamen met een sierlijke boog in Theos siervijvertje terecht en iemand riep Pas op met die elektriciteit!. En toen viel het licht weer uit.
Zowel Theo als Fernand hadden zware brandwonden over het hele lichaam. Het duurde wel twintig minuten voor de ziekenwagen uiteindelijk ter plaatse was. Dat kwam omdat de ambulanciers naar verluidt tien minuten nodig hadden gehad om te bekomen van het lachen.
En toch. Dit verhaal zou geen kerstverhaal zijn als we het niet positief konden afsluiten...
In het ziekenhuis kwamen Fernand en Theo op dezelfde kamer terecht. Na één dag bitter stilzwijgen raakten beide mannen aan de praat. Na twee dagen wisselden ze al tuintips uit. Na drie dagen was het alsof ze al jaren de beste vrienden waren.
Tot het noodlot opnieuw toesloeg...
Fernands vrouw had een boeketje rozen meegebracht. Om de kamer wat op te fleuren, zoals ze zelf zei. De dag erna bracht Theos vrouw twee potcactussen mee en een pot sanseverias. De volgende dag ...
Enzovoorts enz.
De kamer was sober ingericht. Een tafel en drie stoelen, meer niet. Enkele spaarzame zonnestralen trokken gouden lijnen door de lucht. Over het gepolijste tafelblad heen staarden twee mannen de schrijver aan. Ze waren jong noch oud. Hun gladgeschoren kaken waren vastberaden op elkaar geklemd. Dat was geen goed teken, besefte de schrijver. Hij was een magere, onopvallende man met de grote, ruwe handen van een timmerman. Die hield hij eerbiedig gevouwen. Dit was een belangrijk gesprek.
Sta daar niet zo te staan! Ga zitten, goeie man! brulde de rechtse man hem toe. De schrijver deed wat hem gevraagd werd.
- Goeie mid..., begon hij aarzelend.
Ik vrees dat we nog heel wat te bespreken hebben, jongeman, onderbrak de rechtse man hem abrupt. Hij klonk als iemand die geen tegenspraak dulde. Zijn onderkaak stak licht vooruit, zodat zijn onderste hoektanden steeds zichtbaar waren. Als een valse hond, bedacht de schrijver. Hij was zich nog nooit zo pijnlijk bewust geweest van zijn versleten sandalen en zijn rafelige baard.
***
Hoe zou u zelf uw boek omschrijven? De linkse man klonk een stuk inschikkelijker dan zijn collega.
- "Mystieke non-fictie." Het antwoord kwam er bijna automatisch uit. Ze hadden hem die vraag al zo vaak gesteld.
U begrijpt dat daar de laatste jaren niet zoveel vraag meer naar is? zei Rechts abruupt. Een vraag die er geen was.
Ons publiek wil iets... avontuurlijker, fleemde Links. Smachtende geliefden, een nachtelijke wandeling langs een maanverlichte zee, smeuige scènes in een veld vol bloesems... Begrijpt u dat?
- Niet echt, nee.
Zowel Links als Rechts zuchtten. Het zou een lange nacht worden.
***
Kort samengevat komt het dus hier op neer, vervolgde Rechts zijn betoog, Wij zijn niet zo zeker of er een publiek voor uw boek bestaat. De zonnestralen waren al een tijd lang geleden verdwenen. De nacht hing als een reusachtige inktvlek over de stad.
Wie zou er uw boek moeten lezen? herhaalde Rechts zijn vraag.
- "Iedereen," fluisterde de schrijver beduusd. De vragenkanonnade van de voorbije uren had hem flink uit zijn lood geslagen. Hoewel in de praktijk vooral oudere mensen geïnteresseerd zullen zijn.
De bejaarden? Het gezicht van Rechts klaarde op. Geniaal! Een groeiende markt, mijn beste vriend! De bejaarden zijn de toekomst, zeg ik altijd. Hij stootte Links schalks aan. Die lachte schaapachtig mee.
***
We hebben uw eh... roman voorgelegd aan ons vast leespanel. De joligheid die even op het gezicht van Rechts te zien was geweest, had opnieuw plaats gemaakt voor koele zakelijkheid.
Volgens hen zou er inderdaad een markt bestaan voor uw boek. Rechts liet zijn beringde vingers over het tafelblad glijden. Hij vond het zichtbaar sneu dat hij iets positiefs moest zeggen. Vooral vrouwelijke meerwaardezoekers tussen 55 en 75 zouden geïnteresseerd zijn. Daarom zijn we eerder geneigd van uw boek een kans te geven. Een beperkte oplage, zon 1.000 exemplaren. Maar...
Zijn gezicht klaarde op.
Maar dan moet u wel het slot veranderen, vervolgde hij.
- Hoezo?
In onze branche is er maar één wet, mijn jongen. Links boog zich over het tafelblad, alsof hij een vieze mop ging vertellen. En die is: hoofdpersonages gaan niet dood. De mensen zijn daar God weet waarom - allergisch voor. En zeker nadat ze duizend bladzijden ronkende volzinnen achter de rug hebben.
De schrijver keek hem niet begrijpend aan.
Het einde moet eruit, bedoelt hij. Intelleges?
Rechts genoot van de ontreddering op het gezicht van de
schrijver. De rest van het verhaaltje zit wel snor
een beetje actie, wat drama... Maar het einde moet weg.
- Nee! zei de schrijver onverwacht heftig. Ik denk er nog niet over. De sterfscène is veruit het sterkste stuk. Dat kan ik er toch moeilijk uithalen! riep hij verontwaardigd.
In dat geval is ons gesprek afgelopen. De twee mannen maakten aanstalten om op te staan.
- "Nee, wacht!"
Er klonk paniek door in de stem van de schrijver en dat was zijn gesprekpartners niet ontgaan. Ze keken hem verwachtingsvol aan.
- "We kunnen er toch over praten," stamelde de schrijver. "Misschien kunnen we het op een akkoordje gooien..."
Hij had net een lumineuze inval gehad.
We luisteren. De twee mannen waren weer gaan zitten.
***
Twee uur later stond de schrijver terug op straat. Hij had een fijne, raadselachtige glimlach om de lippen. De sterren boven zijn hoofd hadden er nog nooit zo juist uit gezien, de nacht nog nooit zo vertrouwd. Toegegeven; de besprekingen waren moeizaam gelopen en hij had het slot flink moeten wijzigen maar dat werd ruimschoots goedgemaakt door het Contract, dat in zijn linkerzak stak.
Duizend denariën! Zoveel geld had hij in zijn hele leven nog nooit bij elkaar gezien. Dat bedrag moest hij wel delen met zijn drie co-auteurs. Die zaten zich nu ongetwijfeld te bezatten in het drankhuis naast de synagoge.
***
Walmende olielampen verlichtten de kleine ruimte. Aan enkele ruwe houten tafels zaten nog enkele late stamgasten. De schrijver was net binnengekomen en had zich bij een andere man gevoegd, een mollige vijftiger met een leger lege bekers voor zich uitgestald. Wel Lucas, hoe zit het nu met je boek? vroeg de man met pretlichtjes in zijn ogen. Niet slecht, antwoordde de ander ontwijkend. Ze hebben wat aan het slot zitten sleutelen, maar al bij al is de schade beperkt gebleven. Waar zijn de anderen, trouwens?
Geen idee. Marcus is heel even langs geweest. Hij vroeg naar jou. Maar waar Matteus en Johannes uithangen, dat ik het bij God niet weet!
Dominiek Biebau 9/12/04
"Getver! Meneer Claessens vloekte. Hij stond tot aan zijn knieën in het water. De hoofdleiding had het een half uur geleden begeven, een gebeurtenis die de hele kelder had blank gezet. Enkele welgemikte tikken met de hamer hadden de hele situatie alleen maar verergerd. Meneer Claessens schudde zijn hoofd en klopte daarna op zijn vingers.
Getver! Getver! Hij zoog op zijn gezwollen rechterduim en riep toen de toverformule die alle getrouwde mannen in zon geval gebruiken.
Schaaaa-aaaat!
Marijke hoorde haar man tekeergaan in de kelder. Ze had ook zijn speciale stembuiging opgemerkt die alle woorden een extra lettergreep gaf. Schaa-aaat! Marij-ijke! Dat was een slecht teken. Vanavond zou meneer Claessens weer te veel drinken. En dan...
Ach, alles welbeschouwd, kon het Marijke bitter weinig schelen wat haar echtgenoot die avond zou uitvreten. Vandaag nam ze vrijaf. Voorgoed.
***
Een broeierige zomeravond, een twintigtal jaren geleden. Een goedkoop hotelletje aan de Judengasse in Wenen, met brandgaten in het tapijt en haarballen in de douche. Ze lagen samen in bed, haar voeten tussen die van hem. Eén van die momenten die ze later als geluk zou definiëren. Toen op dat ongrijpbare, magische moment - had Marijke haar diepste wens onthuld.
Karel, ik wil een kind.
Tot haar grote verbazing had Karel haar klamme, zachte lichaam niet van zich afgeduwd. Hij had haar zelfs niet zijn zotte meid genoemd, zoals hij wel vaker deed. Nee, hij was begrijpend en teder geweest. Hij had haar in zijn armen genomen en ze hadden gevreeën. De ochtend erna had ze haar pil in het toilet gegooid. Net als de volgende dag en. De eerste weken had ze vaak urenlang voor de spiegel gestaan, op zoek naar een eerste zwelling, een eerste vlek. Tevergeefs. De lege doosjes van de zwangerschapstests stapelden zich op in het vuilnisbakje op hun badkamer.
Alles bij elkaar hadden ze er drie jaar in geloofd. Drie jaar waarin ze hadden gedacht dat het wel goed zou komen. Waarin ze hadden gebeden en gehoopt. Tevergeefs. Karel was zelfs naar het ziekenhuis geweest om zich te laten onderzoeken. Daar hadden ze hem verteld dat zijn zaad onvruchtbaarder was dan een glaasje Perrier. Ze zouden nooit kinderen krijgen.
***
Als Marijke er goed over nadacht, was alles vanaf toen anders geworden. Karel was bitsiger geworden, afstandelijker ook. En ook zijzelf was langzaam, in duizenden kleine fases, de vrouw geworden die ze nu was. Iemand voor wie verdriet een stille, verschrikkelijke routine geworden was. Toch was ze niet de enige die leed. Die gedachte hield haar recht. Ook Karel had zijn deel gedragen, daarvan was ze overtuigd. Zo waren ze stilaan van minnaars veranderd in twee stille martelaars, die meer naast dan mét elkaar leefden.
***
De herinnering aan hun eerste jaren samen deed haar glimlachen. De oorzaak voor haar plotse opgelatenheid kon natuurlijk ook bij de tranquilizers liggen, waarvan er nu drie doosjes op livingtafel stonden uitgestald. Net een uitstalraam van een apotheek, bedacht ze. Ze giechelde als een meisje. Jan Theys en twee dozen Dafalgan. Zouden er kinderen in de hemel zijn? Even later plooide haar frêle lichaam zich samen en viel met een onhoorbare klap op de grond. Een klein straaltje bloed stroomde uit haar mond en vormde een plasje op de beukenhouten plankenvloer. Toch iets dat zij niet moest opruimen. Dat was haar laatste - triomfantelijke - gedachte.
***
"Schaa-aa-aa-aat!"
Het woord had al vier lettergrepen gekregen - een absoluut record - toen meneer Claessens besloot zijn vrouw zelf op te gaan zoeken. Als mohammed niet etc...
"Die moslims hebben dan toch nog één goed idee gehad," dacht hij, toen hij vol opgekropte razernij de woonkamer binnenstormde.
***
Meneer Claessens scheurde met trillende vingers de envelop open die op de salontafel lag.
"Voor mijn man," had ze erop geschreven. Marijke Claessens was misschien snel een oude vrouw geworden, maar haar handschrift was nog steeds dat van een tienermeisje, met ronde, overvloedige lussen en grote bollen op de i's.
Karel,
een leven zonder kinderen heeft geen zin. Het
spijt me.
Marijke.
***
Karel - meneer Claessens - begroef zijn hoofd in zijn handen. Hij probeerde niet - vooral niet - te denken aan die ochtend in augustus zo'n 22 jaar geleden. "Permanent of tijdelijk?" had de chirurg hem gevraagd, "U weet nooit of u..." "Permanent," had Karel hem op het hart gedrukt. Dat had hem toen de beste oplossing geleken.
Meer
inzoomen op de tieten!
Godverdomme. riep de regisseur in zijn headset. Ik
wil ze kunnen voelen, als sappige, pas geplukte advocados,
als romige melocakes in de versafdeling, als... Zijn
assistent veegde de druppels speeksel van zijn monitor. Hij deed
dat met de afgemeten gebaren van iemand die gewend is om alle
soorten lichaamssappen van alle soorten lichaamsdelen en alle
soorten meubilair af te vegen. Ze noemden zijn baas niet voor
niets Gilles de La Tourette.
***
En Leyas vloeiende kontbeweging,
hebben we die? De regisseur schuimbekte nu bijna.
Hebben we die? brieste hij. JA OF NEE? De
cameraman overwoog even om op te merken dat het god kust
mijn kloten niet simpel was om de twee gevraagde
lichaamsdelen tegelijk in beeld te brengen, maar deed er
uiteindelijk het zwijgen toe. Soms wou hij dat hij ver
hiervandaan was. Aan één of ander exotisch strand, met Roos van
Acker op stand-by. Of in een ingesneeuwde berghut met de hele
vrouwelijke cast van De Dingen des Levens. Jodela- Zijn
koptelefoon kraakte. Back to reality. Zucht.
***
Wie is die man? Ik herhaal WIE IS DIE MAN-
haal hem daar weg NU NU! De productie-assistent had een
potje Paracetamol bij voor noodgevallen. Hij draaide het
dekseltje alvast los. Die man is onze premier,
antwoordde hij droogjes. Hij is diegene die vandaag de
begroting gaat uitleggen. En het is niet Leya, maar Freya.
***
***Deel
1***
Een talent, zo zou je het kunnen
noemen. Ik noem het eerder een vloek. Welke omschrijving de
juiste is, zal de tijd moeten uitwijzen.
Het zit
namelijk zo: ik ruik het kwade in elke mens. Punt. Meer valt er
eigenlijk niet over te vertellen. Net zoals speciaal getrainde
honden truffels kunnen opsporen, zo kan ik de rotte plekken in
ieders ziel detecteren, het stukje Satan dat ieders wil
regeert... Het Kwade heeft namelijk een geur.
U denkt nu
waarschijnlijk "Mij hebben ze al grotere onzin proberen wijs
te maken..." Toch wil ik u met aandrang vragen - ik zou u
smeken als me dat niet nog gekker zou laten overkomen - dit
verhaal niet weg te lachen en uw wantrouwen achter te laten aan
de poorten van dit verhaal. U bent mijn jury.
Ik moet
ongeveer zeven zijn geweest toen ik voor het eerst besefte dat ik
anders was dan de mensen die mij omringden. Op een mooie zomerdag
- schijnt de zon niet altijd in onze kinderherinneringen ? - had
ik me samen met mijn buurjongen, Stef, die een halfjaar jonger
én een kop groter was dan mezelf, gewijd aan één van de vele
nutteloze bezigheden die een kindertijd zo aangenaam maken:
zandtaarten bakken. We hadden al enkele tientallen exemplaren in
onze zandbak uitgestald toen ik een opvallende, vreemde geur
gewaar werd.
Later zou ik
de geur leren omschrijven als "mierzoet, met een toets
bedorven vlees", maar toen - als klein kind - kon ik de
sensatie alleen maar als "vreemd" bestempelen. Ik
sprong uit de zandbak en volgde behoedzaam het pad dat de geur
voor me had uitgestippeld. Ik voelde me net Old Shatterhand, de
mythische spoorzoeker uit de boeken van Karl May. Na een tijdje
kon ik de bron van het vreemde aroma lokaliseren: het huis van de
buren, meerbepaald hun garagebox.
Net op dat
ogenblik reed het lokale Ijsboerke voorbij, een gebeurtenis die
normaal gezien het hoogtepunt van de dag betekende. Een
kindergeest is gauw afgeleid en nauwelijks enkele minuten later
was ik weer met een dodelijk sérieux taarten aan het bakken -
dit keer mét vegen chocoladesaus op mijn wangen. Waarschijnlijk
was het hele voorval dan ook zonder gevolg gebleven, als er
diezelfde dag niet iets gruwelijks en tegelijks fascinerends was
gebeurd.
Mijn
buurjongen Stef ontdekte die avond het naakte lijk van zijn
moeder in de garage. De vrouw was eerst uitvoerig met een
heggenschaar bewerkt en daarna gewurgd met haar eigen
nylonkousen. Niemand in de buurt had iets opgemerkt. Niemand had
iets gehoord. Alleen ik. Ik had de moordenaar en zijn sadistische
genot geroken.
Ik heb Stef nadien nooit meer gezien.
***
De ontdekking van mijn "gave" gooide mijn hele leven door elkaar. Die vreemde, kokhalsende geur die ik die bewuste dag had geroken werd een obsessie voor mij. Ik deed er alles aan om die vreemde, unieke sensatie die ik even had gevoeld - die me weliswaar deed huiveren tot in het diepst van mijn ziel - opnieuw mee te maken. Toen ik achttien werd, besloot ik criminologie te studeren in Leuven. Mijn kot lag niet ver van de Centrale Gevangenis, iets wat ik bewust zo geregeld had.
Elke avond, rond elf uur - als de burgers al gaan slapen waren en de studenten nog aan hun boeken kleefden -, begon ik aan mijn vaste ritueel. Ik wandelde langzaam voorbij de massieve gevangenispoorten, terwijl Ik hield ervan om 's avonds langs Leuven-Centraal te en liep. En zo leerde ik - stap voor stap - de nuances van de Geur herkennen en beschrijven. Ik leerde het verschil tussen moord en verkrachting duiden. Tussen intentie en daad. Tussen razernij en koele berekening. Zo werd ik langzaam de persoon die ik nu ben: de Neus, een vleesgeworden chromatograaf met maar één doel: geuren opnemen, analyseren en dissecteren tot ze elk hun eigen verhaal prijsgaven.
Mijn buitensporige interesse voor de donkere kanten van de menselijke ziel was ook mijn medestudenten niet ontgaan. Voor hen was dat voldoende reden om me te mijden als de tering. Mijn enige vrienden waren dan ook mijn boeken, die ik - bij gebrek aan een boekenkast - in mijn toilet opstapelde. Mijn melancholische ingesteldheid en mijn honger naar een dieper inzicht in de menselijke ziel, dreven me al snel naar de Russische klassiekers. Dostojewski, Tolstoj, Gogol en Gontsjarev... Allemaal werden ze vaste stamgasten op mijn kot. Urenlang zat ik met hen op het toilet, soms zo lang dat mijn benen begonnen te "slapen" zodat ik mijn verblijf op de pot soms noodgedwongen nog wat moest rekken.
Al die literaire interesse betekende uiteindelijk de doodsteek voor mijn academische ambities. Ik zat dan wel met mijn neus in de boeken, maar dan wel in de verkeerde en dat vertaalde zich in ronduit rampzalige examens. Na mijn examen filosofie (waarbij ik erin geslaagd was Descartes te citeren als "sum ergo cogito") hield ik de eer aan mezelf en ging, met mijn examenkostuum nog aan, linea recta naar het Leuvense VDAB-kantoor. Daar voederde ik mijn povere curriculum aan één of andere databank, vulde een nutteloze vragenlijst in en slofte moedeloos naar mijn kot, waar ik een tijdlang overleefde op een dieet van Suzy-wafels en Actimel. Pas na één week had ik voldoende moed (en honger) bij elkaar gespaard om de confrontatie met mijn ouders aan te gaan.
Zowel vader als moeder reageerden op de ergst mogelijke manier op mijn jammerlijke falen: met Begrip. Ze drukten hun berouwvolle zoon aan hun hart en lieten hem beloven het volgend jaar beter te doen. Tevergeefs: ook het jaar daarop buisde ik royaal, waarop mijn vader - die toen al iets minder begrijpend was geworden - me dwong om werk te zoeken.
***
Het concept "werk" was iets nieuws voor mij. Arbeid verrichten in ruil voor valuta, het was nooit eerder in me opgekomen. Dat was me blijkbaar ook aan te zien, want na acht maanden intensief solliciteren stond ik nog altijd even ver als daarvoor: op straat. Uiteindelijk was het één van mijn vaders zakenrelaties die mij in dienst nam (waarschijnlijk had de man nog enkele schulden bij mijn vader uitstaan). Zo werd ik nachtportier bij het transportbedrijf Euroflux. Die job was mij op het lijf geschreven, aangezien het werk vooral bestond uit wachten. Wachten op leveranciers, op dieven die nooit kwamen (Euroflux zat in de financiële problemen en daarom viel er bitter weinig te rapen), op de ochtendploeg die me kwam aflossen etcetera. Tijdens mijn lange nachtwakes vierde ik mijn leeslusten bot, zodat ik al snel de reputatie had "een raren" te zijn. En toen gebeurde er iets dat mijn leven veranderde...
***Deel 2 ***
"Bosmans, gij kent iets van Rusland hé?" Onze afdelingschef Vermeulen deed het woord "Rusland" klinken alsof het een soort builenpest was. Hij was zelf een overtuigde Vlaams Blokker en wantrouwde dan ook alles wat niet uit zijn geboortedorp, Oeselgem, afkomstig was. Hij stond vlak voor de balie, een uitdagende glimlach om zijn mondhoeken gekruld.
"Ja, chef." Het enige antwoord dat Vermeulens beperkte hersenen konden - en wilden - verwerken.
"Wel, dan heb ik een mooi werkske voor u." De sneer zond Vermeulens mond breidde zich uit en bereikte nu ook zijn ooghoeken. Hij gooide een bundeltje glanspapier op mijn bureau en liep verder - zachtjes giechelend om een grap die alleen hij scheen te begrijpen.
Met een zekere weerzin - wat van Vermeulen kwam, kon alleen maar slecht nieuws betekenen - nam ik het bundeltje en begon erin te bladeren. Het bleek om een vierkleurenbrochure te gaan van één of ander welbekend instituut voor Volwassenenonderwijs. Het soort tekst waarin mensen een perfecte kennis van deze of gene taal, breitechniek of computertoepassing wordt beloofd "en dat in amper tien uur tijd". Ik liet mijn ogen moedeloos over de slecht gelayoute tekst dwalen, terwijl ik me koortsachtig afvroeg wat mijn werkgever met dit "cadeau" kon bedoeld hebben.
Ik had net besloten dat het om een slechte grap van Vermeulen ging, die me op deze manier nog eens extra wou treiteren, toen er een knalgeel post-itje uit de brochure viel. "Russisch voor Beginners - Module 1, dinsdag a.s. om 20u. aanmelden. Gelieve schrijfgerei mee te brengen."
Ik had al eerder geruchten opgevangen dat de Euroflux-directie plannen had om uit te breiden richting Oost-Europa, maar had er nooit bij stilgestaan dat dit ook voor mij gevolgen zou hebben. Na enkele minuten piekeren besloot ik dat dame Fortuna me voor één keer niet ongunstig gezind was en dat ik dus best maar blij kon wezen. Ik glimlachte. Voor het eerst in een hele lange tijd.
***Deel 3***
We waren met zijn twaalven. Ik had de avond ervoor mijn oude pennenzak ("Bosmans is een uil" had één van mijn vroegere klasgenootjes erop geschreven - de inkt ging er heel moeilijk af) terug opgediept, samen met een half opgebruikte cursusblok. "Cursus Russisch" had ik op het eerste blad geschreven. Met daaronder een barokke krul.
Vol argwaan bekeek ik mijn medestudenten, die zich net als ik voor de ingang van het Adlers taleninstituut hadden verzameld. Het taleninstituut bleek in een prozaïsch rijhuis te zijn gevestigd, waaraan maar één ding ontbrak: een bordje met daarop "Onbewoonbaar verklaard sinds..."
Aangezien er nergens een bel te bespeuren viel en herhaaldelijk geklop niets opleverde, waren we op de stoep samengetroept, vrolijk keuvelend en sigaretten uitwisselend, alsof het visitekaartjes waren. De meesten van mijn medestudenten zagen er - tot mijn grote ontgoocheling - net uit zoals ik: beduimelde figuren, half opgebruikt door een leven dat eigenlijk nog moest beginnen. Iedereen, behalve Linda en Jan.
Jan en Linda zagen er altijd uit alsof ze net een cruise naar de Caraïben achter de rug hadden: bruinverbrand met bulkende spieren, glimmend rode lippen met daartussen twee rijen stralend witte tanden. Ze waren bovendien - en dat maakte hun perfectie pas helemaal ondraaglijk - na vijf jaar huwelijk nog altijd smoorverliefd op elkaar.
Hoewel ze overduidelijk mijlenver van mijn leefwereld afstonden, raakten Jan en Linda een gevoelige snaar in mijn gemoed. Ik besloot me over hen te ontfermen, zoals je dat met een gewonde puppie doet. Waarom ik dat deed; weet ik nog altijd niet. Misschien omdat ze voor mij symbool stonden voor een onschuld, die ik - op de één of andere manier - was kwijt geraakt.
***
"Goeienavond, kameraden!" Iets wat op een ingeduffelde grizzlybeer leek, voegde zich bij ons groepje. "Vladimir, aangenaam!" toeterde de verschijning in mijn rechteroor. Nog voor ik een antwoord kon formuleren, had de man - want dat bleek het te zijn - me bij de elleboog genomen en het Adler Taleninstituut binnengeloodst.
Vladimir, onze docent, was alles wat een Rus moet zijn: hij had de schouders van een os (volgens Jan moest je minstens een breedhoeklens hebben om hem te fotograferen), de ondoorgrondelijke trekken van een filosoof en een baard waarin je een hele familie muizen in kwijt kon. Hij bezat bovendien een onuitputtelijke voorraad wrange moppen over zijn vaderland.
Het hoeft dan ook geen verbazing te wekken dat ik me de eerste lessen bijzonder goed amuseerde. Samen mijn nieuwe vrienden, Jan en Linda, zat ik altijd op de eerste bank in het slechtverlichte en muf ruikende lokaaltje dat het Adler Instituut ons elke woensdagavond ter beschikking stelde. Eén verdieping lager zaten de cursisten Engels voor Beginners in royale, van alle elektronische snufjes voorziene en goed verluchte aula's; maar dat liet me Siberisch koud. Voor het eerst in mijn leven voelde ik me ergens thuis.
***
De ijsgrotten
van Kungur. Dat was de reden waarom Jan en Linda elke week trouw
hun portie Russisch kwamen opsnuiven. Een grottencomplex met zo'n
100 met ijs bedekte spelonken en 36 ijsmeren, aan de voet van de
Oeral. Veel geologen noemen de grotten het achtste wereldwonder,
met hun meterslange ijskristallen, adembenemende stalactieten en
stalagmieten en rotsformaties... Gefrequenteerd door toeristen en
speleologen uit de hele wereld. Tot die laatste categorie
behoorden ook Jan en Linda...
Jan en Linda
waren al een achttal jaren fervente amateurspeleologen. Op de
hele planeet waren er weinig grotten die hen nog niet op bezoek
hadden gehad. De Karstgrotten in Slovenië met hun wonderlijke
druipsteen-formaties, de donkere spelonken van Matese, de
Bezeklik in het barre Noorden van China, met zijn boeddhistische
schilderingen ... Over elk van hen konden Linda en Jan urenlang
uitwijden, daarbij puttend uit een onbegrensde voorraad
anecdotes, griezelverhalen en herinneringen.
Ook de
Kungur-grotten stonden al lang op hun verlanglijstje, maar tot nu
toe hadden Jan en Linda hen links laten liggen - de lokale gidsen
waren uitsluitend het Russisch machtig, en zo'n
communicatiehandicap kon het verschil betekenen tussen leven en
dood. De taalcursus zou daar verandering in brengen.
***
Speleologie
werd al snel het centrale thema van elke Russische les. Vladimir
was afkomstig uit de stad Perm, die op "amper" honderd
kilometer van de Kungur Grotten lag en toen hij over Jans en
Linda's plannen hoorde, vulde hij het merendeel van zijn lessen
met woordenschat en uitdrukkingen die vooral amateur-speleologen
van pas konden komen, maar de andere 99,9% van de wereldbevolking
slechts matig konden bekoren. Protesten van de andere cursisten
werden echter snel en vakkundig met Russische grootmoedigheid
onder de mat geveegd.
Zo kwam het
dat onze cursistengroep al na enkele weken fel gedecimeerd was.
Behalve ik, Jan en Linda kwam er al snel geen kat meer naar de
lessen. De teruggelopen interesse voor zijn vak leek Vladimir
niet in het minst te deren. "Beter één vogel in de
hand, dan tien luizen in mijn haar," antwoordde hij
cryptisch, toen ik hem vroeg of hij dat niet spijtig vond, zo'n
ingekrompen leerlingenbestand. Toch moet er hem iets hebben
gestoord, want de uitbundige stemming van de eerste weken was
merkbaar grimmiger geworden. Vooral tussen Jan en Vladimir scheen
het de laatste tijd niet meer te boteren. De Rus had zijn oog
laten vallen op Linda en dat zinde Jan niet (en dat is nog licht
uitgedrukt). De twee mannen voerden elke les een onzichtbare,
maar daarom niet minder felle strijd, om Linda's aandacht.
***
"Links is ????? - PRAAA - VOO.," zuchtte
Vladimir met de uitdrukking van iemand die voor een vuurpeloton
staat. "Voor de duizendste keer: met een lange
-aaaaaaaaaaa." Met driftige halen onderlijnde hij het woord
op het bord.
- "PRAFFO," herhaalde Jan slaafs.
"Te kort!"
Vladimir liep rood aan, zodat zijn hoofd op een tomaat met
baardgroei leek.
"Je let niet op! Je spreekt nog slechter dan een Oekraïense
boer met kiespijn!"
- "Dan ligt dat enkel en alleen aan jouw manier van
lesgeven!" kaatste Jan de bal terug.
De discussie zou onwaarschijnlijk de hele avond hebben vergald
als Linda beide kemphanen niet had afgeleid.
"Links is dus PRAAA - VOO. Maar hoe zit dat nu met
rechts?" vroeg ze met gespeelde onschuld.
- "Dat is ?????." De lesgever in Vladimir had het
gehaald van het mannetjesdier. "VLEE - VOO. Met lange -ee-
en lange -oo-." Hij schreef beide woorden een tweede maal in
grote letters op het bord, met daarnaast hun vertaling.
????? links
????? rechts
De rust leek opnieuw teruggekeerd.
En toch... Voor het eerst was er een barst in in onze kleine,
vredige taalgemeenschap verschenen. Meer nog, voor het eerst in
lange tijd was er opnieuw een oude bekende in mijn leven
verschenen: de Geur. Zo onopvallend en subtiel dat het aroma me
bijna was ontglipt, maar desaltniettemin stond het voor me vast.
Iemand beraamde een moord.
Vanaf die avond liet de Geur me geen seconde meer alleen. Mijn nachten en mijn dagen werden door boze dromen geteisterd, als door een zwarte schaduw die alle kleuren, smaken en geluiden uit mijn leven opslokte. Ik voelde me rot. Even overwoog ik zelfs om mijn lessen Russisch stop te zetten en mijn onbezorgde leventje te hervatten. Uiteindelijk besloot ik dat niet te doen. Afzijdigheid zou me medeplichtig maken aan de misdaad die te
gebeuren
stond. Zo kwam het dat ik de volgende dinsdagavond opnieuw voor
de poort van het Adlers taleninstituut stond. Noch Jan, noch
Linda waren er. Dat feit alleen al maakte me rusteloos. Ik stak
een sigaret op om de kille decemberlucht te verdrijven. Speelse
rookcirkels stegen hemelwaarts.
"Ha die Karelski!" Vladimirs basstem doorsneed de avondstilte als een plak zachte boter.
"Je
ziet er zo beduusd uit," ging de Rus joviaal verder.
"Is er iets?" Ik deinsde instinctief terug. De Geur
hing als een onzichtbare mantel rond de gestalte van de Rus. De
geur van intentie. Ik slaakte een zucht van verlichting. Dat
betekende dat er nog niets onomkeerbaars was gebeurd. Net op dat
ogenblik kwamen Jan en Linda aangewandeld. Zij met de elegante
stapjes van een mus. Hij met de grote, zelfverzekerde passen van
een panter.
De
les van die avond verliep in een opperbeste stemming. Vladimir
spuide schuine moppen als vanouds, Linda en Karel waren vooral
verliefd en ik, ja, ik was gewoon mijn riendelijke, zij het wat
warrige, zelf. En toch. Ergens voelde ik dat het die avond de
laatste keer zou zijn dat we allemaal samen waren.
***
"Wanneer vertrekken jullie nu eigenlijk?"
- "Naar huis?"
"Nee. Naar Rusland."
- "Ah, dàt." Jan zette zijn Guinness zachtjes neer op
het kleverige tafelblad.
"Zodra
de lessen voorbij zijn."
We zaten met ons drietjes in The Corner, een Ierse pub op twee
straten van
het Adler Instituut. De rokerige gelagzaal - met de
onvermijdelijke vergeelde
foto's van The Dubliners en James Joyce aan de muren- was een
beetje onze
tweede thuis geworden, onze vaste après-les pleisterplek.
"Zouden jullie niet vroeger vertrekken?"
- "Hoe bedoel je?"
Jan keek me vragend aan.
"Wel... eh..."
Ik aarzelde. Wat ik nu ging zeggen, moest perfect zijn. Elk woord
moest het
juiste zijn. Anders zouden de gevolgen catastrofaal zijn.
"Januari is normaal de rustigste maand in Rusland," zei
ik zelfverzekerd.
"De Russen zelf hebben hun geld erdoor gejaagd tijdens de
eindejaarsfeesten
en blijven daarom thuis. En de toeristen, die hebben het dan te
druk met
skiën in Oostenrijk en aanverwanten. Kortom, januari is de
ideale periode
om Rusland te verkennen."
Ik loog zo hard dat ik ervan overtuigd was dat de hand Gods me
ter plekke
zou neermaaien. Er gebeurde niets. Mijn motieven waren dan ook
zuiver:
Jan en Linda zo snel mogelijk het land uit krijgen, zodat ze
veilig waren voor
de snode plannen van Vladimir.
Ik was briljant. De woorden stroomden uit mijn mond en weefden
een net
van leugens en halve waarheden rond Linda en Jan. Dat alles met
slechts
één boodschap: "Verlaat dit land! NU!" Ik had het zo
graag willen
uitschreeuwen, maar ik vreesde dat Linda en Jan me dan - net als
mijn
studiegenoten dat hadden gedaan - voor een gek zouden verslijten
en me
nooit meer zouden willen zien. En dat wilde ik niet.
Tot mijn grote verbazing slikten Jan en Linda mijn leugens als
zoete koek.
Elke letter, elk woord... Ze geloofden het alsof het gedrukt
stond. Die
naïviteit deed me nog meer van hen houden.
Op het einde van de avond had ik Jan en Linda zover gekregen dat
ze al de volgende dag een vlucht naar Moskou zouden boeken. Met
een gelukzalig gevoel trok ik die nacht naar mijn flat. Uitgeput
maar dolgelukkig legde ik me op mijn bed, een gelukzalige
glimlach rond mijn mond. Ik had die avond namelijk een
mensenleven gered.
***
"Een goeie reis!" riep ik hen achterna. Zonder omkijken
stapten Jan en Rita door de gate. Op weg naar twee maanden
avontuur. Ik deed mijn best om geen tranen te laten vloeien. Ik
voelde ook een steek van jaloezie. Even daarvoor had ik Linda een
dikke knuffel gegeven. De zoeterige geur van haar parfum - Flower
van Kenzo - hing nog in mijn kleren. Ik besefte met een vaag
schuldgevoel dat ik vooral hààr zou missen.
***
De weken daarop ging ik elke week trouw naar de Russische les. Zo
wou ik
me ervan verzekeren dat Vladimir het koppeltje niet zou achterna
reizen. De Rus reageerde merkwaardig kalm op het plotse vertrek
van zijn prooi. Hij glimlachte zelfs toen ik het hem vertelde. Ik
kon me niet van de indruk
ontdoen dat hij me stilletjes uitlachte, maar wat me nog het
meest
verontrustte was de Geur: die bleef even nadrukkelijk aanwezig
als tevoren.
Vreemd.
In het begin van hun reis hielden Linda en Jan me dagelijks per
mail op de
hoogte van hun exploten in Rusland. Jans korte, zakelijke mails
wisselden af met die van Linda: lange, poëtische teksten, die me
keer op keer deden
glimlachen.
De laatste mail die ik ontving, ging over de Kungur-grotten.
Linda beschreef in ronkende volzinnen hoe ze zich klaarmaakten om
de volgende dag de grotten te verkennen. Beiden keken daar erg
naar uit. Het ging tenslotte om het hoogtepunt van hun vakantie.
"We voelen ons als twee kinderen die voor het eerst op
schoolreis gaan," schreef ze. Het was de laatste zin die ik
ooit van hen te lezen kreeg.
Ze zag er goed uit. Ik was haar een kwartier geleden in een overvolle
Veldstraat tegen het lijf gelopen. Nu zaten we samen onwennig aan
een gammel tafeltje in een tearoom waar de gemiddelde leeftijd
van het clientele een stuk boven de zeventig lag. Neutraal
terrein.
Ik was haar bijna straal voorbijgelopen. Pas toen er een blik van
herkenning door haar ogen gleed; had ik haar herkend. Linda. De
vele vragen die ik haar al die tijd had willen stellen, kwamen er
in een licht samengevatte vorm uit. "Hoe gaat het?" Ik
had twee jaar niets van hen gehoord.
Ze draaide haar gezicht even weg, zodat de zonnestralen haar
perfecte, Griekse profiel deden oplichten.
- "Hij is dood."
Haar onderlip trilde toen ze het zei. Ik bewonderde haar voor
haar zelfbe-heersing. Zelf voelde ik hoe mijn maag zich tot een
loden bal samenkneep.
- "Maar ...hoe?"
"In Rusland."
Ik kromp in elkaar. Mijn vragende blik deed haar verdergaan.
"De Kungur-grotten. Jan was zo blij als een klein kind toen
we er eindelijk aankwamen. Hij droomde er al van sinds zijn 12
jaar om door die donkere, mysterieuze gangen te wandelen.
Speleologie was zijn leven."
Ze slikte.
"En zijn dood."
Ik bestelde nog twee espresso's. Ze liet de hare onaangeroerd
afkoelen.
"Ze laten je alleen de grotten ingaan, met een zendertje en
een koptelefoon. Spitstechnologie. Om het "echter" te
maken. Zonder gidsen die in de weg lopen of de stilte verknallen.
Ik liet hem als eerste gaan. Ik wou zijn droom niet
afpakken." Er blonk een traan in haar ooghoeken.
"Ik zat naast de operator, die Jan instructies gaf. In het
Russisch. Vooruit. Achteruit. Links. Rechts. Daal hier af, kijk
hier omhoog. Geniet van het uizicht daar. Enzovoort. Redelijk
amateuristisch eigenlijk." Een treurige glimlach brak haar
gezicht open.
"Het liep al na drie kwartier mis. Jan moet ergens een foute
afslag hebben genomen. Hij kwam rotsformaties tegen die hij niet
had mógen tegenkomen, kruiste beekjes die nergens stonden
aangegeven. Kortom, hij was verdwaald."
Ik voelde hoe de onvermijdelijke afloop me als een gifslang
besloop. Klaar om elk ogenblik toe te slaan.
"Ik kan de plaatselijke autoriteiten niets verwijten. Het
complex telt meer dan 3.000 grotten.En we wisten niet wààr hij
fout was gelopen. Al na één uur verloren we elk contact. De
reddingsteams zochten maar vonden niets. Geen enkel spoor. Niets.
Ze zeggen dat een mens niet langer dan acht uur in de grotten kan
overleven. Dat je daarna gek wordt van de lucht die er
hangt."
En toen begreep ik het. Moord. Het laatse puzzelstuk was op zijn
plaats gegleden. Een geniale, misschien wel perfecte, misdaad.
Ondanks het afgrijzen dat ik voelde, kreeg ik ook respect voor de
man die het brein achter dit alles was. Al even geniaal als
gestoord. Vladimir. Ik moest alleen nog...
We namen afscheid.
"We moeten nog eens afspreken," zei ze.
We wisten allebei dat we elkaar nooit meer zouden zien; toch
wisselden we halfhartig onze gsm-nummers uit. Ik keek hoe ze
parmantig de straat uitwandelde. Een knappe vrouw. Ze zwaaide
naar iemand, als een klein, verliefd meisje en wandelde een
zijstraat in. Ik beeldde me in hoe ze een brede, bebaarde man
omhelsde en draaide me om. Door de Gentse straten waaide de Geur
me tegemoet. Schuld. Ik moest nog één ding doen.
***
De eigenaar van de plaatselijke De Slegte keek verrast op toen ik
binnenkwam. Normaal kwam ik alleen op maandagen langs, want dat
was mijn vrije dag. Bij de afdeling Woordenboeken bleef ik staan.
En daar vond ik wat ik zocht, op pagina 1248 en 1607 van Dr. W.
Honselaars Groot Russisch-Nederlands Woordenboek.
????? rechts
????? links
Geniaal. Maar ook gek.
***
Bijna elke nacht. Zo vaak denk ik eraan om haar te bellen. Om
haar alles te vertellen en de leugen waarin ze leeft eindelijk te
doorprikken. Dan zoek ik haar nummer op mijn gsm en sta ik op het
punt te bellen. Op één vingerdruk van de waarheid.
Maar ik kan het niet.
Er
was eens. Zo beginnen veel
sprookjes. Er was eens een te magere, bleke puber met zoveel
jeugdpuistjes dat zijn hoofd op een reusachtige aardbei leek. Die
jongen was ik. En er was eens een meisje dat zo preuts en
verlegen was dat ze zelfs bang was om naar het toilet te gaan.
Dat meisje was jij.
De jongen en het meisje leefden heel wat jaren zonder dat ze ook
maar van elkaars bestaan afwisten. Ja, ze waren perfect gelukkig,
hij met zijn aardbeienkop en zij met haar knuffelberen die
eerbiedig rond haar meisjesbed op wacht stonden. De jongen
studeerde hard en ijverig en droomde over een wereld zonder
jeugdpuistjes en pestkoppen die hem aardbeikop
noemden. Het meisje las in het geniep boeken met titels als
Liefde op de taïga of Passie op de bus.
Die verstopte ze tussen de cursussen psychologie die langzaam de
knuffelberen begonnen te verdringen.
En toen. Het moet wel toeval geweest zijn. Op een dag die niet
mooier of anders was dan alle andere dagen van dat jaar, op de
lelijkste en banaalste plaats dan nog wel die deze planeet kent:
het Wijnegem Shopping Center, daar leerden jongen en meisje
elkaar kennen.
Waarom ben je me toen niet straal voorbij gelopen?
En hoe gaat dat? Een lach, een blik en de wereld spinde en tolde
onder hun voeten en terwijl hun ouders de prijzen van
verschillende modellen videos aan het vergelijken waren,
bloeide er iets schoons tussen die twee. Zijn handen en zijn
hoofd leken hem die dag veel te groot, hij weet niet waar hij ze
kan verstoppen. Later zullen ze nog vaak de details van die dag
overlopen, als een catechismus die ieder jaar wat verder van de
waarheid afwijkt. Iedere keer kwamen er meer details bij. Wat ze
toen aanhad, de eerste woorden die ze elkaar zeiden, zijn
onhandige verlegenheid. Het was de eerste keer dat een meisje hem
aankeek zonder hikkend van het lachen in elkaar te storten. Het
was de eerste keer dat iemand haar zo kwetsbaar en oprecht had
geleken.
Zo ging het enkele maanden door. Ze waren geen gewone vrienden
maar ook geen geliefden. Wat ze dan wel waren, dat wisten ze ook
niet echt. Gewoon bang voor een woord dat de magie zou verbreken.
En toch. Iedere keer als ze hem zag, maakte haar hart een
buiteling van geluk. Alleen, hem kussen, dat kon ze niet. Iedere
keer als hij hààr zag, dan sprong zijn ziel óók recht van
geluk. Hij probeerde te lachen, maar dat lukte hem niet zo goed.
Lachen was iets dat hij sinds zijn kindertijd niet meer gedaan
had. Anderen aan het lachen brengen, dat kon hij wel. Alleen,
haar kussen, dat durfde hij niet.
Niet dat hij het nooit had geprobeerd. Ooit, toen hij op een
scoutsfuif een hele avond gedronken had, raapte hij al zijn moed
bijeen en nam hij haar in zijn lange, bleke armen. Ze schrok, en
hoewel ze hem aanmoedigend toelachte, voelde hij haar zachte
lijfje in zijn omhelzing verstijven. Vanaf die dag was er iets
gebroken, de woorden die hadden moeten gezegd worden, kwamen niet
en er kwam stilte in de plaats. De stilte werd afstand. En de dag
waar ze allebei bang voor waren geweest, kwam sneller dan
verwacht.
Op een dag keek ze in zijn ogen en zag ze niets meer. Niets
behalve een gezicht vol jeugdpuistjes en een mond als een harde
streep. Aardbeienkop, zei ze en ze draaide zich om.
Trut, had hij nog willen roepen, maar de tranen
kwamen sneller dan de woorden en dus zei hij snik.
Sindsdien probeerde de jongen van steen te zijn, want wie niets
heeft kan niets verliezen. Dat ging goed. Hij studeerde nog
harder en werd slimmer dan de rest. Hij leerde de
vierkantswortels van alle getallen tot duizend van buiten en hij
leerde zijn computer de samba dansen. Ondertussen, als hij nog
even tijd had tussen de cursussen door, droomde hij nog steeds
over een wereld zonder aardbeikoppen, maar dat gebeurde niet meer
zoveel. Iedereen zei dat hij het nog ver zou schoppen. Alleen
zijn moeder keek bezorgd als ze zag hoeveel hij vermagerde.
Eet toch iets, zei ze. Dan zei hij niets want stenen
mensen, die hebben geen eten nodig. Net zomin als liefde.
En toch. Op een dag keek de jongen in de spiegel. Hij schrok. De
puistjes waren verdwenen en zijn huid was even zacht en gaaf als
Popla-toiletpapier. Hij zag er zelfs goed uit, merkte hij grimmig
op. Zoals één van die mannen waar ze fotos van in de
Flair zetten. Hij dacht heel even na en deed zijn beste kleren
aan. Zijn zwarte hemd waarmee hij zo goed stond. Zijn vader vroeg
nog waar hij naartoe ging. Ik weet het niet, zei hij.
Maar dat deed hij wel.
Hij stapte de weg die hij al zo lang niet meer had afgelegd., hij
stapte naar haar thuis. Haar gezicht klaarde op toen ze hem daar
zo aan de deur zag staan, ze had duidelijk wroeging gehad in die
jaren dat ze elkaar niet gezien hadden, dat zag hij aan de
nerveuze trekjes om haar mond. Je bent knap geworden,
zei ze terwijl ze hem zelfgebakken koekjes voorschotelde. Hij was
de laatste man in haar leven geweest. De koekjes waren hard maar
dat hield hij voor zichzelf.
Ze praatten over vroeger, dat ze het samen toch niet zo slecht
hadden gehad en dat het hen allebei speet. Hij voelde zich
misselijk worden, alsof er iemand met een stok in zijn slokdarm
peuterde. Zo dadelijk ging hij op haar tafelkleed overgeven, dus
moest het nu gebeuren. Ik moet je iets zeggen, zei
hij. Ze keek hem met grote ogen aan.
Hij keek haar recht in het wit van haar ogen toen hij het zei.
Traag en duidelijk zodat ze het zeker zou begrijpen.
TRUT.
Hij rende en struikelde naar buiten. Aardbeienkop had
ze nog willen roepen, maar de tranen waren sneller.
Stel
je voor. Een ouderwets
Vlaams dorpsplein. De wekelijkse zondagsmis is net voorbij. In
kleine, levendige groepjes staan de parochianen na te praten voor
de kerkdeur. Over de pastoor die het allemaal zo schoon kan
zeggen, over die van t Hoekske die weer een ander heeft,
over, ja, vanalles.
Sommige mannen
zitten al in café Onder den toren over politiek te
dicussiëren. Anderen gaan dan weer braaf met vrouw en kinderen
mee naar huis. De lucht ruikt naar vers, warm boerenbrood. En de
klokken luiden.
Het leven is mooi
want vannamiddag is het voetbal. En de zon schijnt. En de
kinderen spelen er nog op straat en de helft van de mannen heeft
een duivenkot in de achtertuin staan.
En plots...PLOTS... Een meisje op een fiets. Vlam. Ze heeft een zomerjurkje dat de wind ondeugend op en neer doet golven. Op en neer. Net zoals haar haren die ze voor het eerst los laat hangen. Moeder is er vandaag niet bij en dan durft ze dat. Ze weet niet hoe mooi ze wel is, dit meisje. Ze kan het alleen vermoeden. Dat maakt haar nog mooier. Moeder.
En dààr, in een hoekske, staat mijn vader. Alleen weet hij nog
niet dat hij ooit vader zal worden. Hij weet helemaal nog niet
veel. Hij gaat alleen naar de kerk om zijn moeder een plezier te
doen, want hij gelooft niet in God. Maar hij gelooft wel in
engelen. Zeker als ze op een fiets rijden en blond zijn. Daar
staat hij dan, met zijn pet in zijn hand, en zijn mond zo
wijdopen dat je er een tractor in kan parkeren. Ik zeg
tractor want het is een boerenzoon. Zij niet, zij
komt van "het" stad, waar de mensen manieren hebben en
weten wat rock 'n roll is.
Een jaar later
staan ze naast elkaar voor het altaar. De pastoor die de dienst
voorgaat is oud en gerimpeld met zachte lachende ogen. Hij
bekijkt het jonge koppeltje dat voor hem staat en zegt hebt
mekander lief. En dat doen ze ook, daar hebben ze de
woorden van meneer pastoor niet voor nodig. Mijn vader laat de
ringen vallen. Dedju, galmt het door de kerk.
Als mensen elkaar heel graag zien dan komen daar meestal kinderen
van. Vroeger hadden ze daar geen seks voor nodig, naar het
schijnt. En inderdaad: een jaar later, op Paaszondag, werd ik
geboren. Ook mijn broer en mijn zus zijn in de lente geboren. Dat
is niet zo verwonderlijk, want mijn vader had immers alleen
tijdens zijn congé genoeg tijd om aan kinderen te denken.
Dus werd ik op Pasen geboren. Dat was niet zo gepland. Ik mocht
normaal niet voor Onze-Lieve-Heer-Hemelvaart mijn moeders buik
verlaten hebben, het moet zijn dat ik toen al ongeduldig was. Ik
ben nog altijd overal te vroeg, nog altijd ben ik op zoek naar
dingen die ik nooit zal vinden. En hier sta ik nu. Ik heb ze
daarnet naar het rusthuis gebracht. Home Zonnetij.
Schone, propere kamers. Met planten op de vensterbank.
Sanseverias. Vriendelijk personeel ook. Nee, Het ging niet
meer om ze alleen te laten wonen. Het huis was veel te groot voor
twee oude mensen die moeilijk te been zijn. Vooral vader zal het
er moeilijk mee hebben, zo een hele dag tussen vier muren en een
makkelijke stoel doorbrengen. Hij wandelde zo graag in zijn tuin,
te kijken of de savooien al aan het schieten waren, of de
bonenstaken goed recht stonden. Net alsof hij zijn privé-leger
aan het schouwen was. Spruiten! Ingerukt! Mars!
Gisteren hebben ze afscheid genomen van het huis. Alle kamers nog
eens rondgegaan, als toeristen in hun eigen huis. Alle
herinneringen dag gezegd. Mijn moeder was heel erg opgewonden, ze
ziet het rusthuis als een schoolreis, een mogelijkheid om nieuwe
mensen te leren kennen en om minder te moeten kuisen. Mijn vader
heeft geen woord gezegd. Behalve dedju, dat was toen
hij zijn hoofd tegen de hallogeenlamp stootte.
Het is een groot
huis, te groot nu de kinderen, dat zijn ik, mijn broer en twee
zussen, er weg zijn. Groot met een schandalig lange, kronkelende
oprijlaan. De oprit was lang genoeg om de buren alle tijd te
geven om jaloers op de glanzende BMW van mijn vader te worden
voor hij de garage in verdween. Aan het gekraak van de steentjes
hoorden we wanneer vader thuis kwam. Het grootste deel heeft mijn
vader met zijn eigen handen gebouwd. Weekends lang liep hij
stenen aan te slepen en te metselen. De liefde van de man gaat
door de maag, zeggen ze, maar die van mijn vader zag er eerder
uit als een baksteen.
Mijn vader heeft
nooit van de zolder gehouden. Het was een plaats waar hij zelden
kwam, en alleen als het echt nodig was. Om het dak te herstellen
of de antenne recht te zetten, voor als hij weer naar een
progressieve film op den Holland wou kijken. Nee, hij
heeft nooit van de zolder gehouden. Dat is raar. Deze dozen met
oude fotos en boeken zijn eigenlijk alles wat hij van zijn
jeugd overhoudt.
De oude boerderij is namelijk al twintig jaar geleden volledig
afgebrand. Tijdens een onweersnacht. We zaten bij kaarslicht in
de woonkamer Monopoly te spelen, dat deden we alleen als de
elektriciteit uitgevallen was. Ik weet nog hoe ik bijna mijn
eigen hotels in brand stak, toen ik met een kaars de prijs van
Buurtspoorwegen wou controleren. Het was cynisch te noemen dat er
toen net op de deur werd gebonsd. Eén woord.
BRAND!
We hebben toen
direct onze jassen gepakt, mijn vader en ik. Ik was zo fier dat
ik mee mocht. Mijn vader keek me aan alsof hij hulp van me
verwachtte.
De hele buurt was
in beweging, maar nee, nergens brandweer te bemerken. Alle
telefoonlijnen lagen plat. Daarom. Iedereen wist dat ze te laat
zouden komen. De boerderij brandde als een gezellige barbecue,
alleen iets groter en zonder de provençaalse kruiden. De zware
eikenhouten balken die het hele gebouw schraagden, verdwenen
één voor één met de stille zucht van een gewond dier in de
groeiende vlammen. Het had geen zin om hier iets te proberen te
redden. In de lucht hing er een magische gloed, alsof het
kerstmis was. Iedereen die opgewonden met elkaar babbelde, mensen
die warme koffie uitdeelden en afspraken dat ze dat eens vaker
moesten doen, zo samen komen.
Alleen mijn vader
zweeg. Misschien had ik hem toen een hand moeten geven, een
kleine in een grote knuist. Al was het maar om hem te tonen dat
ik bij hem was. Maar iets, noem het beginnende volwassenheid,
hield me tegen. Ik heb nooit geweten waar hij op dat moment aan
dacht. Dedju. Hij vloekte eens luid en draaide zich
om.
Zelfs toen, naast mijn stille vader, daar in die koude
novembernacht, kon ik voelen hoe ook mijn kindertijd in die
vlammen opging. De blikken koekentrommel met de hoestsnoepjes die
ongetwijfeld de Kongolese onafhankelijkheid nog hadden
meegemaakt, de gekreukte Donald Ducks en het rare toilet met de
laatste tien jaargangen van Libelle op de stortbak. Ze verdwenen
allemaal in een graf van as en stof.
Mijn grootmoeder stierf nog geen 3 maand na de brand. De laatste
5 jaar van haar leven had ze integraal besteed aan het nauwgezet
voorbereiden van haar eigen begrafenis. Regelmatig belde ze mijn
vader met nieuwe instructies voor haar begrafenis: de bloemen
moesten dan eens blauw en dan weer wit zijn. Of toch maar rood,
want dat ging schoner bij de kussentjes van de kerkstoelen. Ik
heb vaak gedacht dat het haar bedoeling was het afscheid iets te
vergemakkelijken door ons zo te ergeren. Maar het moet gezegd,
het wàs ook een fantastische begrafenis met alles erop en eraan.
Er was echter één ding dat zelfs mijn grootmoeder niet had
kunnen voorzien: de bedrijfswagen van nonkel Marcel. Nonkel
Marcel werkte als marketingdirecteur bij een yoghurtbedrijf, en
reed met een auto waarop een metershoge pot yoghurt was
gemonteerd. De lijkstoet was dan ook iets minder ingetogen dan
dat normaal het geval is. Overal stonden de mensen vol
verwachting op de trottoir, te wachten tot we zouden beginnen met
gratis potjes yoghurt te gooien.
Dedju,
zei mijn pa. Subiet, dan krijgen ze een Petit Gervais tegen
hun kop.
Mijn vader is nooit
een prater geweest, en hij heeft nooit de samengestelde zin onder
de knie gekregen. Gelukkig is er dan mijn moeder die de
conversatie in gang houdt. Zij is de woorden tussen zijn stiltes.
Ook vandaag in het rusthuis, was ik blij dat ze er was. Een
moeder als de mijne is ideaal om pijnlijke stiltes te vermijden.
Ze was de sociaal assistente van onze familie, en altijd
optimist. Een uur geleden ben ik met een slecht excuus en een al
even slecht geweten bij hen weggegaan. Twee oude mensen op een
kleine kamer. Het is vreemd je eigen ouders schattig te vinden.
Ik die nog geen tien jaar geleden met slaande deuren het huis
verliet, toen mijn pa Jos Geysels een zeveraar had genoemd.
En op het einde, als ik de deur al vast heb, dan vraagt mijn moeder of ik het nog weet. Wat meneer pastoor hen had gezegd, toen ze trouwden. Hebt elkander lief, ja dat zei hij. Meneer pastoor zelf. Hebt elkander lief. En dan kijkt ze even naar mijn vader om te zien of het goed is zo. En dat is het. Altijd. Al meer dan 40 jaren lang.
Diana's afgeknaagde nagelranden zweefden over de vergeelde toetsen van het klavier, als verdwaalde roofvogels boven de dorstige savanne. Ze verlangde naar een sigaret maar had geen zin om haar nieuwste, nu al verkreukelde, pakje Bastos uit haar handtas op te graven. Dit moest ze nuchter doen. Ontspannen was voor later, net als eten en drinken. Alleen als ze dit zelf opgelegde regime van soberheid strikt volgde, had ze morgen een schijn van kans. Dan pas zou dame Fortuna haar - voor één keer - de overwinning gunnen. Maar dat was - zoals gezegd- voor later.
"Later." Een uitgestrekte vlakte tijd, waar ze zich weinig kon bij voorstellen, behalve een vaag gevoel van voldoening. Kinderen, misschien. Tussen nu en dat "later" stond alleen nog die ene assessment in de weg. Morgen. Als alles goed liep, dan zou het Monster - voor één keer - het zwijgen worden opgelegd. Maar dan moest haar presentatie wel perfect verlopen. Ze zag Veronique's gezicht al voor zich, hopeloos op zoek naar een onvolkomenheid, een versteende grijns om haar mond die haar ontgoocheling moest verbergen. A small step for humanity, a big one for Diana. Haar vingers dansten een uitbundige polka op het toetsenbord.
De zon was al een tijdje ondergegaan toen Diana eindelijk tevreden was. Ze rok haar getormenteerde rugspieren uit en ging wat makkelijker zitten. Ontwerpers van bureaustoelen moesten gedwongen worden om een week lang in hun creaties te blijven zitten, dacht ze geprikkeld. De presentatie zelf zag er goed uit - met veel grafiekjes en Clip Arts, dingen waar mannen nu eenmaal gek op waren.
Hard werk moest beloond worden, vond Daria, met enkele minuten van haar favoriete tijdsbesteding: Literatuur. Ze knipte een Word-document aan en begon te schrijven.
***
Daria reed zachtjes door de nachtelijke straten van Manhattan. Een elektriciteitspanne had een deel van de stad in duisternis gehuld. Een huilende hond in de verte maakte het macabere plaatje compleet. Daria glimlachte. Nog even en ze had Veronica voor altijd in haar macht. De gedachte zond een rilling van genot door haar zweterige lijf. Ze had het raampje van haar Buick naar beneden gedraaid en leunde ontspannen naar buiten. De warme zomerlucht streelde haar blonde lokken. In de verte weerklonk het uitdagende getik van Veronica's naaldhakken. Tik. Tak. Tik. Tak. Het monotone geluid deed Daria bijna in slaap vallen...
***
De rode cijfers van haar wekkerradio keken haar uitdagend aan. 08:10 Verdomme! Straks kwam ze nog te laat! De gedachte aan een triomferende Veronique gaf haar onvermoede vleugels. Cornflakes (te droog). Koffie (te slap). Yoghurt (20ste-eeuwse houdbaarheidsdatum). De onderdelen van haar bij elkaar gescharrelde ontbijt vermengden zich tot een sponzige prop in haar maag. Ze nam haar autosleutels en spurtte de lenteochtend tegemoet. Haar longen vulden zich met bloesemgeur. Ze had zich geen mooier Nieuw Begin kunnen voorstellen.
08:30 Haar auto - het merk was vorig jaar nog verkozen tot veiligste gezinswagen van het jaar - scheurde door de bocht. De geur van verschroeid asfalt zond een rilling van genot door Diana's lichaam. Een jachtgodin, zo voelde ze zich. Klaar om met pijl en boog het miezerige ongedierte genaamd Véronique de wereld uit te helpen. What a beautiful day, knalden de Levellers quadrofonisch door de speakers. Diana gaf het gaspedaal een extra zetje.
***
"Wat ga je met me doen?" kreunde Veronica. Het verblijf in Daria's kofferbak had haar zelfvertrouwen duidelijk geen deugd gedaan. Haar witte broekpak zat onder het stof, haar haren hingen in zweterige slierten voor haar ogen. Daria kreeg bijna medelijden met haar. Met enige moeite onderdrukte ze het weeë gevoel in haar maag. Ze kon niet meer terug. Ze nam de verlaten loods waar ze haar slachtoffer naartoe had gebracht, aandachtig in zich op. Het duurde niet lang voor ze vond wat ze zocht. Een vuistdikke waterleiding die over de afbrokkelende muren kronkelde. "Doe je handen achter je rug," snauwde ze.
***
09:12 De schuifdeuren van de C&M Dental Care-toren gleden geruisloos open. Nu pas drong het tot Diana door hoe perfect de - nee, hààr - wereld in elkaar zat. Zelfs de receptioniste - een zurige ouwe vrijster die haar gevoel voor humor operatief had laten verwijderen - gaf haar een waterig lachje. Ooit zou Diana haar nog 'goeiemorgen' leren zeggen. Later.
De briefopener was meer een fantasietje geweest, een gedachte achteraf. Ze had het in haar handtas gepropt toen ze haar huis verliet. Het mes was amper 10 cm lang, maar kon nog van pas komen. Als haar plan echt volledig misliep, dan kon ze nog altijd haar initialen in Veroniques poppengezichtje kerven, dacht Diana grimmig. Niet dat dat nodig zou zijn, natuurlijk.
10:24 "En daarom denk ik dat we het roze model van de Sound Warp-tandenborstel uit productie moeten nemen. Omdat het te macho is voor vrouwen en te gay voor mannen." Ze had hen in haar broekzak, besefte ze. Alles verliep perfect. David, de HR-baas, zat haar de hele tijd gefascineerd te bekijken. Zelfs meneer Claessens (de "C" van C&M) had even glimlacht toen hij haar een stoel had aangeboden. De laatste keer dat hij zijn emoties zo de vrije loop had gelaten, was toen de bedrijfsaandelen de 3.000 hadden gehaald. Alleen over Veronique voelde Diana zich onzeker. Die had haar al de hele tijd zitten aanstaren, even ondoorgrondelijk als een sfinks. Of dat iets was om blij over te zijn of niet, daar had Diana het raden naar. Ze had liever Veronique's gebruikelijke minachtende glimlach gezien, dat was tenminste iets vertrouwds.
11:03 "Ik hoop dat ik door deze presentatie heb bewezen dat ik een meerwaarde voor het verkoopsteam van C&M-Dental Care zou kunnen betekenen. Dat ik klaar ben om mijn tanden in een nieuwe uitdaging te zetten." Toegegeven, dat laatste was wat flauw geweest- ze had lang getwijfeld of ze het grapje ging gebruiken, maar de sfeer tijdens de uiteenzetting was zo los en joviaal geweest dat ze het er uiteindelijk op had gewaagd. En terecht, zo leek het: mr. Claessens gaf haar een brede, oprechte glimlach. Haar hart maakte een sprongetje. Ze zou de nieuwe Account Manager worden, en zelfs het Monster kon daar niets aan veranderen...
"We laten u nog wel iets weten," zei David toen ze afscheid namen. Zijn ogen fonkelden. Hij zag er best leuk uit, moest Diana toegeven.
***
Veronica keek haar smekend aan. Ze kreunde iets dat als een zacht verwijt klonk. Daria knoopte de zakdoek los die ze voor haar mond had gebonden. "Wat is er?" Het klonk kwader dan ze had bedoeld. "Laat me gaan. Alsjeblief." Daria schudde haar hoofd. "Veronica," zei ze geduldig - alsof ze tegen een ongehoorzaam kind sprak, "Wat hebben we afgesproken? Niet zanikken of..." Ze wees veelbetekenend naar de zakdoek. Veronica knikte onderdanig. Ze zag eruit als een kleine, gekwetste puppie. Daria vloekte binnensmonds. Ze besefte dat het moeilijk zou worden: iemand in koelen bloede vermoorden.
***
12:09 "Je hebt een komisch talent." Véronique had haar staan opwachten in de vrouwentoiletten. Ze gaf Diana een spottende blik. Haar broekpak was stralend wit.
- "Hoe bedoel je?"
"David en meneer C., ze bleven er bijna in."
- "Waarin?"
"Een lachstuip. Mijn moeder zei altijd dat ik elke ochtend naar mezelf moest glimlachen in de spiegel. Naar het schijnt word je daar goedgezind van." Ze boog zich vertrouwelijk naar Diana. "Misschien moet je dat ook maar eens doen." Met een gemene schaterlach wandelde ze weg.
Ondanks een naar voorgevoel ging Diana voor de spiegel staan. Ze glimlachte naar zichzelf. En deinsde achteruit. Tussen haar twee voorste tanden stak een cornflake ter grootte van een euromunt.
In één ondeelbaar moment werd
alles haar duidelijk. De lachende voorbijgangers, het gemonkel
van haar collega's, David... Haar geheugen schotelde haar alle
pijnlijke details voor. Haar hand ging instinctief naar haar
handtas. Het duurde nog geen seconde voor het mes haar hand
gevonden had. Ze trok de deur open en stormde de gang in. In de
verte weerklonk het uitdagende getik van Veronica's naaldhakken.
Tik. Tak. Tik. Tak.
Veronica had haar horen aanstormen. Ze draaide zich parmantig om en keek Diana met onverholen minachting aan. Ze negeerde het mes, alsof het om een onbelangrijk detail ging dat haar niet aanbelangde.
"Wat is er?" zei ze kattig.
Diana's hand aarzelde. Ze kon het niet, besefte ze - niet als ze haar zo aankeek. De opgekropte woede maakte plaats voor dof verdriet. "Eens een loser, altijd een loser." dacht ze verslagen. Het mes viel onschadelijk op de grond. Veronica raapte het op. "Je moet iets zorgvuldiger zijn met je spullen," zei ze. "Je weet nooit of je ze nodig zal hebben." Ze stapte verder. Haar schaterlach deed zelfs de onverstoorbare receptioniste opkijken.
***
Daria
stormde de loods binnen. Daar vond ze Veronica zoals ze haar
enkele uren geleden had achtergelaten, met dik meertouw
vastgebonden aan een waterleiding. Ondanks haar ongemakkelijke
positie leek ze in slaap te zijn gevallen. Pas toen Daria haar
hardhandig door elkaar schudde, deed Veronica haar ogen open.
"Mmm..." kreunde ze zachtjes. Ze keek haar ontvoerster
vragend aan. Die nieuwsgierigheid veranderde in pure, wijdogige
angst toen Daria een bontgekleurde sjaal bovenhaalde en die rond
haar nek knoopte.
"Dit
is voor alle keren dat je met hem hebt geslapen," siste
Daria. "Slet!"
Langzaam
voerde ze de druk op Veronica's hals op. Haar slachtoffer
kronkelde, smeekte en riep. Tevergeefs. Daria's hart was van
steen, gehard door het onrecht dat haar was aangedaan.
***
Hoe ze uiteindelijk thuis was geraakt, wist Diana niet. Ze was huilend gaan slapen en was met hetzelfde verdriet weer opgestaan. Het mes zat nog altijd in haar handtas. Om nooit te gebruiken, want - nee - ze kon het niet.
Zijn auto was nog nieuw. De geur van kunststof en zetelbekleding hadden nog geen plaats gemaakt voor het vertrouwde aroma van groene Michel en Malteserbollen. Benzinestations, bordelen en frietkoten gleden ritmisch voorbij op flarden quadrofonische muziek die uit de speakers sijpelden. Händel, zijn lievelingscomponist.
Dikke regendruppels stuiterden onschadelijk op het asfalt, terwijl de ruitenwissers monotone cirkels op de voorruit tekenden. Het auto-interieur sloot zich als een behagelijke cocon om Jurgens lichaam. Nog even en hij zag Vera weer. De gedachte deed hem glimlachen. Hij wou zijn ogen sluiten en wegdromen, maar deed dat uiteindelijk niet. Met dit weer kon elke dagdroom tegen een vangrail eindigen.
Jurgen hield van Vera. Hoe lang dat al zo was, wist hij zelf ook niet. Ze kenden elkaar al lang en ze waren ongemerkt de grens tussen vriendschap en liefde overgestoken. Hun relatie was zo natuurlijk en puur geweest, dat hij lang had geaarzeld om het haar te vragen. Of ze met hem naar bed wou. Ze had niets gezegd, maar haar ogen hadden geantwoord. Ja. Het was de mooiste nacht van zijn leven geweest.
Unto us a child is born
Unto
us a son is given
Uit tientallen kelen weerklonk het eeuwenoude loflied op de Heiland. De devote overgave van het Frankfurter Philharmonische maakte Jurgen weemoedig. Nee, hij zou nooit de geschiedenisboeken halen. Niemand zou hem ooit bezingen of zelfs maar een voetnoot waardig achten. Daar had hij zich al van jongsaf aan bij neergelegd. Dat was de schuld van zijn naam. "Jurgen" was nu eenmaal geen naam voor een wereldveroveraar, popster of rechterspits. Als kind had hij alle geschiedenisboeken en kronieken erop nageslagen, op zoek naar een Jurgen die het wel had gemaakt. Tevergeefs. Geen enkele Jurgen was aan de kleurloze mediocriteit van zijn naam ontsnapt, of had het verder geschopt dan bibliothecaris, bankbediende of conservator van het plaatselijke Kurkentrekkermuseum.
En toch... Jurgen hield van Vera. Ze was veruit het mooiste wat hem de voorbije jaren was overkomen. Hij beeldde zich in hoe ze samen de grijze realiteit zouden ontvluchten. Hoe ze door een groen, eindeloos veld stapten, haar delicate vingers rond die van hem gevlochten. Hij in een nagelwit maatpak met een rode roos op zijn revers, zij met extreem weinig textiel rond haar lichaam gedrapeerd. De weemoedige klanken van een eenzame doedelzak maakten het tafereel compleet.
Het getoeter deed hem opschrikken.
"Merde!"
De Peugeot vlak voor hem was gestopt. Jurgen kon nog net een botsing vermijden door zijn volle gewicht op het rempedaal te gooien. Hij beefde. Zijn linkerhand graaide in het handschoenenkastje op zoek naar een sigaret. Hij had net een halfleeg pakje ontdekt toen de file zich opnieuw in beweging zette. Jurgen keek naar zijn horloge. Half vier. De tijd drong. Hij kon het zich niet veroorloven om te laat te komen. Hij zag Vera's ontgoochelde gelaat voor zich, zilte tranen meanderend over haar blozende wangen. De gedachte alleen al deed hem fysiek pijn. Hij drukte het gaspedaal in.
Het was de eerste keer in zijn leven dat Jurgen over de pechstrook reed. Normaal hield hij zich strikt aan de wegcode, zoals dat van een Jurgen werd verwacht. Maar niet vandaag. De ruitenwissers gingen koortsachtig op en neer. De regen liep in stroompjes van de voorruit, elke druppel kronkelde een regel poëzie. Vera.
Ich liebe dich.
Te iubesc.
Ti amo.
Ooit had Jurgen op een stuk golfkarton "ik hou van jou" geschreven in alle talen die hij kende. Wat opzoekwerk had hem tweeëndertig zinnetjes opgeleverd. Achteraf bekeken was het een puberale bedoening geweest, maar voor Vera deed Jurgen wel vaker rare dingen. Vera zelf was gecharmeerd geweest. Ze had het stuk karton in haar nachtkastje gestopt. Wat ze er achteraf mee had gedaan, had Jurgen nooit geweten; ze hadden die avond urenlang gevreeën.
De regen stroomde naar beneden, alsof God die dag besloten had om Noach - The Sequel te draaien. Het water verzamelde zich in grachten, riolen en plassen. Jurgen ontweek een familie eenden, slalomde doorheen een groep Japanse toeristen en parkeerde zijn auto tegen een telefooncel. Hij was net op tijd. Zijn blik bleef rusten op een knappe blondine met een meisje aan haar hand. Een grote Donald Duck-paraplu hield hen droog.
Met enkele stappen stond Jurgen bij hen. Hij gaf de vrouw een zuinige kus op haar wang. "Carla," fluisterde hij. "Blij je terug te zien." Hij bukte zich en legde zijn benige hand op het hoofd van het meisje.
"En Vera," vroeg hij met een ondeugende glinstering in zijn ogen, "ben je braaf geweest op school?"
Ze hadden een blaffer. Luis' spieren ontspanden zich ogenblikkelijk. Hij glimlachte. Blaffers waren beter dan bijters, die je stilletjes beslopen en hun tanden in je kuiten plantten. Hij ging iets dichter bij de verroeste omheining staan en bemerkte een jonge Rottweiler met de stompe neus van een beroepsbokser. Het dier kwam argwanend aan de spijlen snuffelen en gromde zachtjes. Het maanlicht deed zijn zwarte pels onheilspellend oplichten.
Blaffers en bijters. Luis had zijn hele theorie eergisteren nog uitgelegd in een tangobar op de avenida de Mayo Zijn publiek, een oudere man met warrige bakkebaarden en een verdwaalde hoerenloper, had halfslachtig geknikt. "Blaffers zijn misschien indrukwekkend, maar er gaat niets boven een stille bijter," had hij hen voorgehouden. Daarna was hij, zo goed en zo kwaad als dat ging, naar huis gewaggeld - in de vaste overtuiging dat zijn toehoorders zijn raad ter harte zouden nemen.
Luis liet zijn hand geruisloos in zijn rugzak glijden en toverde een bakelieten pijp en een plat blikken doosje tevoorschijn. Zorgvuldig klapte hij het deksel open en haalde er iets uit dat op een dartspijltje leek. "Brave hond," siste hij tussen zijn tanden - hoewel hij zelf er geen woord van geloofde.
Luis hield het pijltje behoedzaam tussen duim en wijsvinger geklemd. De punt was ingesmeerd met voldoende kinine om een volwassen hond voor enkele uren uit te schakelen. Hij schoof het pijltje in de blaaspijp, zette die aan zijn mond en blies. Een stil gejank verzekerde Luis dat het pijltje doel had getroffen. Nu moest hij alleen nog wachten.
De Bario San Telmo stond bekend voor zijn antiekwinkels. Kleine, pittoreske rijhuizen volgestouwd met rommel en kunst en alles daartussen in. De toeristen, in hun blinde zoektocht naar "de ziel van Buenos Aires", waren er gek op. Ook Luis hield van de winkeltjes - ze waren zijn belangrijkste bron van inkomsten, sinds de crisis hem vier jaar geleden zijn baan had gekost. Hij lette daarbij op dat hij nooit inbrak in de hipste, populaire winkeltjes. Die hadden namelijk voldoende geld voor een geavanceerde alarminstallatie en daar stond een vakman als Luis nu eenmaal machteloos tegenover.
Nee, hij ging altijd voor de zaken die het iets minder goed deden. De winkels van dompelaars die net het hoofd boven water konden houden en die zich dus niet de luxe van een Laser Beam 2000 Detector konden veroorloven. Luis besefte dat hij zo meestal mensen bestal die het niet veel breder hadden dan hijzelf, maar medelijden was nu eenmaal een luxe die hij zich niet kon veroorloven.
Honden waren de alarminstallatie van de gewone Argentijn. En Luis had een talent voor honden. La Boca, de wijk waar hij was opgegroeid, was berucht voor zijn agressieve zwerfhonden. De dieren kropen in afvalcontainers en geparkeerde auto's, stootten marktstalletjes om en belaagden de plaatselijke bakkers en slagers in de hoop dat die hen moegetergd een stuk van hun koopwaar toe zouden werpen. Iedereen haatte de honden, die ze "hijos de diablos" noemden. De haat was wederzijds: elke inwoner van La Boca had minstens één bijtwonde, waarmee hij of zij maar al te graag pronkte. Het was een soort ereteken, een bewijs dat je erbij hoorde. Alleen Luis lieten de honden met rust. Het leverde hem de koosnaam "hombre de los perros" op. Hondenman.
De Rottweiler had al enkele minuten niets meer van zich laten horen. Luis speurde de calle Umberto af. De straat was niet meer dan een steeg, die omringd werd door de troosteloze achtergevels van al even troosteloze huizen. Ideaal voor een inbraak. Voor zover Luis kon zien, was de buurt verlaten. Hij maakte zich klaar om over de omheining te springen.
De Rottweiler jankte. Kort en schril. Het klagerige geluid deed Luis instinctief terugdeinzen. Waar het dier zich precies bevond, kon hij niet zien. De hond lag tussen twee plukken heester in, die hem aan het zicht onttrokken. Luis vloekte. Hij begreep het niet. De dosis kinine was ruim voldoende geweest. Hij besloot nog even te wachten.
Op avonden als deze walgde Luis van zichzelf. Als de crisis er niet tussen was gekomen, dan zou hij waarschijnlijk nog steeds een brave burger zijn, die met een eerlijke stiel zijn brood verdiende. Vroeger had hij er, zoals alle jongens van La Boca, van gedroomd om voetballer te worden. Die droom was het enige dat hij Jorge, zijn jongste zoon, had kunnen schenken. De jongen had overduidelijk talent, het soort ruwe behendigheid dat op straat was gevormd en gerijpt.
Met de juiste begeleiding zou Jorge het nog ver schoppen, daar was zijn trotse vader van overtuigd. Maar dat kostte geld - veel geld - en dat had Luis niet. Toch weigerde Luis halsstarrig om zijn hoop op te geven. Was Diego Maradona himself tenslotte niet één van de Boca-kids geweest? Was Buenos Aires zelf niet als een droom begonnen? Voor het eerst in lange tijd bad hij. "God, laat die rothond alsjeblief slapen! Alsjeblief!" Even later kroop hij over de omheining, maar niet vooraleer hij een halfslachtig kruisteken had geslagen. Voor Jorge.
De Rottweiler lag uitgeteld op het gras, zijn helrode tong bengelde als een bloederige biefstuk tussen twee rijen vlijmscherpe tanden. Luis sloop behoedzaam door het bescheiden achtertuintje, tot nog slechts enkele stappen hem van het keukenraam scheidden. De rest was een koud kunstje, hield Luis zichzelf voor. Hij viste een glasbrander uit zijn rugzak en strekte zijn arm uit naar het glas...
En trok die onmiddellijk terug, toen een schaduw de keuken binnenkwam. Luis dook instinctief ineen. Die reflex redde zijn vel, want nauwelijks één seconde later floepte het licht aan. Een oudere man, in onderhemdje en vaalgele boxer, slofte loom de kamer in. Luis schrok niet weinig toen hij de man herkende als de hoerenloper van eergisteravond!
Een ondraaglijke pijn sneed door Luis' linkerkuit. Tegelijkertijd weerklonk er een dierlijk gehuil door de nacht. Pas later besefte Luis dat hij het was die het uitschreeuwde - en niet de jonge Mastiff die zijn tanden in zijn been had gezet. Een bijter. "Toch iemand die heeft opgelet," dacht hij met een soort grimmige voldoening. En toen werd alles zwart...
Het was perfect. Een schuchtere glimlach deed Tobias' sullige gelaatstrekken oplichten. Zijn speelgoedsoldaatjes stonden in kaarsrechte rijen opgesteld op de pas geboende keukenvloer. Elk figuurtje stond op zijn vaste plaats. De groene bij de groene, de grijze bij de grijze. Het waren er wel meer dan honderd. Tobias was apetrots op zijn uitdeinende miniatuurleger. Zijn ouders moesten hem nooit vragen wat hij voor zijn verjaardag, kerstmis of Sinterklaas wou. "Soddatjes!" kraaide hij steevast nog voor ze de vraag hadden gesteld.
Tobias frunnikte aan de pleisters rond zijn vingers. Soms raakte hij zo opgewonden dat hij tot bloedens toe op zijn nagels kauwde. Zijn moeder werd er gek van. Misschien was dat wel de reden waarom hij het keer op keer deed. Dat was haar verdiende loon. Ze zag Sven nu eenmaal liever dan hijzelf.
Zo dadelijk zou zijn machtige leger zich in beweging zetten. Hij moest alleen het afgesproken signaal geven. Hij sloot eerbiedig zijn ogen en genoot van de bijna gewijde stilte die over het slagveld hing.
Uur 0 was aangebroken. Straks zou de keukenvloer bezaaid liggen met krijsende, jammerende en stervende soldaatjes. Maar nu nog even niet. Eerst moest de vlag nog worden gehesen. Tobias haalde het papieren vlaggetje dat hij van de kaasschotel had gestolen uit zijn broekzak. Hij wou het net omstandig platstrijken toen het onvoorstelbare gebeurde.
Sven, Tobias' driejarige broertje, kwam als een kleurrijke tornado de keuken binnengestormd. "Boem! Boem!" Met één onhandige, enthousiaste graai had hij een waar bloedbad aangericht. De soldaatjes vlogen alle kanten op. De weinige overlevenden stonden aan de grond genageld. Hun stille geschreeuw vulde Tobias' hoofd. Zonder na te denken viel hij de vijand aan.
***
Niemand begreep wat Tobias die avond had bezield. Zijn ouders hadden Sven in de badkamer gevonden, koortsachtig bevend en helemaal onder de schrammen. Hij had urenlang gehuild. Tobias zelf bleef hardnekkig zwijgen. Ook het legertje kinderpsychologen, sociale assistenten en therapeuten dat er werd bijgehaald, werd niets wijzer. Tobias zei geen woord. Behalve "Soddatjes!", maar dat deed hij zo stil dat niemand het hoorde.
Ik kan veel verdragen. Echt waar. Als ik aan de kassa van de supermarkt sta te wachten, dan word ik niet kwaad als de persoon vlak voor mij zijn tomaten is vergeten te wegen zodat de kassierster een half uur weg is op zoek naar een weegschaal die werkt. En hoewel ik persoonlijk geloof dat ze het grootste deel van dat half uur tetterend met haar collega van kassa vier heeft doorgebracht en hoewel ik weet dat ik hierdoor te laat thuis ga zijn om Mooi en meedogenloos voor mijn vrouw op te nemen en daardoor fikse rel ga krijgen, toch blijf ik beleefd. Alstublieft mevrouw. Dankuwel. Tot ziens.
Ik kan veel verdragen, echt waar. De geur van de kleedhokjes van onze gemeentelijke sporthal, het kapsel van koningin Fabiola, jehovahgetuigen aan mijn deur, het woord toedeloe of doei, mensen die met hun vingerkootjes kraken of die met hun nagels over zon zwart schoolbord gaan, ik kan er allemaal tegen. Ja, ik was zelfs één van de weinige mensen die geen boze brieven naar de VRT schreef ieder keer dat Sabine Appelmans op TV verscheen. Ik ben niet moeilijk.
Maar van mijn gitaar moesten ze vroeger afblijven. Niet dat het een dure gitaar was: het was meer een schoendoos met wat snaren op. Ik was het eerste muzikale genie van de familie. Behalve een oom die Vrolijke vrienden op banjo kon playbacken, was ik de eerste die een instrument op een deftige manier kon vasthouden. Misschien was dat de reden waarom dat mijn ouders zo schrokken toen ik voor mijn zestiende verjaardag een gitaar vroeg. Een gitaar, maar jongen toch, wat gaat ge dààrmee doen? Ze hadden niet vreemder kunnen opkijken als ik een Kalsahnikov met bijhorende vlammenwerper had gevraagd.
Toegegeven, mijn bedoelingen waren allesbehalve muzikaal. Ik was even muzikaal als een B-52-bommenwerper met serieuze motorproblemen.
Nee, er is maar één reden waarom een jongen van 16 gitaar leert spelen. Meisjes versieren. Ik was vaak genoeg op taalkamp geweest om te zien wat het effect van een slecht gespeelde versie van Wonderful tonight of When I need you op de gemiddelde vrouw was. Een gitaar was het ideale middel om mijn acné sociaal aanvaardbaar te maken. En om de vrouw van mijn leven te vinden.
Ik begon dan ook met goede moed aan mijn gitaarlessen. Al snel ontdekte ik een groot probleem, iets wat geen enkele gitarist voor mij had ontdekt. Een mens heeft vijf vingers. Een gitaar heeft zes snaren. Jawel, ZES snaren. VIJF vingers. Eén snaar te veel dus. Gitaar spelen is dus theoretisch onmogelijk. Ik liet me hierdoor echter niet uit het lood slaan en speelde dapper verder. Het eerste nummer dat ik leerde spelen was Blowing in the wind. Ik had het nummer nog nooit gehoord dus zong ik maar wat en hoopte dat het een beetje op het origineel leek. Dan liet ik mijn zus raden welk nummer ik speelde.
Sindsdien spreken we niet meer tegen elkaar. (nvdr. Katrien, mocht je dit lezen - dit is verzonnen ;-)
Ik had al snel door dat zelfs Stille nacht te hoog gegrepen was. Daarom schreef ik mijn eigen nummers die ik wél kon spelen, daar zorgde ik wel voor. Meestal gingen die liedjes over onbeantwoorde liefdes en wegkwijnende zestienjarigen met acnéproblemen. En de titel was meestal de naam van een meisje dat ik niet kon krijgen. Martine., Suzanne, Tania, Tina en Linda, zo heetten mijn eerste eigen liedjes. Vooral met Linda had ik wel wat problemen want ik kende maar één woord dat op inda eindigde. Pinda.
Op dit dode punt in
mijn carrière aanbeland, ontmoette ik Joost. Joost speelde nog
slechter gitaar dan ik. Daarom was hij een grote Jimi
Hendrickx-fan. Hij was dan ook al aan zijn vijfde gitaar toe.
Samen vormden we een groepje. Dit gebeurde nadat we op een avond
heel erg zat waren geworden en besloten hadden de wereld te
veranderen. Of dan toch tenminste het uur waarop we thuis moesten
zijn. We noemden ons groepje Balzakhaar en droomden
al luidop van volgelopen voetbalstadions en seks op de achterbank
van onze limousines met ingebouwde koelkast.
We zaten toen allebei in het vierde Latijn-Wiskunde waar we onze dagen vulden met het plannen van de volgende wereldrevolutie en lachen met het kapsel van onze leraar biologie. In die volgorde.
Het was onze bedoeling
om punkmuziek te maken, maar dit was nogal moeilijk met twee
klassieke gitaren en geen drummer. Daarom schakelden we al snel
over naar het zachtere genre: Yesterday en
Wonderful tonight, zo van die dingen. Zo mochten we
op het schoolfeest optreden, ergens tussen de Abba-imitatie van
het tweede kleuterklasje van juffrouw Martine en Get Ready, die
bij ons op school zaten, in.
Tijdens het optreden leek alles goed te gaan. Mijn gitaarsolo van vijf seconden lang klonk lekker smerig, we schreeuwden de ballen van ons lijf en halverwege het tweede nummer stak Joost zijn gitaar in brand. Een prachtig optreden dus. Slechts één minpunt: er was geen publiek. Alleen Joosts dove grootvader was tijdens het tweede kleuterklasje blijven staan.
En toen gebeurde het.
Joost kwam op het lumineuze idee om te stagediven. Ons eerste
optreden werd dan ook direct ons laatste optreden. Na twee
kijkoperaties en een vijftigtal hechtingen kon Joost eindelijk
opnieuw praten.
Eén van de eerste
dingen die hij zei, was Ik stop ermee.
Ik stop
ermee. En dat was het.
Zijn muzikale partner, dat was ik dan, bleef verslagen achter. Maar ik ging door: ergens had ik de smaak van optreden te pakken gekregen. Sinds dat moment, die tien minuten vóór Joost met zijn stomme kop de speelplaats raakte, heb ik altijd voor een publiek willen staan.
Ik was zestien en vond
dat de wereld nog heel wat van mij kon leren. Ik wou Gandhi én
Moeder Theresa én Kurt Cobain én John Lennon én John F.
Kennedy zijn. Maar dan zonder de stomme blauwgerande handdoek van
de eerste en de schotwonde van de laatste.
Ik was zestien en de
toekomst moest nog komen.
Ik was zestien en
hopeloos naïef.
Toen ik achttien jaar
was, kocht ik mijn eerste elektrische gitaar. Want ik vond dat de
buren ook mochten meegenieten van het muzikale talent naast hun
deur. Net zoals ik iedere zaterdag hun grasmachines te horen
kreeg. Ik had het geld verdiend met mijn studentenjob van dat
jaar. Zes weken wieltjes in elkaar schroeven had me net voldoende
opgeleverd om een gitaar te kopen. Ik stond voor de keuze: ofwel
kocht ik een dure gitaar waar ik tevreden over zou zijn of ik
kocht een goedkope gitaar met een handleiding die uitsluitend in
Oost-Aziatische talen geschreven was. In dat laatste geval had ik
nog net voldoende over voor de 200 zakjes voetbalprentjes die
mijn WK 1992-verzameling compleet moesten maken.
De opinies over mijn
elektrische gitaar raakten al snel verdeeld. Aan de ene kant had
je mezelf: ik vond mijn gitaar fan-tas-tisch. Aan de andere ka
nt had je mijn familie, de buren, de schapen achter ons huis en
ongeveer de rest van toenmalige beschaafde wereld. Zij hadden
namelijk een lichtjes andere mening.
Al snel ontdekte mijn
vader dat je ook een koptelefoon op mijn gitaar kon aansluiten.
Dit vond ik wel vreemd, want normaal had mijn vader evenveel
voeling met elektronica als een holemens dat met kernfysica had.
Voor mijn zeventiende verjaardag kreeg ik dan ook totaal
onverwacht - een koptelefoon. Dat had je niet moeten
doen, zei ik. Inderdaad niet, maar er moest
toch iemand het doen, antwoordde hij.
Weet u trouwens waarom
sommige gitaristen zweetbandjes dragen, net zoals tennissers?
Volgens statistieken zijn er sinds het ontstaan van de
elektrische gitaar al meer dan 250 gitaristen tijdens een concert
geëlektrocuteerd, gewoon omdat er zweet in hun versterker of
mengpaneel was gedruppeld. 250 mensen! Ze zouden op iedere gitaar
zon tekstje moeten zetten: Gitaar spelen kan de
gezondheid ernstige schade toebrengen. Met daaronder dan
een foto van The Rolling Stones toen ze hun vijftigste jubileum
vierden. Geen mens die nog een gitaar aanraakt
Maar goed, ik was over
mijn muzikale carrière bezig. Er zijn momenten in je leven die
je nooit vergeet. De eerste keer dat je alleen naar school mag
fietsen, of die keer dat je vader zegt ik ben fier op
je of dat tovermoment waarop je voor het eerst beseft wat
ik hou van je nu eigenlijk echt wil zeggen. Je
eerste solo-optreden is ook zon moment.
Je moet dan immers ook
twintig keer naar het toilet zonder dat er ook maar één schot
wordt gelost. Mijn eerste optreden was in Brussel. Ik was nog
niet zo vaak in onze hoofdstad geweest en had dan ook mijn zakmes
meegebracht. Je weet maar nooit. Ik voelde me een beetje als
Frank Sinatra die zon vijftig jaar eerder met geen frank op
zak zijn eigen hoofdstad veroverde. Alleen heeft Brussel even
veel gemeen met New York als een koe met een kruisraket.
Brussel is, echt waar, een toffe stad. Er zijn echter een paar dingen aan Brussel die ik nooit begrepen heb. Die drang om volstrekt lelijke kantoorgebouwen naast lieflijke kerkjes en herenhuizen neer te poten, om maar iets te noemen. En het volkomen gebrek aan stadsplannen. Er staan wel duizenden reclameborden met de tekst voor stadsplan: zie ommezijde erop. Fantastisch. Ware het niet dat die tekst ook op de achterkant staat.
Ik moest in een school
ergens rond Place de
Ik zal u een geheim vertellen: mijn eerste optreden waar ik later zo over heb opgeschept, wel dat optreden heeft nooit plaats gevonden. Dit blijft onder ons. Nee, ik ben nooit ter plaatse geraakt. Correctie: ik ben wél ter plaatse geraakt maar was zoveel te laat dat ik niet meer binnendurfde. Ik heb wel een half uur aan die schoolpoort gestaan. Tot de concièrge naar de poort kwam en vroeg wat ik met die tennisraket van plan was. Ik ben het dan maar afgestapt.
Sindsdien heb ik nooit meer op een podium gestaan.
Misschien was dat wel de triestigste dag uit mijn leven. De dag waarop je eerste droom sterft. Ja, nadien zijn er nog veel gestorven, dromen. Ik heb veel verloren. Mijn geloof in de wereldvrede, dat er ooit een dag zal komen dat niemand meer honger zal hebben, dat liefde onsterfelijk, dat God groot en goed is, dat vrienden voor het leven zijn en dat iedere mens een dichter is. Ja, ik ben veel kwijt geraakt onderweg naar dit podium. Maar het heeft nooit zoveel pijn gedaan als toen die dag, met mijn gitaar op mijn rug ergens in Brussel-Centrum. Ik weet zelfs niet meer waar. Ik was 18 en heel erg moe.
Die avond heb ik het
plastieken mapje met mijn liedjesteksten in, de vuilnisbak in
gekieperd. Ik heb de hele nacht niet geslapen en toen ik de
vuilnismannen langs hoorde komen, dacht ik nog ik ga mijn
liedjes redden. Alleen, ik had toen mijn pyjama met blauwe
beertjes aan. En mijn tijgersloffen. En het is nu eenmaal niet de
gewoonte dat mannen met hun blauwebeertjespyjamas en hun
tijgersloffen op straat komen rennen. Ik ben dus toch maar
binnengebleven.
Klassiekers als
Hanne en Daar staat ze of Omas
aan den dop. Allemaal met de vuilniskar meegegeven. Dat
doet pijn. Veel pijn. Bijna evenveel als wanneer je op je fiets
springt en ontdekt dat iemand het zadel heeft gepikt.
Als ik een
straatmuzikant tegenkom, en dan vooral een gitarist, kan ik het
nooit laten om even stil te staan en te luisteren. Dat is een
gewoonte die me al veel geld gekost heeft, want tegenwoordig zijn
die gasten al niet meer tevreden met vijf frank of zo. Gisteren
zag ik nog een violist op de grote markt. Hij had een kaartje
bij. We aanvaarden ook VISA. Stond erop. Fijn.
Een tijdje geleden ben
ik opnieuw beginnen spelen. Omdat mijn oude gitaar door een
dynastie houtwormen opgegeten was, moest ik er een nieuwe gaan
kopen. Het ding kost wel vijf keer zo veel als mijn eerste gitaar
en toch gaf de verkoper me het gevoel alsof ik voor die prijs al
blij mocht zijn dat er effectief snaren op zaten.
Verkopers
Ik weet
niet of u al ooit een instrumentenwinkel bent binnengestapt. Ze
proberen een mens daar altijd de meest nutteloze accessoires aan
te smeren. Dat geeft dan aanleiding tot dialogen zoals deze.
- Verkoper zegt: Meneer Biebau, omdat ik u zon toffe vent vind, geef ik u dit exclusieve Yamaha-T-shirt er gratis bij. Voilà!
- Ik zeg: Amaai, dat is sympathiek.
- Verkoper antwoordt: Inderdaad, zeker als u weet dat dat T-shirt normaal meer dan 1.200 frank kost. Maar ik vind u dan ook wel héél erg tof. Waarna hij vals naar me glimlacht.
- Hierop repliceer ik: Als u mij dan zo tof vindt, kan u mij dan niet de gitaar zonder T-shirt verkopen? En er gewoon 1.200 vanaf doen?
Hierna vindt de
verkoper me opeens niet meer zo tof. Dat zegt hij dan ook. Waarop
ik dan zeg dat hij zijn T-shirt mag steken daar waar het lekker
warm en vochtig is. En ik vertrek. Met gitaar maar zonder
T-shirt.
Gisteravond heb ik mijn
nieuwe aankoop voor het eerst uitgeprobeerd. Ik ben stilletjes
naar beneden geslopen en heb de gitaar uit zijn kist gehaald. Wel
een kwartier heb ik er zwijgend zitten naar kijken. Ik wist niet
meer goed hoe ik het ding nu precies moest vasthouden. Dus hield
ik het vast zoals je een vrouw die je voor het eerst kust,
vastneemt. Totaal verkeerd. Ik zat in de lege woonkamer en
probeerde enkele liedjes waarvan ik dacht dat ik ze al lang
vergeten was. Mijn stem klonk zwakjes en de gitaar stond vals
en ik had mijn berenpyjama aan en... Plots stond mijn vrouw
beneden aan de trap. Ze vroeg: Wat ben je aan het
doen? En ze glimlachte.
Die avond gebeurde er
een klein mirakel. Want ik was opeens weer achttien. En ja, zij
ook. En we waren hopeloos naïef. Want ja, het beste moest nog
komen.
"Ik denk altijd
aan haar." Meneer B. zei het zacht, zijn stem niet luider of
opvallender dan het geritsel van een blad. Natuurlijk was het een
leugen. Niemand kan altijd aan hetzelfde denken. Je kan niet én
tegelijk de vaat doen én aan je gestorven vrouw denken. Naar het
toilet gaan terwijl je haar vertrouwde gezicht voor je ziet.
"Ik denk altijd aan haar." Het was één van de
clichés waarmee B. zijn leven trachtte te duiden. Ooit was hij
een groot wetenschapper geweest die verbanden, wetten en
evoluties had gezien waar anderen slechts chaos ontwaarden. Het
had hem beroemd gemaakt. Even hadden mensen hem zelfs op straat
herkend. Nu was hij niet meer dan een frêle, oude man, voor wie
de tijd een reeks krimpende getallen was.
"Ik heb nooit veel
met schrijvers gehad." Hij boog zich vertrouwelijk naar me
toe - dit was meestal een signaal dat er een snedige opmerking
stond aan te komen, één die ik zeker moest opschrijven.
"Ik had het te druk met de werkelijkheid om me met fantasie
bezig te houden." Ik overwoog even om mijn geliefde Letteren
te verdedigen, maar bedacht dat dit sowieso hopeloos was. Meneer
B.'s overtuigingen waren - net als de Deense boterkoekjes die hij
steevast bij zijn koffie serveerde - uit graniet opgetrokken. Ik
zweeg en deed wat van me verwacht werd: ik schreef, terwijl de
donkere, eikenhouten meubelen onbewogen toekeken.
Onze relatie draaide om
geld. Meneer B. betaalde me genoeg om zijn onhebbelijke gewoontes
en pedante praat aanvaardbaar te maken, maar niet voldoende om me
van hem te doen houden. Daarvoor lagen onze werelden te ver uit
elkaar. Waarom meneer B. net mij had uitgekozen om zijn
middelmatige leven op papier te zetten, had hij me nooit verteld.
Het was één van die onderwerpen die we allebei zorgvuldig
meden, zoals schaatsers dat met een zwakke plek in het ijs doen.
Waarschijnlijk had hij één van mijn jeugdige kortverhalen
gelezen die niet door de acquisitiedienst van het
Davidsfonds waren genekt. De korte, zakelijke stijl die ik toen
hanteerde zal hem vast en zeker aangesproken hebben.
Hij belde me voor het
eerst op een zondagavond. Of ik zijn biografie wou
schrijven. Normaal had ik zijn verzoek weggelachen, maar
mijn financiële situatie liet dat niet toe. Ik woonde toen nog
alleen met mijn dochtertje Sara. Ze had de MP3- en gsm-leeftijd
nog niet bereikt maar ik besefte dat dat slechts een kwestie van
maanden was. Ik kon elke cent dus wel gebruiken. Daarom en
alleen daarom stemde ik toe.
De volgende twee jaren
verliepen volgens een vast patroon. Dat moest zo, want meneer B.
hield van regelmaat zoals alleen wetenschappers dat kunnen. In
zijn universum werd A altijd door B gevolgd, vormden twee gegeven
stoffen onvermijdelijk een derde
Ook zijn leven was
een perfect geordende opeenvolging van voorspelbare
gebeurtenissen. Elke zondagavond meldde ik me aan bij de
Pakistaanse conciërge van Bs luxueuze serviceflat, een
hopeloos ouderwetse dictafoon en een notablok in mijn rugzak
gepropt. Gedurende twee uur onderhield B. me dan over deze of
gene episode uit zijn voorbije leven, zijn darmtransit of de
vermeende onbeschoftheid van de hedendaagse jeugd. Nadien, achter
mijn aftandse PC gezeten, probeerde ik deze ontboezemingen tot
een samenhangend verhaal om te toveren, een taak die enorm werd
bemoeilijkt door meneer Bs dwangmatige bemoeienissen.
Feiten, mijn
jongen! Feiten! Meer heb je niet nodig! placht hij te
zeggen als hij mijn pennenvruchten weer eens doorbladerde, met de
welwillende blik van een vader die zijn zoons eerste opstelletje
naleest. De mensen lezen al genoeg fantaisistische rommel.
Dit boek moet en zal anders zijn! Een spiegel van het ware leven,
zonder franje en valse emoties! Soms deed meneer B. me aan
Thomas Gradgrind denken, de aan feiten verslaafde schooldirecteur
uit Dickens Hard Times.
De neiging om de
werkelijkheid wat aan te dikken of te romantiseren was nochtans
bijzonder groot, want meneer Bs leven zijn opgang
van simpele boerenjongen tot wetenschapper, het academische
gekissebis waarin hij zich vol overgave had gestort, zijn
monogame liefdesleven - was van een ongeziene, slaapverwekkende
saaiheid.
***
"Ik denk altijd
aan haar." Het was de eerste keer dat B. zich tot een emotie
liet verleiden. Hij keek me aan met verrassend jonge ogen en liet
een droevige glimlach over zijn gezicht glijden. Hij veegde een
onzichtbaar pluisje van zijn kraaknette pantalon en bloosde
licht, alsof hij zich schaamde voor de menselijkheid die hij
zo-even had getoond.
Vertelt u eens
wat meer over uw vrouw, probeerde ik hem aan te moedigen,
hoewel ik wist dat dat geen zin had. Tot mijn grote verbazing
of was het ontsteltenis? ging B. in op mijn
onbetamelijke verzoek. Hij begon te vertellen, met de kracht en
de passie van een rivier die te lang was ingedamd en nu door zijn
betonnen gevangenis was gebroken. Over Vera het was de
eerste keer dat hij zijn vrouw een naam gaf. Over hun eerste
ontmoeting, hun leven samen en haar te vroege dood. Ik noteerde
als een gek, blij met de goudader aan emoties die was
blootgelegd. Dit was literatuur zoals het moest zijn:
pure, rauwe emotie gedistilleerd in de alembiek van het leven.
Buiten werd het nacht, maar dat merkte geen van ons beiden op.
Om ongeveer twee uur
in het midden van een herinnering - stond meneer B. plots
op. Het is tijd om te gaan, zei hij en wees me met
kordate hand de deur. Tot volgende week, mompelde ik
nog verrast maar mijn enige toehoorder was een gesloten
deur.
***
De volgende dagen
spendeerde ik achter het vergeelde klavier van mijn PC. Die ene
avond had me meer stof opgeleverd dan de voorbij twee jaren
samen. Mijn hongerige handen smeedden fragmenten, herinneringen
en ideeën samen tot één groot, overweldigend verhaal. De
waargebeurde geschiedenis van een man van de wetenschap, uit
cijfers en feiten opgetrokken, die de Liefde leert kennen in de
vorm van een vrouw. Een verhaal van catharsis, Grote
Emoties en liefde over de grenzen van de Dood heen. Het was
perfect.
De volgende week
weigerde B. me te ontvangen. Ik gaf mijn manuscript aan de
conciërge, die me bezwoer dat hij het hoogstpersoonlijk aan
meneer B. zou overhandigen.
Ook de week daarna
stond ik voor een gesloten deur. Meneer B. heeft het
verhaal nog niet helemaal uit, vertelde de conciërge me.
Hij is een trage lezer. Ik geloofde hem niet.
Pas één maand later
liet meneer B. me opnieuw binnen. Hij was sterk vermagerd en zijn
huid had een ongezonde, gelige tint. Ik verwachtte dat hij mijn
schrijfsels met wetenschappelijke precisie zou afkraken, maar dat
deed hij niet. Het ontroerendste verhaal dat ik ooit
gelezen heb, noemde hij het. En er is geen woord van
gelogen, voegde hij eraan toe. Dat was veruit het mooiste
compliment.
Er ontbreekt
slechts één ding, zei ik. Hij keek me aan en ik besefte
dat ook hij het had opgemerkt en dat dat net de reden was geweest
waarom hij me de voorbije weken niet had willen ontvangen.
Een einde, antwoordde hij. Ik knikte.
Na lang discussiëren
hadden we een compromis gevonden. Het zou Cap Finistère worden,
één van de meest westelijke punten van Bretagne. De naam had
naast de relatief makkelijke bereikbaarheid - de doorslag
gegeven. Finis terrae, het Einde van de Aarde, waar de
Atlantische Oceaan op de vestingmuren van het oude Europa beukt.
Bestond er een mooiere plaats voor het einde van een dramatisch
liefdesverhaal? Wij waren allebei overtuigd van niet.
Het duurde tot lang na
zonsopgang voor de laatste toeristen de kliffen hadden ontruimd.
B. en ik wandelden langs het kolkende water en spraken over het
weer en de vermeende onbeschoftheid van de hedendaagse jeugd. Hij
had zijn trouwkostuum aan dat was één van zijn eigen
ideeën geweest. Tenslotte kwamen we aan een granieten rotswand
die loodrecht de zee indook. De muisgrijze golven spatten
metershoog op.
Adieu, zei
B. en hij sprong met een sierlijke boog het water in. Het was een
perfect einde.
***
Hij had zijn hele
leven altijd aan haar gedacht. Dat was de laatste zin van
het boek. Het was de enige leugen in een voor de rest volledig
waarheidsgetrouw verhaal...
Met de Vlaamse Televisiemaatschappij.
- Ben ik bij de VTM?
Dat zeg ik toch net.
- U kan wel wat vriendelijker zijn, jongeman. Ik bel om u te helpen.
Ja?
- Ik heb nieuws.
Maak het kort. We hebben vandaag al twaalf overreden honden, drie ontsnapte parkieten en twee verdachte Jehovah-getuigen gehad. Mijn geduld is dus redelijk uitgeput.
- Wel, het gaat over Firmin van hier rechtover.
Ja? (zucht)
- Hij heeft een relatie met Jeannine van Onder den Toren.
(sarcastisch) Hoogst interessant. Denkt u nu écht dat dit in het nationale nieuws moet?
- Het is niet haar eerste keer, de sloerie. Vorig jaar was het de schepen van Openbare Werken. En daarvoor die van Feestelijkheden.
Sorry, maar dit is niet het nieuws waar we naar op zoek zijn.
- Een plaatsje in het eenuurjournaal moet toch wel kunnen? Of Het Hart van Vlaanderen? Kunnen we niets regelen?
Nee. En dat is definitief.
(opgewonden) Wel godver****** Zon schandaal! En twee schepenen erbij betrokken! En nu met Firmin! Het is een schande! Een schande, zeg ik u!
U hoeft zich niet zo op te winden, meneer...
- Firmin en Jeannine die liggen te vossen in het maisveld! Hun geschokte kinderen met betraande wangen! Ik kan u de beelden bezorgen, als u dat wil!
(op de achtergrond
klinkt er gestommel en daarna een tweede stem)
Karel, wel godver***, en dat noemt zich dan een vriend!
- (geschrokken) Aah, Firmin! Dat is een eh verrassing. Hoe gaat het er nog mee?
Ik heb u wel gehoord. Mij en Jeannine zo zwartmaken! Smerige onderkruiper!
(er weerklinken
harde klappen en uiteindelijk een schot)
- Aaargggggghhhhh
***
Hebben jullie nog een ploeg?
* Waarvoor?
Een schietpartij. In Zwevegem. Twee zwaargewonden.
* Klinkt sappig.
En het waren dan nog twee goede vrienden.
* Ja, die 4040-lijn rendeert echt wel.
De Kooi van Faraday is de benaming voor een kooivormige constructie van elektrisch geleidend materiaal zoals koper of ijzer die er voor zorgt dat elektromagnetische straling niet tot binnen de kooi kan doordringen. (Bron: nl.wikipedia.org)
---
Natuurlijk hield ik van je. Is de oceaan nat? Is de zon warm? Mobiele telefonie te duur? Ik kwam je tegen en kon niet anders dan van je houden. Je was het beste wat me ooit in een supermarkt was overkomen.
O ja, we kenden elkaar al lang voor die ontmoeting tussen de pakken couscous en langkorrelige rijst. We werkten in hetzelfde prozaïsche bedrijf. Siertegels en laminaatvloeren. Jij ontwierp ze en ik verkocht ze. Toen al vulden we elkaar aan. Hoe had ik je al die jaren niet kunnen opmerken?
Ben je aan het
winkelen? vroeg je.
Toegegeven, het was zowat de stomste openingszin die ik ooit
gehoord had. Maar ik vergaf het je graag. Je haren hingen
los. Ik voelde me wat opgelaten. Waarom had je die goudrode schat
zo lang voor me verborgen gehouden?
Ja, zei ik. Je fronste je wenkbrauwen, zodat ze op
twee harige kommas leken. Je was je eigen vraag al
vergeten, veronderstel ik.
We bleven wat praten. Over de
dingen waar collegas nu eenmaal over praten. De nieuwe,
afgrijselijke, Daffy Duck-das van ons afdelingshoofd, de geplande
herstructurering en de kwaliteit van de espresso in de kantine.
Ik moet weg, zei je plots.
Mijn ogen vergezelden je tot aan de uitgang. Er lag één
biefstuk in je karretje en één portie noedels.
Ik corrigeer mezelf. Ik ben niet verliefd geworden op jou. Niet op jou, maar op de enkele, herkauwde en kapotherinnerde momenten waarop we echt hebben gepraat. Jij en ik, twee gelijkgestemde zielen in een kakafonisch heelal. Op het eerste licht dat op een welbepaalde, moeilijk te definiëren, manier je haren in vuur en vlam kon zetten. Op de lichte vloeken die elke consultatie van de weegschaal met zich meebracht.
***
Mijn moeder stuurt me elke dag een mailtje, waarin ze in bedekte termen naar mijn gezondheid informeert. Ze maakt zich zorgen nu je er niet meer bent. Over mijn mentale stabiliteit, mijn eetgewoonten en over het al dan niet aanwezig zijn van propere onderbroeken in mijn bestaan. Ik maak me vooral zorgen over hààr.
***
Ik zet de TV aan. Dan valt de
eenzaamheid minder op. Net zoals lelijk vasttapijt de aandacht
afleidt van al even lelijk behang. Ik laat de Champions
League-wedstrijd aan me voorbij gaan. Je hield van voetbal.
Ik ben met de foute man getrouwd, grapte je vaak
als ik me tijdens een wedstrijd weer eens vol walging van
het scherm had afgewend. Ik gaf je geen ongelijk.
***
Kan iemand een stuk van zijn verleden kwijtraken? Alsof een
beginnende chirurg met een scalpel in zijn hersenen heeft
gepookt? Ik mis ons verleden samen. Zelfs de dingen die me
ergerden, ontlokken me nu een dromerige glimlach. De voetballers
op het scherm juichen als een stel uitgelaten kleuters. Het is
4-3. Ik supporter voor de tegenpartij. Uiteindelijk ga ik
moegetergd naar buiten.
***
De supermarkt is al drie keer van interieur veranderd sinds onze
eerste ontmoeting. Vooruitgang, noemt de directie
het. Ik noem het slechte wil. Ik dwaal tussen de
schappen en koop alleen de dingen die ik niet nodig heb. De rest
laat ik staan. Het is nooit anders geweest.
***
Ik was niet eens verrast toen ik je tegenkwam. Ik heb altijd al
in het Lot geloofd, een beschermende kooi van Faraday die onze
werkelijkheid omarmt en stuurt. We troffen elkaar bij de couscous
en de groenteconserven de langkorrelige rijst was er deze
keer niet bij, die stond nu bij de condimenten.
Ben je aan het
winkelen? vroeg je.
Dat is zowat de domste openingszin die ik ooit heb
gehoord, zei ik.
Je glimlachte. En ik, ik lachte terug - als je eeuwige
spiegelbeeld.
©Dosto 01-10-05