Kortverhalen


Home

Ik hou van korte, snedige verhalen. Tranches de vie met een pointe... U kan kiezen uit het volgende moois...

 

THRILLERS VERRASSEND TRAGISCH HUMOR

Marcel

Marcel heeft een vreemde hobby: hij achtervolgt vrouwen.

Operatie Sjaloom

Mediamagnaat Isaac Meijer heeft een droom: de problemen in zijn land oplossen met een tv-programma. Expeditie Robinson met twee toch wel heel aparte teams.

Elfen

Elfen bestaan niet, maar soms zouden ze moeten bestaan...

James

James Bond krijgt een nieuwe baas....

Russisch voor beginners (nieuwe versie)

Een thriller: taal als moordwapen... het kan.

Replicator

Vergeet die mp3-speler of die i-Pod. Dit is pas echt revolutionair. Replicator: waar verleden en toekomst elkaar ontmoeten!

Baboesjka

Een verhaal in een verhaal in een verhaal. Of zoiets...

Licht

Een modern kerstverhaal. Met dank aan de inwoners van de Diestsesteenweg voor de inspiratie ;-)

Blaffer

Blaffende honden bijten niet - ook niet in Buenos Aires. Het verhaal over een dief met een probleem...

De Bestseller

Een schrijver verdedigt zijn geesteskind tegenover enkele sceptische uitgevers. Een verhaal met een venijnig einde...

Voorgoed

Meneer en mevrouw Claessens leven al tientallen jaren met een stil verdriet... 

Tieten

Een snelcursus moderne montagetechnieken.

 

Liefde?

Valentijn komt met rasse schreden dichterbij. Romantische etentjes, smeuige schlagers en intieme ballonvaarten maken elke vorm van leven quasi onmogelijk. Gelukkig is er nog dit verhaal...

Hebt elkander lief 

Voor de mensen die het vorige verhaal te cynisch vonden, laat de Troubadour - exclusief en in wereldpremière - zijn Gevoelige Kant zien...

Muziek!

Wie droomt er niet van een muzikale carrière? Been there, done that.

 

De sollicitatie

Vrouwen kunnen wreed zijn voor elkaar... En dat levert voldoende stof op voor een nieuw drama in (godzijdank) één bedrijf.

Astrid

Assepoester maar dan anders...

4040

De Vlaamse commerciële omroep heeft onlangs de zogenaamde 4040-lijn gelanceerd waar kijkers zelf nieuws kunnen aanleveren...

 

Pril

In cauda venenum... 

  De kotplasser:

Een anekdote uit mijn studententijd

 

Soddatjes

Met soldaatjes spelen is geen kinderspel!

   
 

De Biograaf

Een oude wetenschapper vraagt een schrijver om zijn biografie neer te pennen. Als dat maar goed afloopt...

   
 

Faraday

Over Lot en Liefde.

 

 

Astrid

 

Hoe ze nooit goed genoeg was. Niet mooi genoeg. Niet slim genoeg. Misschien hadden ze gelijk. Ja, ze was lui. En ja, ze was dom. En slecht. Vooral dat laatste. 

 

Ze schoof de emmer voor zich uit. Er klotste water op de vloer. Het was zwart en vies.  

 

Ze bekeek haar besproete armen en voelde de vertrouwde walging. Ze was oud geworden. Haar bleke tienerlijf was onmerkbaar veranderd in het getaande exoskelet van een oude vrijster, zonder ooit tot volle rijpheid te zijn gekomen.

 

Misschien had het geholpen als ze kinderen had gehad. Dat ze dan misschien, door liefde te geven, ook van zichzelf had leren houden. Dat ze dan tenminste iemand zou gehad hebben. Dat ze... Ze had ooit een kindje gehad, herinnerde ze zich met een schok. Ze zag een jongetje voor zich, vaag als op een oude foto. Met rode krullen en een half afgekauwde lolly in zijn knuistjes geklemd. Meer wist ze zich niet te herinneren. 'Die vervloekte medicatie,' dacht ze nog even. Toen golfde de chemische verdwazing alle gedachten weg. Die vervloekte medicatie.

 

Ze dacht aan het reclamespotje, gisteren op tv. Het was voor een levensverzekering geweest. Een oude vrouw en haar dochter, glimlachend naar en naast elkaar, in een landschap van herfsttinten en schapenwolkjes. De moeder wou haar dochter niet tot last zijn. Vandaar de levensverzekering. 

 

- Astrid!

De schelle stem van haar moeder. “Stiefmoeder,” verbeterde ze zichzelf. Astrid liet de “st” tegen haar gehemelte knallen en schrobde verbeten verder.

- Ben je nog niet klaar?

Haar stiefmoeder stond vlak voor haar. Haar volle lippen hadden zich rond een sigaret gesloten, als een roos met giftige stamper.

- Kijk me aan!

Astrid keek weg. Haar moeder ademde rook. Een draak.

'Je kon wel wat dankbaarder zijn. Na alles wat we voor je hebben gedaan.'

Wat dat “alles” was had ze Astrid nooit verteld.

 

Ze wou dat Astrid haar bij haar voornaam noemde. Alsof dat haar jonger zou maken. Alsof ze dan vriendinnen zouden worden. 

- “Anna en Ella kunnen er elk moment zijn,” brieste ze. “Straks komen ze nog te laat. Door jouw schuld.”

 

Zijn auto zou parelwit zijn. Net als de glimlach die hij kwistig zou rondstrooien. Hij zou haar optillen, als een veertje, en haar dan zachtjes, als was ze een porseleinen herderinnetje, op de passagierszetel van zijn witte bolide doen plaatsnemen. En zij, zij zou zich beperken tot een koket knikje. En zwaaien, zoals lady Di.

 

Het was de eerste zaterdag van de maand en dan moest er samen gewinkeld worden. Anna en Ella stapten met synchrone passen over de bijna lege parking die het plaatselijke shopping center als een asgrijze poel omringde. Nu en dan deelden de zussen een roddel of een kwetsende opmerking. Astrid liep enkele meters voor hen uit. Alsof ze een gevaarlijk dier was, iets dat constant in de gaten moest worden gehouden.

 

Een vrouw met een peuter op de arm liep hen voorbij. Astrid zwaaide, maar het kind leek haar niet op te merken. 

 

"Laat de mensen met rust!" siste Anna. "De mensen" zei ze, alsof Astrid iets anders zou zijn, iets om je voor te schamen. Astrid verborg haar hoofd tussen haar te vlezige schouders en wandelde verder. Hier was ze al eens eerder geweest, op een gelijksoortige winterdag. Toen had ze nog tussen haar beide zussen in gewandeld. Ze had hen ook toen al onuitstaanbaar gevonden.

 

Bij een schoenwinkel die er niet te duur uitzag, gingen ze naar binnen.

 

U heeft een mooie, hoge wreef,” zou de verkoper zeggen. "Dat hebben er niet veel." Er zou bewondering in zijn stem klinken, een gevoel dat Astrid bij bijzonder weinig mensen opriep. Ze zou de afgunst van haar zussen als  een kille bries over haar wangen voelen strijken.  Voor een keer zou zij de uitverkorene zijn. Ze zou genieten.

"Ze passen u perfect." In haar fantasie kocht ze altijd zilverkleurige muiltjes. Anna en Ella hadden ze even daarvoor geprobeerd - zonder succes. Totaal onpraktisch, maar mooi - zo kocht ze er normaal nooit.

 

De verkoper gaf haar een rare blik, vond ze. Alsof hij dezelfde scene in zijn fantasie had nagespeeld en haar nu herkende. Hij was niet zo knap als ze zich herinnerde. Ook een stuk jonger. Met de laatste resten van een door acné verpeste puberteit over zijn gelaat verspreid.

 

"Heeft u ook zilverkleurige muiltjes?" vroeg Astrid. Haar stem klonk iel.

 

Opnieuw die vreemde blik. Half herkenning, half verbijstering. Astrid hoefde zich niet om te draaien om zich een levendig beeld te vormen van de ontsteltenis op het gezicht van haar zussen. Later zou ze de herinnering aan dit moment koesteren, wist ze.

"Ik zal eens kijken wat we hebben." De verkoper verdween door een deur achter de toonbank.

 

Astrid had zich nog nooit zo zeker gevoeld. De schoenen zouden pas het begin zijn. Daarna zou ze nieuwe kleren kopen. Een nieuw kapsel. Een fitnessabonnement. Enkele bezoekjes aan de zonnebank. En dan een man. En dan een kind...

 

Het was Anna die haar uit haar dagdroom deed ontwaken. Natuurlijk. Ze gunde haar nooit iets.

"Astrid!" siste ze. Ze had haar bij de elleboog genomen en trok die zachtjes naar zich toe. "Meekomen!" zei ze, iets zachter nu.

"Maar mijn schoenen...” protesteerde Astrid zwakjes.

“Mijn schoenen.” Het klonk als een gebed.

“Asjeblief. Astrid.”  Ook Ella mengde zich in de conversatie. Haar stem bevatte een nieuwe, onverwachte emotie: angst. Haar zussen waren bang. Het besef maakte Astrid euforisch. Wat slecht was voor hen was per definitie goed voor haar.

“Ik blijf,” zei ze strijdvaardig.

Haar zussen begonnen zichtbaar te panikeren. “Kom mee, Astrid. Doe niet zo stom!”

Ze bleef vastberaden. 

“Ik blijf.”

 

Niet veel later was de politie er. Twee piepjonge agenten met kogelvrije vesten die met overbodig machtsvertoon de winkel binnenstormden. De verkoper toonde hen gretig de weg. Hij wees naar Astrid. “Dat is ze,” zei hij. “De kinderlokster.”

 

Of ze even haar mond wou opendoen? Het zou zo gefikst zijn! “Zo gefikst,” de uitdrukking deed haar glimlachen. Hij haalde een wattenstaafje boven en stak het in haar mond. Het kietelde.“We moeten wat epitheelcellen hebben.”

“We”. Ze had geen idee over wie hij het had. Of wat “epitheelcellen” waren.

 

Ze hadden haar een foto getoond van een jongetje. Hij leek op de peuter uit de plotse herinnering van die ochtend maar dan zonder lolly. Die lolly had ze hem zelf gegeven, nadat ze er even had aan gelikt om te tonen dat alles veilig was. Daar hadden ze haar DNA vandaan. Zo hadden de rechercheurs het haar verteld.  

 

De tests waren positief. Het was wel degelijk Astrid geweest die een 3-jarige kleuter uit een schoenwinkel had meegelokt om hem pas enkele uren later huilend aan de rand van de snelweg achter te laten. Met een lolly. Kinderen hielden van snoep. Het was een van de weinige zekerheden in Astrids leven.

 

"Wat precies heb je met hem gedaan?" De rechercheur keek haar strak aan. Hij was het type dat lange stiltes kon verdragen. Beter dan Astrid dat ooit had gekund. Zou kunnen. Het onvermijdelijke bekertje koffie had hij met een smak op tafel gezet. Astrid kromp ineen. Ze hield niet van onvriendelijke mensen. 

'Ik weet het niet.' Ze herinnerde zich vaag een bezoekje aan een fastfoodketen en een rondje op de paardenmolen. Dingen die moeders met hun kinderen deden. Meer niet. De medicatie had haar geheugen aangetast. Volgens haar zussen was dat ook de bedoeling geweest. “Om je te beschermen tegen jezelf.” Dat stak nog het meest.

 

Ze brachten haar naar een gespecialiseerde instelling. Daar zou ze blijven tot ze weer beter was. “Beter.” Astrid kon zich daar weinig bij voorstellen.

 

De auto die haar stond op te wachten was wit. De agent zette haar behoedzaam op de passagierszetel. En zij zwaaide, bleef zwaaien - als lady Di -, tot ze al lang de straat uit waren.

 ---

De Kotplasser

Ik weet niet of het aan mij ligt, maar tijdens mijn vijf jaar in Leuven, slaagde ik er altijd in om op de verschrikkelijkste koten terecht te komen. De ene keer trof ik een douche waar je munten in een sleufje moest gooien voor het ding een minimalistisch stroompje lauw water produceerde, de andere keer bleken er Poolse illegalen op zolder te logeren of kon ik ongewild de amoureuze acrobatieën van mijn buurman volgen en dat door de flinterdunne muur heen. Het ergste was dat mijn kotintuïtie er met de jaren alleen maar slechter op werd, zodat ik in mijn laatste jaar als student op een piepklein kamertje terechtkwam met alleen koud water en een kantelraam dat uitgaf op wat wel het grauwste deel van Leuven moet zijn geweest. Om dan nog maar over de kotbaas te zwijgen, een kwieke zeventiger die er een gewoonte van maakte om in zijn “marcelleke” op het dak te klimmen en daar in de prille ochtenduren allerlei luidruchtige werkzaamheden uit te voeren. Dit kot was de setting van de volgende anekdote.

 

We zaten in de ergste periode van het jaar: die paar weken voor de examens waarin iedereen zich schuldig begint te voelen voor een jaar lang niksen en spijbelen en zich met een energie, die aan wanhoop grenst, op zijn blanco cursussen en fragmentarische notities stort. Zo ook ondergetekende, die er niets beters had op gevonden dan zich met zijn cursus ‘Vredesonderzoek en Conflictbeheersing” (of iets dergelijks) in bed te installeren. Het studeren vlotte niet echt, mijn buurman – een eerstejaars – had zijn vrienden uitgenodigd voor een allerlaatste, ongeremde drinkavond; voor de examens een einde zouden maken aan een jaar vol slaapgebrek en drankmisbruik.

 

Normaal deed ik ’s avonds de deur van mijn kamer op slot. Vier jaar ervaring als student had me geleerd dat dit geen overbodige maatregel was, al was het maar omdat de meeste studenten van practical jokes houden. Dit keer had de combinatie saaie cursus + zacht bed me echter genekt: ik was midden in een ongetwijfeld zeer interessant hoofdstuk in slaap gesukkeld – en dat met open deur.

 

Na enkele uren slaap, werden mijn dromen plots verstoord door een vreemd geluid: het geklater van een klein beekje, leek het wel. Enigszins verdwaasd deed ik mijn ogen open en zag een halfnaakte, mij onbekende, jongeman aan mijn wastafel staan, met zijn rug naar me toe gekeerd. Ik had enkele weken daarvoor The Sixth Sense gezien, een film die begint met een bloedstollende scène in een badkamer en dacht dus dat ik met één of andere gestoorde gek te maken had. Ik kroop uit bed en sloop voorzichtig naar de kerel en zag dat hij in mijn lavabo aan het wateren was. Nu, lavaboplassers zijn niet zo vreemd in studentenmiddens (als je toilet twee verdiepingen lager is en moeder natuur roept, dan zit er vaak niets anders op dan je lavabo oneigenlijk te gebruiken); maar dit druiste in tegen de eerste en bij mijn weten enige regel van lavaboplassers: “nooit ofte nimmer in andermans lavabo.”  

 

Mijn verbazing veranderde in ergernis en ik zei (mijn cursus “Vredesonderzoek” ten spijt) iets in de strekking van “Hela manneke, da’s wel mijne lavabo!” Waarop de vreemde indringer me verstoord aankeek en repliceerde: ”Mmmmmemreaammjajajaja.” De jongeman was een stuk groter en struiser dan ikzelf, dus zat er niets anders op dan te wachten tot hij had gedaan waarvoor hij gekomen was. Daarna duwde ik hem met zachte, doch kordate, hand naar buiten. Om daarna onmiddellijk mijn deur op slot te doen.

 

De volgende ochtend kreeg ik een verklaring voor het vreemde voorval: één van de gasten van mijn buurman, die te dronken was om naar huis te gaan, was op zijn kamer blijven slapen. Midden in de nacht was hij wakker geworden met een vol gevoel in de onderbuik en was hij – op zoek naar een toilet – de gang opgestommeld. Toen hij mijn open deur zag, was hij naar binnen gegaan en had hij (ongetwijfeld gehoor gevend aan een oeroud instinct) zijn plasje in mijn lavabo geparkeerd. Achteraf kon ik er wel mee lachen, maar niet voordat mijn buurman  de getroffen plek grondig had ontsmet!

 


Marcel

Marcel maakte zich geen illusies. Hij had altijd al geweten dat hij anders was. Al sinds zijn veertiende, toen zijn klasgenootjes zich collectief hadden verdiept in literatuur met schaars geklede vrouwen op de cover en - zo mogelijk – nog spaarzamer gekledere dames binnenin, had Marcel heel andere interesses gehad. Vanaf zijn zestien kon je hem dagelijks in de plaatselijke bioscoop terugvinden. Daar vulde hij, in een decor van rode pluche en gedimde lichten, zijn jonge geest met de gestileerde gruwel van Hitchcock en Buñuel. Hij was vooral een fan van de scènes waarin hulpeloze, hysterische vrouwen schreeuwend het leven lieten. Daar werd hij opgewonden van.

 

Marcel was opgegroeid in een sfeer van “Hier vloekt men niet, God ziet u!”. Elk bioscoopbezoek ging dan ook gepaard met een knagend, katholiek schuldgevoel. Pas vele jaren later had Marcel het aangedurfd om zijn fantasieën in de praktijk om te zetten. Zoals vanavond.

 

***

 

De laatste avondtrein uit Brussel had net zijn lading forenzen op het perron uitgespuwd. Marcel wachtte, veilig in de schaduw van een warmlopend treinstel. Hij droeg een lange, zwarte regenjas, een paar kalfsleren handschoenen en een deukhoed. Ergens had deze outfit hem gepast geleken. Dik ingeduffelde pendelaars wandelden hem voorbij, zonder hem ook maar één blik waardig te gunnen. Uit hun gehaaste monden ontsnapten kleine wolkjes condens.

 

Ze was als laatste uitgestapt. Ze kon nog geen twintig zijn, maar had haar best gedaan om dat niet te laten merken. Ze had haar gitzwarte, stugge haren in een zakelijk knotje gebonden en droeg een zo mogelijk nog zakelijker broekpak. De enige frivoliteit die ze zichzelf had toegestaan, was een stel naaldhakken, die hun ritmische sirenenzang op het asfalt tikten. Een secretaresse of een advocate. Beide beroepen waren sexy, besloot Marcel. Hij gaf haar een voorsprong van dertig meter. 

 

Wat ze droeg, had trouwens geen belang. Fantasie was een krachtige manipulator, dat had Marcel door de jaren heen geleerd. Het zou hooguit enkele dagen duren vooraleer zijn verbeelding haar zakelijke broekpak in een nauwsluitende jumpsuit had veranderd, zo één die Emma Peel in The Avengers had gedragen. Of haar rolkraagpull had vervangen door een frivool bloesje met duizelingwekkende decolleté.

 

De vrouw was gestopt. Het getik van haar hakken pauzeerde samen met haar. Ze leek wat te zoeken. Een sigaret werd vakkundig aangestoken. Een rookster. Marcel knikte goedkeurend. Sigaretten en onkuisheid, de combinatie leek op zijn netvlies gebrand. Hoe Rita Hayworth de hare uit een sarcastische mondhoek liet bengelen. Of hoe Marlène Dietrich de hare met volle lippen omvatte, als een bloedrode tulp met een giftige stamper.

 

Marcel tastte in zijn jaszak. Alles zat klaar. De vrouw wandelde terug verder. Marcel was haar op twintig passen genaderd. Hij rook haar parfum. Nuits Fauves. Dat beloofde.

 

Elke stap verwijderde hem verder van zijn katholieke, kleinburgerlijke opvoeding. Iets ouder en angstaanjagender kwam ervoor in de plaats. Zo was het altijd al geweest.

 

Nogmaals bracht Marcel zijn hand naar zijn vestzak. Er weerklonk een droge klik. Marcel glimlachte. Je kon nooit zeker genoeg zijn.

 

De vrouw had intussen haar stap versneld. Ze naderden de stationsparking. Die lag er verlaten en slechtverlicht bij, merkte Marcel tevreden op. Ook de vrouw had dit gezien. Ze keek schichtig om zich heen. Ze maakte zichzelf waarschijnlijk wijs dat er niets aan de hand was. Dat Marcel een toevallige voorbijganger was. Dat ze over een minuutje of tien terug zou zijn bij haar echtgenoot, kinderen of wie er ook op haar zat te wachten.

 

Marcel was haar tot op drie meter genaderd. De vrouw deed geen moeite meer om haar paniek te verbergen. Ze zette het op een lopen. Het gewieg van haar heupen maakte haar nog aantrekkelijker. Marcel had haar snel ingehaald. Hij drukte haar tegen de stalen poort van een garagebox.

 

Haar gezicht was even mooi als Marcel het zich had voorgesteld. Haar ogen puilden wel lichtjes uit, maar dat kwam waarschijnlijk door de angst, vermoedde Marcel. Hij graaide onhandig in zijn vestzak en haalde het zwartgeschilderde waterpistool boven. De vrouw gilde. Lang en scherp.

 

Pas toen ze het miezerige waterstraaltje voelde, stopte ze met schreeuwen. Haar paniek had plaatsgemaakt voor oprechte verontwaardiging.

 

“Wat denkt u wel dat u doet!” brieste ze. Ze had zich bewonderenswaardig vlug van de schok hersteld. Marcel keek zo verbouwereerd mogelijk. Daar was hij de voorbije jaren goed in geworden.

“Ik dacht dat u iemand anders was,” stamelde hij. “Dat u ook meedeed aan het moordspel van… van ons bedrijf.” 

 

Het scheelde niet veel of de vrouw had een klacht ingediend, maar Marcel had zo zielig gekeken dat ze uiteindelijk genoegen nam met diens welgemeende excuses en een kleine vergoeding voor haar verruïneerde kapsel.

 

***

 

Terug in zijn auto haalde Marcel de dictafoon uit zijn jaszak en zette het op het bestofte dashboard. Het was een ultralicht, modern ding dat perfect in zijn zak paste. Hij spoelde de tape terug en luisterde naar de langgerekte, haast dierlijke schreeuw van de vrouw op de stationsparking.

 

Verdomme, ze was echt goed. Bijna net zo goed als Janet Leigh in Psycho. En alleszins veel beter Drew Barrymore in Scream.

 

Marcel liet de vrouw wel tien keer schreeuwen. Toen kwam hij schokkend klaar in een wereld die volledig van rode pluche leek gemaakt.

 


Elfen

“Misschien komt het door uw… huwelijksproblemen.”

De directrice sprak het laatste woord uit alsof het om een uiterst besmettelijke geslachtsziekte ging. Ze boog haar schrale gierennek naar Joris Claessen, die instinctmatig ineenkromp. Herinneringen. Niet dat de bebrilde directrice van het Sint-Jozefsschooltje ook maar één gelijkenis vertoonde met de rondbuikige, paapse schooldirecteurs die zijn eigen kindertijd hadden bevolkt.

 

Mevrouw Muylders was namelijk met haar tijd meegeëvolueerd. Getuige daarvan haar smaakvolle broekpak, de bewust warrige coupe die ze zich nog maar onlangs had laten aanmeten en de ingelijste Kandinsky-repro’s die de muren van haar kabinet sierden.

 

“Nu. Wat stelt u voor?”

 

Joris Claessen was opnieuw twaalf. Zijn bleke tienerbenen bengelden als twee slapgekookte asperges over de stoelrand, zonder enig contact te maken met de grond.  Hij had daarnet de treden geteld van de brede, majestueuze trap die naar het kabinet van de prefect leidde. Het waren er drieëndertig geweest. Een oneven getal. Oneven getallen betekenden onveranderlijk slecht nieuws. En inderdaad. Nauwelijks enkele minuten later had de prefect het verteld. Een ongeval. Zijn moeder.

 

Joris rilde en werd opnieuw een kwarteeuw ouder. Er werd een antwoord van hem verwacht. Dat zag hij aan de opgetrokken wenkbrauwen van mevrouw Muylders.

“Nick is een aparte jongen…” probeerde hij. Dit was duidelijk niet het juiste antwoord. De wenkbrauwen waren nog steeds opgetrokken.

“Ik bedoel…” hernam hij zich. “Nick heeft een probleem…”

 

“Inderdaad.” Het gelaat van de directrice ontspande zich alsof de stiksels van een voorbije facelift het plots hadden begeven. Ze behoorde tot die generatie pedagogen die hadden geleerd dat de antwoorden van de mensen zelf moesten komen.

“Het is niet normaal,” vervolgde ze, “dat een jongen van dertien nog in zo’n onzin gelooft.” Ze schoof zorgzaam een dichtgevouwen blad cursuspapier over de tafel, als betrof het hier het laatste, cruciale bewijsstuk in een moordzaak.

“Kijkt u even.” Ze knikte hem bemoedigend toe. Joris was meteen op zijn hoede.

 

Het was al bij al niet onaardig getekend, stelde hij enigszins goedkeurend vast. Dat tekentalent had Nick van Klara geërfd. Hijzelf kon nog geen Mondriaan natekenen. De schets stelde een rij dansende figuren voor. Het zouden mensjes geweest kunnen zijn, ware het niet dat ze allemaal voorzien waren van ragfijne vleugeltjes, puntoren en een lichtblauwe huidskleur.

 

Mijn vrinden, de elfen, had iemand erbij geschreven. Joris herkende het kinderlijke handschrift van de jaarlijkse nieuwjaarsbrieven en de schoolagenda die hij elke week plichtsgetrouw ondertekende. Het geschrift van zijn zoon.

 

Nick was in alles zo’n exacte kopie van Klara – datzelfde hoge voorhoofd, die geprononceerde jukbeenderen en dat witblonde haar - dat Joris (bezitter van een laag voorhoofd, nauwelijks zichtbare jukbeenderen en inktzwart haar) zich soms vragen stelde bij zijn biologische vaderschap. Tijdens één van hun talrijke ruzies had Joris die vragen ook luidop herhaald. De volgende ochtend was Klara vertrokken, hem achterlatend met een kind dat hij niet echt als het zijne beschouwde

 

Een kwartier. Meer tijd had de directrice niet nodig gehad om Joris te laten inzien dat zijn zoon zwaar relatiegestoord was, zich daarom in zijn eigen fantasiewereld had teruggetrokken en daarenboven nog eens een lichte vorm van dyslexie had. “Er moest dringend worden ingegrepen,” had ze meerdere malen herhaald. Joris knikte. Tijdens het gesprek was er een grimmige trek rond zijn mond verschenen. Die elfen moesten eraan.

 

***

Na het achtuurjournaal – Nick zat dan al twee uur op zijn kamer - sloop Joris stilletjes naar boven. Aan de deur van Nicks kamer aarzelde hij. Moest hij nu kloppen of niet? Uiteindelijk deed hij de deur zachtjes open. Het was tenslotte zijn huis.

 

Nicks kamer bevond zich vlak onder het dak. Vroeger was het Joris’ werkkamer geweest, maar toen Nick geboren werd, had Joris zijn hele boekhouding naar de woonkamer verhuisd. Het was één van de vele offers geweest die hij op het altaar van het vaderschap had gebracht, vond hij zelf. Nu hing er een uitgebreide collectie Lord of the Rings-posters aan de muren en stond de volledige MAMMUT-kinderkamer van IKEA er uitgestald. Nick zelf zat op bed, zijn Fellowship of the Ring-deken om zijn knieën geslagen. Hij droeg een babyblauwe pyjama met glimlachende panda’s en keek nauwelijks op toen zijn vader, met een verontschuldigende glimlach, kwam binnengeslopen. Het dakraam stond open.

 

“Mag ik gaan zitten?” Joris voelde de vage onrust die hij altijd had als hij zijn zoon onder vier ogen sprak.

“Je doet maar.”

Het bed was zo laag dat Joris zijn benen haast moest dubbelplooien.

Nick kwam naast hem zitten. Niet te snel en niet te dicht. Zijn benen hadden wel plaats genoeg.

 

Stilte.

 

“Ze zijn vandaag niet gekomen,” fluisterde hij plots. Zo zacht dat Joris even twijfelde of hij wel iets had gehoord. “Ze.” Joris wist wie Nick bedoelde. Hij keek zijn zoon aan. En schrok. Die veel te ernstige ogen diep in hun kassen, die hem afwachtend, gretig, maar ook vol blind vertrouwen aankeken…

 

Had Nick die van hem?

 

Had hij ook zo gekeken, op die dag in november, zo’n 25 jaar geleden?

 

Die witte benen. Als asperges. Ook van hem?

 

Joris slikte.

 

“Misschien komen ze morgen,” zei hij zacht, voor hij het licht uitknipte. Er waren al ergere leugens verteld, hield hij zichzelf voor. Hij ging terug naar beneden. Vierentwintig treden. Dat was goed.  


James

James Bond tuurde naar zijn fanatiek opgeblonken schoenen. Hij had er toen al een half uur wachten op zitten. Er was niet één oneffenheid of vlek op het duimdikke vasttapijt die hij niet grondig had bestudeerd.

James voelde zich behoorlijk kattig. Zijn eerste ontmoeting met de nieuwe baas en nu al had hij meer tijd in het bedompte wachtzaaltje gespendeerd dan de voorbije twee decennia samen.  De vorige baas zou hem dit nooit hebben gelapt.

Zijn collega’s hadden hun research al gedaan. De oude rotten hadden hun contacten in het wereldje aangesproken, de jonge generatie had de naam van hun nieuwe baas alvast gegoogeld – of hoe ze dat werkwoord ook mochten schrijven.

Bond had zelfs die moeite niet genomen. Zijn ogen en zijn oren. Meer had hij niet nodig om iemands achtergrond en karakter te achterhalen. En als dat niet hielp, dan had hij nog altijd zijn glimlach – die ondanks zijn middelbare leeftijd nog steeds als “jongensachtig” kon worden omschreven.

 

Chris Studebaker – Rear Admiral. De vergulde plaque naast de massieve deur uit Franse eik stak Bond de ogen uit. Toegegeven, voor een groentje had de nieuwe een naam die klonk als een klok. James lanceerde een denkbeeldige fluim op het vasttapijt. Hij hield van zijn job. De snelle auto’s, de gewillige vrouwen en de donkerblauwe, haute couture pakken. Allemaal op kosten van de staat. De nieuwe baas kon daar allemaal een eind aan maken, dat besefte Bond maar al te goed.

 

De deur schuifelde zachtjes open. Goede, oude miss Moneypenny wenkte hem dichterbij, alsof hij een onwillige kleuter was die van zijn legoblokken moest gescheiden worden.

“De baas wacht,” fluisterde ze. Ze glimlachte zoals alleen zij dat kon: mysterieus en kwajongensachtig tegelijk.

Bond volgde haar gewillig en ging het luxueus ingerichte kantoor binnen.

 

De nieuwe baas was een vrouw. Zijn glimlach maakte even – hoogstens een milliseconde – plaats voor een uitdrukking die twijfelde tussen verrassing en paniek. De enige plaats waar Bond een vrouw boven zich duldde was in bed. En dan nog alleen maar als hijzelf te moe was.

 

“Ga zitten.”

 

Bond had de unieke gave om in elke vrouw wel iets sexy te ontwaren. Russische spionnes met meer baardhaar dan de volledige bezetting van ZZ Top, Oost-Duitse atletes met meer mannelijke hormonen dan hijzelf, Franse douarières  met een hemeltergend accent ... Ze hadden allemaal een zekere vrouwelijkheid gehad, die vreemd genoeg pas tot rijping kwam als hij met hen naar bed was geweest.

 

Miss Studebaker was echter een brug te ver. De vrouw achter het bureau deed hem nog het meest aan zijn tante Trudy denken. Miss Studebaker zag er zo gerimpeld uit alsof ze zich elke ochtend van zalfje vergiste en pure isobetadine op haar gelaat smeerde. Ze was bovendien zo bleek, dat het leek alsof ze wekelijks een vampier op bezoek kreeg die dan de laatste druppel bloed uit haar gestel zoog. Bond kon zich trouwens niet voorstellen dat een levend wezen zoveel honger kon hebben dat hij zijn tanden in miss Studbakers schriele nek wou planten. 

   

“Ik heb al uw films gezien,” zei miss Studebaker.

Bond glimlachte. Een fan. Dat ging makkelijk worden.

“Ze zijn schromelijk overdreven,” zei hij. Hij loog.

“Ik vind ze hopeloos ouderwets.”

“Ach zo.” Bond had, als hij er goed over nadacht, zijn tante Trudy altijd gehaat.

“De tijden veranderen.”

“Ik ben uw beste agent.”

 

Miss Studebaker nam zelfs niet de moeite om te antwoorden. Ze drukte op één of ander verborgen knopje en sprak gedecideerd: “Moneypenny. De dossiers.”

Geen vraag of verzoek. Een bevel. Bond moest het haar nageven. Deze dame had lef. Moneypenny had scherpe nagels en aarzelde niet om die te gebruiken.

 

Monneypenny duwde een trolley voor zich uit, van bodem tot rand gevuld met kartonnen mappen, het soort waarin Bond vroeger zijn Playboys voor zijn moeder had verborgen gehouden.

Miss Studebaker viste een blauwe map uit de stapel.

“Snelheidsovertredingen,” las ze laconiek.

Een tweede, nog dikkere map.

“Seksistische toespelingen.”  

Een derde.

“Dronkenschap tijdens de diensturen.”

De vierde map was wel drie centimeter dik 

“Deze heb ik van de Dienst Financiën,” verduidelijkte miss Studebaker. “Achterstallig papierwerk. Ze wachten nog steeds op je onkostennota’s van From Russia with Love.”

 

Toen overkwam Bond iets wat hem nog nooit was overkomen. Hij voelde zich oud en overbodig. Hij hoorde zelfs nauwelijks nog hoe miss Studebaker haar plannen voor MI6 uit de doeken deed. Een toekomst die opvallend veel besparingen en gelijkekansendecreten leek te bevatten.  

Bond zag zichzelf al zitten. Zijn Aston Martin verbeurd verklaard, net als zijn onuitputtelijke voorraad single breasted jasjes. En geen Wodka Martini’s meer. Dat laatste vond hij nog het ergst. Een leven met een middenklasse gezinswagen, ribfluwelen jasjes met ellebooglappen en brikjes Fristi. Hij kon maar één kant op.

 

“Weet u trouwens waar die ‘00’ voor staat in mijn codenaam?” vroeg hij.

 

Ze probeerde hem nog tegen te houden maar hij was sneller. Zijn Beretta maakte drie nette gaatjes in haar verbaasde voorhoofd. Ze gleed geruisloos op de vloer. Dat ging lastige vlekken geven.

 

“Niemand komt tussen een man en zijn Aston,” zei hij tegen niemand in het bijzonder en stapte rustig naar buiten, alsof hij net een leuke babbel had gehad – meer niet. Hij gunde zijn slachtoffer geen blik waardig. Zijn collega’s stonden hem stomverbaasd op te wachten.

 

“Ben ik dan echt de enige die haar Russisch accent heeft opgemerkt?”

Iedereen zweeg. Ze hadden tenslotte allemaal een sportwagen van de zaak. 


Russisch voor beginners (nieuwe versie)

Iedereen komt ooit zijn Laatste Grot tegen. Dat weet elke speleoloog. Je bent een stelsel aan het verkennen en plots gebeurt het. Zonder enige waarschuwing of voorteken. De duisternis, die daarnet nog iets vertrouwds had, zelfs iets beschermends, staart je opeens met duizend ogen aan. Wachtend en loerend. Je wordt bang. Je beseft plotseling welke enorme massa aarde en steen je omringen. Hoe weinig er nodig is om het fragiele evenwicht tussen de aardlagen te verstoren, om van deze plek je stenen graf te maken. Je loopt zo hard je kan. Je probeert niet te schreeuwen. Je komt nooit meer terug.

Het is enkele van mijn vrienden overkomen. ’s Ochtends doken ze als onverschrokken,  gehelmde helden een grot in en ’s avonds waren ze een bibberend wrak, een veiligheidsdeken over hun schokkende schouders geslagen.

Misschien is dit mijn Laatste Grot.

***

Het is donker. Mijn voorlaatste lucifer ligt drie stappen achter mij. Het vlammetje was nietig en beverig geweest, maar op de één of andere manier had het de schimmen en vreemde geluiden op een afstand gehouden. Mijn hightech zaklantaarn is enkele uren geleden al gesneuveld. Net als mijn koptelefoontje dat alleen nog ruis ontvangt.

Ik vervolg mijn weg op de tast. Mijn handen glijden over koele kalkstenen formaties. In de verte hoor ik water druppelen. Drinken zal geen probleem zijn. Zuurstof en eten daarentegen... Ik herinner me een krantenartikel over vier Franse speleologen die dagenlang in een grottencomplex hadden vastgezeten. Op de bijhorende foto kon je zien hoe ze glimlachend naar boven werden gehaald. Of hadden ze dat alleen gedaan omdat er een camera in de buurt was geweest? Zou ik ook lachen als ze mij bovenhaalden?

Linda is boven gebleven, godzijdank. Hoewel haar gezelschap me goed zou hebben gedaan, misschien deze situatie zelfs had kunnen vermijden. Ik vraag me af wat ze nu aan het doen is. Of iemand haar al op de hoogte heeft gebracht. “Your husband. Gone.” De gedachte aan haar, alleen in deze vreemde stad, maakt me ongerust. Haar Russisch is niet zo goed als het mijne.

***

De ijsgrotten van Kungur waren een jongensdroom. Een oude foto in een jeugdatlas van een majestueuze rotsformatie vormde de eerste kennismaking. “Het Oeralgebergte herbergt tientallen indrukwekkende grottenstelsels. Het Kungurcomplex, met zijn honderden met ijs bedekte spelonken en zesendertig ijsmeren, wordt door sommige speleologen het achtste wereldwonder genoemd,” luidde het bijschrift. Vooral de uitdrukking “het achtste wereldwonder” had indruk op me gemaakt. Ik kende de zeven andere wereldwonderen dan wel niet, maar zo’n “achtste wereldwonder”, dat moest toch wel heel speciaal zijn. 

En toen leerde ik Linda kennen. Klein maar energiek, met guitige kuiltjes in haar wangen en een brede, goedmoedige glimlach. Geen klassieke schoonheid, maar een vrouw die Het had. Charme. Charisma.

Ze was - net als ik - een fervente amateurspeleologe.

Er zijn weinig grotten die we niet hebben bezocht. De Karstgrotten in Slovenië met hun wonderlijke druipsteenformaties, de donkere, spookachtige spelonken van Matese, de Bezeklik in het noorden van China, met zijn boeddhistische schilderingen...  Allemaal hebben we ze doorkruist en op foto vastgelegd, steeds weer onder de indruk van deze ondergrondse kathedralen en hun bijna bovenaardse schoonheid; van stalactieten, stalagmieten, kalkpilaren, kleurrijke steenkoralen, trappen van obsidiaan en bogen van kwartsiet...

Alleen de Kungurgrotten bleven we steeds maar weer uitstellen.

De Kungurgrotten waren dan ook iets speciaals. Niet alleen stonden ze bovenaan ons verlanglijstje, ze vroegen ook een extra inspanning. Om de grotten volledig tot hun recht te laten komen moet je Russisch leren. Dat is de enige taal die de lokale gidsen begrijpen.

***

De beslissing om samen Russisch te volgen kwam van Linda. Ze kwam op een avond thuis met een vierkleurenbrochure van het "Wereldberoemde Adler Taleninstituut".

“Gekregen van Mulders,” zei ze.

Mulders was haar kantoorchef bij het expeditiebedrijf waar ze werkte. De man was al twintig jaar gelukkig getrouwd (twee kinderen en een labrador) maar dat belette hem niet om wel heel erg attent voor Linda te zijn. Ik vond hem een kwal.

De brochure zelf stelde niet veel voor. Het ging om het soort tekst waarin mensen een perfecte kennis van deze of gene taal, breitechniek of computertoepassing wordt beloofd "en dat in amper tien uur tijd". Linda was echter zo enthousiast dat ik niet anders kon dan instemmen.

We waren met twaalf cursisten. Samen vormden we het soort zootje dat je bij elke avondcursus aantreft: zij die Moeten Voor Hun Werk en zij die Niets Beters Te Doen Hebben.

Vladimir, onze docent, was alles wat een Rus moest zijn: hij had de schouders van een os, de ondoorgrondelijke trekken van een filosoof en een volle, wilde baard waaronder bloedrode lippen verborgen zaten. Hij bezat bovendien een aangename basstem die een licht hypnotiserende uitwerking had.

Ik en Linda zaten altijd op de voorste bank. De lessen vonden plaats in het slecht verlichte en muf ruikende lokaaltje dat het Adler Instituut ons elke woensdagavond ter beschikking stelde. Eén verdieping lager zaten de cursisten Engels voor Beginners in royale, van alle elektronische snufjes voorziene en goed verluchte aula's. Voor Russisch moest je duidelijk wat over hebben.

***

Ik ben gisteren de grotten in gegaan. Of was het eergisteren?

Ze laten je alleen afdalen,  met een koptelefoon op je hoofd, zoals televerkopers er ook één hebben. Spitstechnologie. Om het "echter" te maken. Zonder gidsen die in de weg lopen of het uitzicht verpesten. Ik was bij de Druzhbagrot gestart. De Vriendschapsgrot, die is het grootst van allemaal, met een reusachtig ondergronds meer. Zeer populair bij toeristen. Elk jaar bezoeken tienduizenden mensen de grotten. Het eerste uur  kwam ik geregeld groepjes Amerikanen tegen, puffend, luidruchtig kwetterend en kauwend op Marsrepen en Milky Ways. Barbaren.

Een operator aan de andere kant van de lijn gaf me instructies. In het Russisch. Vooruit. Achteruit. Links. Rechts. Daal hier af, kijk hier omhoog. Geniet van het uizicht daar. Enzovoorts. Redelijk amateuristisch eigenlijk.  Hoe amateuristisch, bleek pas achteraf.

Na amper twee uur liep het fout. Ik kwam rotsformaties tegen die ik niet had mógen tegenkomen, kruiste beekjes die nergens stonden aangegeven. En toen viel de zender uit.

Ik heb al een dag niemand meer gezien. Een enkele keer hoorde ik het holle geluid van voetstappen, ik schreeuwde de longen uit mijn lijf, maar niemand reageerde.

Wie weet wat voor wezens in dit deel van de grotten leven. Spinnen, hagedissen, slangen en vleermuizen, ongetwijfeld gemuteerd door hun levenslange verblijf in deze duisternis. Getraind om alles te eten wat hun pad kruist in deze voedselarme hel. Brrr.     

***

Toen alle cursisten in de eerste les moesten uitleggen waarom ze Russisch wilden leren, konden Linda en ik onmiddellijk op Vladimirs interesse rekenen. Hij was namelijk zelf afkomstig uit de stad Perm, die op "amper" honderd kilometer van de Kungurgrotten lag. Het moet zijn eergevoel hebben gestreeld dat de grotten zo hoog stonden aangeschreven. In de volgende lessen liet hij dat ook duidelijk blijken.

Vladimirs manier van lesgeven was op zijn minst “ongewoon” te noemen. Bepaalde hoofdstukken uit ons handboek sloeg hij gewoon over omdat hij ze niet interessant vond. De tijd die hij zo won, vulde hij met zogezegd hilarische anekdotes uit zijn kindertijd die hij – zoals gezegd - in Perm had doorgebracht. Vladimir had ook een enorme voorliefde voor de wrange verhalen van Gogol. Soms schoof hij de gordijnen dicht, deed de lichten uit, zodat de winterse duisternis met dreigende zwarte vingers het lokaal binnen leek te dringen en dan gaf hij ons een sonore, fascinerende lezing uit Dode Zielen. Maar het bijzonderste van alles was zijn afkeer voor woordenboeken.

De eerste les waagde een medecursist het om te vragen welk woordenboek hij zich moest aanschaffen om de lessen optimaal te kunnen volgen. Vladimir liep eerst rood aan, zei een Russisch woord dat ongetwijfeld iets smerigs betekende en keek de man zo lang aan, dat deze ongemakkelijk op zijn bank begon te wriemelen.

“Woordenboeken zijn het werk van taalboekhouders,” antwoordde hij met nauwelijks verholen minachting. “Het zijn gevangenissen voor woorden! Wee degene die er één meebrengt naar deze les.”

Dat laatste had hij enigszins lacherig gezegd, maar niemand twijfelde eraan dat Vladimirs afkeer voor woordenboeken oprecht was. Ik heb nooit geweten waarom hij woordenboeken zo haatte, hoewel ik het toentertijd opmerkelijk vond voor een talenleerkracht.

De volgende lessen daalde het aantal cursisten gestaag. Vladimir, uit erkentelijkheid voor de interesse die we in zijn geboortestreek hadden, vulde het merendeel van zijn lessen met woordenschat en uitdrukkingen die vooral amateur-speleologen van pas konden komen, maar die de andere cursisten slechts matig konden bekoren. Protesten werden snel en vakkundig met Russische grootmoedigheid onder de mat geveegd.

De teruggelopen interesse voor zijn vak leek Vladimir niet in het minst te storen.  "Beter één vogel in de hand, dan tien luizen in mijn haar," antwoordde hij cryptisch, toen ik hem vroeg of hij dat niet spijtig vond, zo'n ingekrompen leerlingenbestand. Er was echter maar één leerling die hem interesseerde. En dat was Linda.

De Rus had er nooit een geheim van gemaakt dat hij Linda uitzonderlijk sympathiek vond. Al vanaf de eerste les bedolf hij haar onder knipoogjes en complimentjes. Als er moest voorgelezen of gerollenspeeld worden, dan was Linda altijd zijn eerste keuze en hoewel ze me verzekerde dat de interesse allesbehalve wederzijds was, kon ik niet anders dan vaststellen dat ze wel gecharmeerd was door Vladimirs klunzige versierpogingen. De hele situatie zinde me hoegenaamd niet. Elke les voerde ik met de Rus een onzichtbare, maar daarom niet minder felle strijd, om Linda's aandacht. De laatste les kwam het tot een openlijke confrontatie.  

***

Linda en ik waren die avond de enige cursisten die waren opgedaagd en Vladimir had ons grondig uitgehoord over onze vakantieplannen. Hij was vooral onder de indruk van het gidssysteem dat in de Kungurgrotten werd toegepast.

“Mijn land is niet zo achterlijk als vaak wordt beweerd,” zei hij. “Als Russen iets willen dan krijgen ze het ook. Alleen gaan hun ambities meestal niet verder dan een fles goede vodka.” Hij gaf ons één van zijn wrange lachjes en ging daarna verder met de les.

"Links is ‘pravo’ - PRAAA - VOO," zei Vladimir, terwijl hij het woord met driftige halen op het bord kalkte. "PRAAA-VOO met een lange -aaaaaaaaaaa."

We noteerden het woord in ons schrift, dit was een woord dat zeker van pas zou komen. “En nu even op de uitspraak oefenen,” zei Vladimir, terwijl hij me verwachtingsvol aankeek. "PRAFFO," herhaalde ik onzeker.

"Te kort!"

Vladimir liep rood aan, zodat zijn hoofd op een tomaat met baardgroei leek.

"Je let niet op! Je spreekt nog slechter dan een Oekraïense boer met kiespijn!"

"Dan ligt dat enkel en alleen aan jouw manier van lesgeven!" kaatste ik de bal terug.
De discussie zou waarschijnlijk de hele avond hebben vergald als Linda ons niet had afgeleid.
"Links is dus PRAAA - VOO. Maar hoe zit dat nu met rechts?" vroeg ze met gespeelde onschuld.  
- "Dat is ‘vlevo’." De lesgever in Vladimir had het gehaald van het mannetjesdier. "VLEE - VOO. Met lange -ee- en lange -oo-." 
Hij schreef het woord in grote letters op het bord, met daarnaast de vertaling. 
vlevo                  rechts
***

Ik moet een instructie verkeerd hebben begrepen. Dat is de enige mogelijke verklaring. Eén gruwelijke vergissing die me op een foute route heeft gebracht. Hoewel. De operator, een lokale jongen die een redelijk accentloos Russisch sprak, had echt zijn best gedaan om langzaam en duidelijk te articuleren. Hij had regelmatig zijn instructies herhaald en ik had ze ook allemaal begrepen. Mijn zakwoordenboekje dat ik me ondanks Vladimirs vermaningen had aangeschaft, heb ik zelfs geen enkele keer moeten consulteren. Ik ben fier op mezelf. Het boekje zit onderaan in mijn rugzak, een nutteloos gewicht.

Ik probeer niet te panikeren, dwing mezelf om regelmatig te ademen. Het Kungurcomplex bestaat uit drieduizend grotten, met daarnaast nog God weet hoeveel onontdekte grotten. Ze zullen me nooit vinden. Ik denk aan de Franse speleologen. Hoe reddingswerkers hen de grotten uitdroegen, op hun schouders, en hoe ze als helden werden ontvangen. Misschien sta ik morgen ook zo in de krant. Lachend en opgelucht.

De lucht ruikt vochtig. 

***

Na de laatste les gingen we iets drinken in The Corner, een Ierse pub op twee straten van het Adler Instituut. Omdat we de volgende ochtend vroeg op Zaventem werden verwacht, hadden we ons voorgenomen om het niet te laat te maken. Vladimir had echter andere plannen.

De rokerige gelagzaal - met de onvermijdelijke vergeelde foto's van The Dubliners en James Joyce aan de muren -  was zo goed als leeg. Door de speakers klonk de Metallica-versie van Whiskey in the Jar. 

“Zo,” zei Vladimir. “Jullie vertrekken morgen naar mijn geliefde vaderland.” Hij had zijn hemdsmouwen opgerold en zijn massieve onderarmen op ons tafeltje gelegd. Het waren de kloeke armen van een slager.

“Daar drinken we op!” riep hij. “Barman, drie vodka’s.”

Linda keek me hulpeloos aan. Het was niet haar gewoonte om alcohol te drinken, maar deze traktatie weigeren zou onbeleefd geweest zijn. Ik knikte haar moedeloos toe. Het zou een lange avond worden, dat besefte ik toen al.

Ik voelde me een ongenode gast op een intiem diner à deux. Vladimir praatte de hele tijd alleen met Linda en deed niet de minste moeite om me bij hun gesprek te betrekken. Tot vier maal toe deed ik Linda teken dat het tijd was om te vertrekken. Tot vier maal toe zag ze het niet of deed ze alsof ze het niet zag.

Uiteindelijk was het drie uur toen we, enigszins onvast op onze benen staand, naar huis gingen. Linda was bijzonder vrolijk en giechelde de hele tijd. Dat had ongetwijfeld te maken met de talrijke vodka’s die ze naar binnen had gegoten. Ikzelf was eerder somber gestemd. Diep vanbinnen was ik opgelucht dat de cursus voorbij was. We zouden Vladimir nooit meer hoeven te zien.  

***

Ze zeggen dat de lucht in sommige grotten giftig is. Dat je gek wordt van de gassen die er hangen. Net als bij de Hondsgrot, in de buurt van Napels. De atmosfeer van die grot bevat giftig kaloxydegas. Omdat het gas zwaarder is dan lucht blijft de kaloxyde tot een hoogte van zo’n meter boven de grond hangen. Als men rechtop door de grot gaat, is er geen probleem. Honden en kinderen, daarentegen, sterven in enkele seconden. Ik durf niet te gaan zitten.

Ik ben blij dat Linda er niet is. Haar kater was een stuk erger dan die van mij en daarom is ze op de kamer gebleven, in Hotel Stalagmit. Drie sterren en een rijkelijk gevulde minibar. Russen weten waar ze hun prioriteiten moeten leggen. ’s Namiddags ging ze de omgeving verkennen. Het Belaya Gora Klooster en nog wat. Ikzelf kon niet wachten, ik wou vandaag nog de grotten in. “Ga maar,” zei ze. “Morgen gaan we wel samen.”

***

Ik heb ooit, lang geleden, Het Gouden Ei van Tim Krabbé gelezen. Voor school. Het was het dunste boekje van de leeslijst. Het einde, waarin het hoofdpersonage levend wordt begraven, is me altijd bijgebleven.

Ze moesten zulke boeken verbieden. Of toch niet op leeslijsten zetten.

***

Duizenden grotten. Ik denk aan de Fransen. Die hadden makkelijk praten. Zij waren met hun vieren.

De duisternis is een tijger. Ze valt nooit aan zolang je haar blijft aankijken.

Ik zie beelden in het donker. Herinneringen en hersenspinsels, dingen die zijn gebeurd en dingen die nooit waren.

Ik strompel verder. Ik zie twee mensen. Een man en een vrouw. Ze zijn elkaar net op straat tegen het lijf gelopen. Hij lacht. Zij vertelt een verhaal en weent. Hij legt zijn hand op haar schouder. Hij troost haar. Ze kijkt hem aan. Hij kust haar, eerst op haar voorhoofd, maar daarna op de mond. Zijn wilde baard prikt en kietelt haar. Ze lacht.

Ik stop.

***

Ik heb mijn rugzak op de grond gezet en het woordenboek eruit gesleurd. Stukken uitrusting vallen kletterend op de grond. Het kan me niet schelen.

Ik neem mijn laatste lucifer, strijk hem aan en hou het vlammetje boven de bladzijden. En daar vind ik wat ik zoek. Op pagina  pagina’s 16 en 97 van mijn Random House Russian Pocket Dictionary. 

 

PRAVO       rechts

VLEVO       links

***

Mijn laatste lucifer ligt naast me. Ik weet niet wat ik het ergst vind. Mijn eigen dood, of het feit dat mijn moordenaar nooit zal worden gestraft.

 

Het is nog nooit zo donker geweest.

 

 


Baboesjka

Vroeger perste ik elke ochtend sinaasappelsap voor je, want ik dacht dat dat zo hoorde. Tot je me vertelde dat de geur alleen al je deed kokhalzen. Toen begon ik verhalen voor je te schrijven. Die vond je wel goed. Behalve vandaag. Je houdt mijn laatste verhaal vast en je leest. De zon gutst over de lakens. Je wenkbrauwen zijn net twee harige komma’s. Ze verroeren zich niet. Je kijkt kritisch en je bent mooi. Je bent vooral mooi, beslis ik.

***

Ergens rinkelt een telefoon. Een bleke, magere man met wijze, grote, blauwe ogen neemt op. Hij luistert en zijn handen vallen in zijn schoot. Zijn vrouw. Een banaal ongeluk. Hij wiegt zijn lichaam zachtjes heen en weer.

Soms opent hij een kast. Net alsof daar ergens, in de bestofte duisternis, een antwoord op hem ligt te wachten. De afwas, een chaotische troep, slibt aan en de rolluiken blijven neer. Hij zit thuis.

Toen hij nog jong was geweest had hij vaak met het idee ‘zelfmoord’ gespeeld. ‘Zelfdoding’ noemen ze het tegenwoordig, alsof het om een medische ingreep gaat. En hoe hij het ging doen. Meestal deed hij het op kleinkunstmuziek, ergens in de natuur waar alles vredig en goed was – het domein Puyenbroek  of de Blaarmeersen in  de buurt van Gent. Nóóit binnen. Hij had zijn hele leven al tussen zes wanden geleefd.

De Luger is zwaar en degelijk. Levenslange garantie. Deutsche grundlichkeit. Hij had, meer omdat hij zich had afgevraagd of het allemaal wel werkte zoals op TV, de veiligheidspal afgezet. Je zet hem in je oorschelp en je trekt. De loop voelt koud aan. Koud, maar niet zo koud als zijn hart.

***

Je kijkt op. Je linkerhand draait krullen in je haar. Dat doe je altijd als je je ergens aan ergert. Je uitdrukking voorspelt weinig goeds.

- “Ik begrijp niet waar die Luger plots vandaan komt,” zeg je.

- “Zijn grootvader was bij het verzet,” antwoord ik. “Hij heeft hem gepikt van een dode Duitser.”

- “Waarom staat dat dan nergens?” Je stem klinkt beschuldigend.

Mijn hand zoekt het stapeltje papier op het nachtkastje.

- “Kijk. Hier. Pagina 25. Zijn grootvader was vroeger nog bij het verzet geweest. Samen met vier anderen had hij een transport tegengehouden. Behalve een medaille had deze heldendaad hem ook een Luger opgeleverd. Gepikt van een dode Duitser.”

- “Moeten daar geen puntjes op, op de u van grundlichkeit?”

- “Baboesjka!” Een troetelnaam van toen we elkaar nog maar net kenden.

- “Ik heet Barbara,” zeg je. Steenkoud.

- “En het einde”, ga je verder, “Veel te melodramatisch. Koud, maar niet zo koud als zijn hart.

Je leest de laatste regel met overdreven intonatie voor. Ik haat het als je zo doet.

- “Geef maar terug.” Ik grits het blad uit je handen. Ik verzamel wat meer lakens rond mijn benen. Het kan me niet schelen als je het koud hebt.

Stilte. En dan jij weer.

- “Zou jij het doen?” Je stem klinkt verzoenend.

- “Wat?”

- “Zelfmoord plegen. Als ik ...” Een aarzeling. “Als ik weg ben.”

- “Misschien,” geef ik schoorvoetend toe.

- “Niet doen,” zeg je.

- “Ik zal het einde herschrijven,” beloof ik, ook al weet ik niet waarom.

***

Ergens rinkelt een telefoon. Een bleke, magere man met wijze, grote ogen neemt op. Hij luistert en zijn handen vallen in zijn schoot. Zijn vrouw. Een banaal ongeval. Hij wiegt zijn lichaam zachtjes heen en weer.

O ja. Hij heeft zelfmoord overwogen, maar nooit van harte. Hij zag het eerder als iets dat hij moest doen, als een liefdesbetuiging over de dood heen.  Hij had zelfs de Luger van zijn grootvader – die hij in de oorlog van een dode Duitser had gepikt – uit de lade gehaald.

Was het plichtsgevoel? Een laat gevolg van meer dan twaalf jaar katholiek onderwijs? Of was er iets in hem dat weigerde te buigen, de lichtvoetige, staalplaten krijger die hij ooit eens was geweest? Hij kon het niet, hij besefte dat hij het zelfs geen seconde echt had overwogen. Het deed verdomme pijn om zichzelf op die oneerlijkheid te betrappen maar het luchtte ook op.

Binnen deze muren, eens geliefd, nu gehaat maar vooral vertrouwd, zou hij blijven wonen. Tussen het spuuglelijke bloemetjesbehang, maar ook tussen alles wat zij ooit eens had gemaakt en aangeraakt. Híer hadden haar vingers gerust en het lichte hout gestreeld, dààr hadden haar ogen meer dan eens gepauzeerd, vooraleer ze hem plagend, vragend, had aangekeken.  Hij besloot om te blijven leven. Voor haar.

Maar dat was buiten de vrachtwagen gerekend die hem nog de volgende dag van de weg reed...

***

- “Jezus! Wat een kuteinde!”

We liggen opnieuw in bed. Je schudt demonstratief met je hoofd. Je haren vallen langzaam op de lakens.

- “En dan die lichtvoetige, staalplaten krijger...

- “Ik vond het net een goed beeld.”

- “Compleet erover.”

- “Baboesjka.”

Ik probeer niet te smeken.

- “Ik zie dat je wat meer uitleg bij de Luger geeft. Da’s wel goed.”

- “Dank je.”

- “Maar het einde is kut.”

We vallen in slaap, onze ruggen naar elkaar gekeerd.

***

Ik ben bezig met de derde versie als er aan de deur wordt gebeld. Barbara. Een ongeval. De politie handelt slecht nieuws dus niet telefonisch af. Zelfs dat had ik fout. Mijn handen vallen krachtloos langs mijn lijf. Ze zijn inderdaad te groot.

Ik heb geen Luger. Toch ken ik tientallen manieren om er een eind aan te maken. De verschillende methodes trekken één voor één door mijn hoofd, als een lugubere, cynische processie. Schoonmaakmiddel. Touw. Riem. Mes. Medicijnen. Elektrocutie. Uithongering. Overdosis. Geen enkele manier lijkt me geschikt.

- “Niet doen,” zei je.

Ik staar voor me uit. Dagenlang. Ik overloop onze mooie momenten. Het zijn er veel, stel ik tevreden vast. Ik hoop dat ik ze - als ik ze regelmatig herhaal - nooit zal vergeten. Plots wil ik naar buiten. Ik heb al te veel van mijn leven tussen deze zes wanden doorgebracht.

De avondzon kleurt de lucht oudroze. Het waait zacht. Het is fris, maar dat geeft niet. Ik beeld me in hoe je over mijn schouder heen kijkt en goedkeurend knikt en iets zegt als “Ja. Dit einde vind ik beter. Veel beter.” En je lacht.

***

- “Fijn hoe je de verschillende verhaallijnen door elkaar mengt,” zegt Karel.

Hij draait de laatste bladzijde om, alsof hij denkt - hoopt - dat er nog iets komt. Voor een redacteur, bij een befaamde uitgeverij leest hij onrustwekkend traag.

- “En de titel, waar heb je die vandaan?”

Ik had deze vraag verwacht en toon hem de poppetjes. Hoe ze naadloos in elkaar passen.

- “Mooi, mooi,” zegt hij bewonderend.

En dan een pauze.

- “Alleen het einde is kut.”

- “Ik zal het herschrijven,” beloof ik, ook al weet ik niet waarom.


Operatie Sjaloom

Ik ben mij ervan bewust dat er al veel inkt is gevloeid over het zogenaamde Sjaloom-project. Die aandacht is, voor zover ik kan nagaan, zeker terecht. Met onderstaande tekst wil ik wat meer inzicht geven in de gebeurtenissen die het project hebben vorm gegeven en die de afloop uiteindelijk hebben bepaald. Ik heb mijn bevindingen in een verhaal gegoten. Dit is een bewuste keuze. De vorm mag dan al op fictie lijken, de inhoud is dat zeker niet. Ik wil in dit kader zeker de deelnemers aan het project bedanken voor hun medewerking en hun openhartigheid. Mijn dank gaat ook uit naar I. Meijer, wiens persoonlijke archieven ik mocht raadplegen. Zonder hun steun was dit verhaal nooit mogelijk geweest.

***

De smetteloos witte motorsloep scheert over het azuurblauwe water. Het woelige schuimspoor dat het vaartuig achterlaat, splijt de golven in tweeën.

De symboliek ontgaat Khaled niet. Hij bekijkt de zwijgzame rij aan de overkant van het dek, gebruinde mannen, behangen met felgekleurde, belabelde rugzakken, en voelt de onoverbrugbare kloof die hem van deze wezens scheidt. Links en rechts van hem zitten mannen zoals hijzelf. Dezelfde religie en idealen. Hetzelfde land, dezelfde herinneringen aan prikkeldraad en grensovergangen.

Maar zij, die anderen, zij konden evengoed van een andere planeet, een ander universum, komen. Zo weinig hebben ze gemeen. Het schuimspoor wordt steeds langer. Het loopt tot aan de horizon en splijt de zee in tweeën.

 

“Wees welkom op El Kordokosona,” zegt de atletisch gebouwde man. Hij draagt een linnen hemd en een katoenen broek met opgerolde pijpen. Zijn blote voeten zijn half begraven in het rulle zand. “Dit eiland zal de volgende veertien dagen jullie thuis zijn.” De eeuwig aanwezige camera’s registreren de onwennige nieuwkomers.  “Jullie zullen moeten samenwerken om te overleven.” Dit laatste herhaalt hij wel drie keer. Dan pas is de regisseur tevreden over het resultaat.

 

***

 

Isaac Meijer is een dromer. Zoals zovelen. Toch is er één ding dat Isaac al sinds zijn kindertijd van de grijze massa onderscheidt: zijn dromen komen onveranderlijk uit. Daar zorgt Isaac zelf voor. Ooit droomde hij ervan om journalist te worden en – zie! - enkele jaren later was Isaac gerechtsverslaggever voor de Tel Aviv Chronicles. Daarna droomde hij van het hoofdredacteurschap en – zie! – nog geen tien maanden later kreeg de oude Rosenberg een hartaanval en werd Isaac de jongste hoofdredacteur ooit. Zijn onuitputtelijke ambitie heeft hem gemaakt tot wat hij nu is: de succesvolste mediamagnaat van Israël. Drie radiozenders, een tiental tijdschriften en vijf tv-zenders, waarvan één in de Palestijnse gebieden. Iedere andere man zou al lang op zijn lauweren zijn gaan rusten. Maar Isaac zou Isaac niet zijn, mocht er zich al geen nieuw plan in zijn hoofd hebben gekristalliseerd.

 

Zijn fijne, ringloze vingers rusten op de babyblauwe cover van een vuistdik dossier. Een nieuw programmavoorstel. Normaal houdt Isaac zich ver van de dagelijkse werking van zijn tv-zenders, maar dit is een uitzondering. Het voorstel dat hij voor zich heeft liggen is er namelijk één van zichzelf.

 

Geen enkele van Isaacs tientallen medewerkers is op de hoogte van zijn rol in de totstandkoming van het Sjaloom-project. Wat hen betreft, is het plan niet meer dan het hersenspinsel van één van de whizzkids van Programmatie. En in die hoedanigheid is het ook tenslotte bij Isaac terechtgekomen: een dossier waar hij slechts zijn krabbel moet onder zetten.

 

Hij aarzelt. Wat als de kijkcijfers tegenvallen? Wat als het hele project een sof wordt? Zal dat de zaken niet nodeloos compliceren? Nee. “Een mens moet soms te ver gaan om te weten hoe ver hij precies kan gaan.” T.S. Eliot. Toch nog iets dat hij aan zijn studentenjaren in Londen heeft overgehouden. Isaac glimlacht. Hij tekent. Voor de toekomst van zijn land, houdt hij zichzelf voor. Tien verdiepingen lager ontwaakt Tel Aviv.

***

De camera’s zijn overal. De eerste dag werken ze nog op Khaleds zenuwen. Hij durft met moeite naar het toilet, een geïmproviseerde kuil met gaas omspannen. Straks filmen ze hem nog terwijl hij staat te pissen! Ze zijn met hun zessen. Twee stuurse jongens uit Ramallah, Ismail en Zayed. Abdel, een bedeesde student uit Jeruzalem, en de eeuwig glimlachende boerenjongens Sami en Zakaria. Allemaal hebben ze de strengste selectieprocedures doorstaan. Dat blijkt uit de efficiëntie waarmee ze hun kamp opslaan. Sami en Zakaria hakken bamboe, Ismail en Zayed vlechten een dak uit een soort taai reuzenriet en Abdel graaft een ondiepe greppel rond hun kampplaats.

“Tegen de slangen,” zegt hij.

 

Alleen Khaled weet niet direct wat te doen. Hij trekt het omringende oerwoud in. “Op zoek naar eten,” zegt hij. “Op zoek naar rust,” denkt hij. Van het andere kamp geen spoor.

 

***

“Wanneer komen ze?”

Abdel en Khaled zitten op het strand. Ze hebben net hun eerste middagmaal op het eiland achter de rug. Een taai soort rode vruchten met nog taaiere bamboescheuten.

“Geen idee.” Het koele water kietelt Khaleds voetzolen. Hij denkt aan een avond, twee jaar geleden. Hij en Naima in Haifa, de Middellandse zee rond hun enkels. Hij mist haar. Op dat ogenblik weerklinkt het gezoem van een motor. De witte motorboot meert aan en nog geen twintig seconden later staan alle kampbewoners op het strand.

“De eerste opdracht wacht op jullie,” zegt de presentator, die er nog doorvoeder uitziet dan de dag voordien. “Je kan een driegangenmenu winnen.” Het eiland is al snel een kleine stip aan de horizon.

 

***

Een houten staketsel met netten en touwladders overspannen, een metershoge houten palissade ... Het zijn maar enkele van de obstakels waar ze overheen moeten. De jongens van productie hebben zich duidelijk uitgeleefd. Het hulpje van de presentator, een knappe brunette, geeft het startschot. Sami vertrekt als eerste. Hij is sneller dan zijn tegenstander, een pezige dertiger met een sikje. Khaled schreeuwt de longen uit zijn lijf, als een volleerde muezzin. “Sami, Sami, Sami!”

 

Dit is zoveel meer dan een spel. Dat weten alle mannen die hier op het strand verzameld zijn. Dit gaat om de eer van twee landen, twee culturen. Na Sami komt Zayed. Daarna Zakaria en Ismail. De Palestijnse ploeg ligt zo’n 100 meter voor. Eén van de joodse deelnemers struikelt. Khaled kijkt onbewogen toe hoe de man met molenwiekende armen op de grond valt. Als hij opnieuw rechtklautert, stroomt er straaltje bloed uit zijn neus. Dat verbaast Khaled. Nooit gedacht dat ook joden kunnen bloeden.

 

En dan begaat Abdel een zware fout: hij laat de estafettestok vallen en dat levert het Palestijnse team een minuut straftijd op. Zelfs Khaled kan zo’n achterstand niet meer goedmaken. Na een heroïsche spurt valt hij hijgend neer op het zand. De vreugdekreten van het andere kamp weergalmen in zijn hoofd.

 

De terugtocht verloopt in alle stilte. Iedereen laat de student links liggen, alleen Khaled niet.

“Eensgezindheid,” fluistert hij.

“Wat?” Abdels stem klinkt vlak.

“Geen eensgezindheid,” herhaalt Khaled, “Dat is de reden waarom we altijd verliezen.” Nog nooit heeft hij het allemaal zo duidelijk gezien.

“Hoe bedoel je?”     

“Kankeren, da’s het enige dat we kunnen. Kankeren op elkaar, op de joden, op onze zielige levens. Kankeren en niets doen.”

Abdel zwijgt, maar Khaled gaat verder. Hij heeft al veel te lang gezwegen, vindt hij zelf.

“En als er al eens iemand in slaagt om de grauwe realiteit te ontvluchten, om iemand te worden dan zijn we altijd de eersten om hem er weer in te duwen. Met zijn kop in de modder.”

Abdel spuugt op het dek. Het vocht weerkaatst in de zon.

***

Abdel wordt diezelfde avond nog naar huis gestemd. Daarna volgen Sami en Zakaria. Zo blijft Khaled alleen achter met de mysterieuze Ismail en Zayed. De twee mannen trekken zich vaak terug in de mangrove in het midden van het eiland. Soms blijven ze urenlang weg. God weet wat ze allemaal uitspoken. Khaled is te zwak om zich nog veel zorgen te maken. Hun ploeg heeft tot nu toe alle proeven verloren en de honger begint zijn tol te eisen. Hij legt zijn hand om zijn biceps. Duim en middenvinger raken elkaar. Hij is nog nooit zo mager geweest.  

 

***

De volgende dag is de boot er weer. Knappe Brunette vraagt hen om in te stappen. “Voor de laatste ronde,” zegt ze, met een geheimzinnige, sexy glimlach om haar mond. De voorbije nacht heeft Khaled alleen in het kamp doorgebracht. Ismail en Zayed zijn pas in de vroege ochtend, toen de zon al als een reusachtige, koperen vogel boven de golven hing, uit de mangrove teruggekeerd.

De samensmelting is een feit. Na twee weken honger en ontbering worden beide kampen bij elkaar gevoegd. Drie joden en drie Palestijnen. Dat belooft. De cameralui lopen er zichtbaar gespannen bij. Dit is meer dan een tv-programma, dit is wereldpolitiek, Lost meets Big Brother meets Camp David. Het hele concept lijkt niemand onberoerd te laten. Zelfs Kofi Annan verwijst ernaar in zijn jaarlijkse openingsspeech voor de Veiligheidsraad.

 

De uitzending is pas gepland voor het najaar, maar de media – en niet alleen die met Isaac Meijer in de beheerraad – storten zich alvast op het levensverhaal van de deelnemers. Schandaaltjes worden opgegraven, oude vlammen geïnterviewd, analyses worden geschreven, gelezen, weerlegd, herwerkt en vergeten.

 

***

 

De sfeer rond het eerste gemeenschappelijke kampvuur is ronduit vijandig. Ismail en Zayed weigeren eerst zelfs botweg om met de joodse medekandidaten samen te zitten. Pas als de producer in hoogsteigen persoon naar het eiland wordt overgevlogen en hen het contract dat ze enkele maanden geleden hebben ondertekend onder de neus duwt, zwichten ze.

 

Alle gezichten staan op onweer. De voorbije uren heeft niemand ook maar een woord gezegd. Ook Khaled voelt zich opgelaten. David, Nathan en Samuel (want zo heten de drie joodse nieuwkomers) zien er elk ongehoord gezond uit. Zij hebben duidelijk geen honger geleden. Zij hebben geen taaie bamboescheuten moeten vreten, of boomschors, of die uitzonderlijk walgelijke boomkevers van gisteren. Het is haat op het eerste zicht.

 

Khaled wil net met een doorzichtig smoesje naar bed gaan als er iets vreemds gebeurt. Eén van de joodse mannen begint te neuriën. Zo zachtjes dat de golven het geluid bijna overstemmen. Khaled herkent de melodie. Beethoven. Ode an die Freude.

 

Alle Menschen werden Brüder,

Wo dein sanfter Flügel weilt.

 

De klanken doen iets met Khaled. Vergeten herinneringen banen zich een weg naar zijn hoofd. Zijn grootvader. Zijn eerste lief. De zon boven Gaza-stad. Vogels. Het is sterker dan hemzelf. Hij zingt mee. De anderen vallen één voor één in.

 

Het is niet veel. Zes mannen op een strand. Ze kennen de woorden niet, want dit is een nieuw lied. Ze zingen vals en de zon is al lang ondergegaan, maar het geeft niet. Het is een begin.

***

De volgende dagen zijn surreëel. De meeste tijd brengen de deelnemers rond het kampvuur door. Daar vertellen ze ellenlange, uitgesponnen verhalen. Verhalen over geweld en verdriet. Soms ook over vreugde en hoop. Deze mannen zijn geen geboren vertellers, ze haperen, struikelen over hun woorden en soms begrijpen ze maar de helft van wat de ander vertelt. Het geeft niet. Het is een begin.

“Hoe zou het daar nog zijn?” Zayed wijst naar de horizon.

“Daar” is de buitenwereld.

“Ze kijken toe,” zegt Nathan. “Wees gerust.” Hij is een loodgieter, net als Khaled.

“Ooit zullen ze verhalen over ons vertellen,” grapt Samuel. “De zes helden die vrede stichtten in het Midden-Oosten. Nathan, Zayed, David, Khaled, Ismail en natuurlijk... mezelf.” Hij lacht maar zijn ogen staan ernstig.

“Ik hoop het,” zegt Zayed.

 

Het klinkt broos en onzeker. In de verte zoemt een camera.

***

OK, hij heeft zich dus vergist. Dat is hem nog nooit eerder overkomen. Isaac Meijer voelt een vage pijn in zijn onderbuik. Zo voelt frustratie dus. Hij heeft net de eerste, ruwe montage bekeken van Operatie-Sjaloom. Toegegeven, ze hebben hun best gedaan. De regisseur kan niets worden verweten, net zomin als de rest van de crew. Mooie plaatjes, goede muziek, een snedige montage, een knappe co-presentatrice... Alles wat een mens maar wil. Maar zelfs deze overvloed aan vakmanschap kan de waarheid niet verhullen: dit is S.T. Saaie Televisie.

 

Niemand zit te wachten op conversaties over loodgieterij of sprookjes, of – godbetert - een stel volwassen mannen die liedjes zingen. Om dan nog maar te zwijgen over het ronduit schandalige einde: na de samensmelting weigerden de kandidaten nog opdrachten uit te voeren. “Ze wilden de eenheid binnen de groep niet verstoren,” stond in hun gemeenschappelijk perscommuniqué. De gedachte alleen al is voldoende om Isaac Meijer te doen kokhalzen.

 

“Als mensen een scoutskamp willen zien, dan moeten ze maar kookouder worden,” heeft hij daarnet tegen Chris, zijn persoonlijke assistent, gezegd. Isaac Meijer weet wanneer hij verslagen is. Hij is ook mans genoeg om het toe te geven. Het Sjaloom-project wordt afgevoerd.  

    

Veel tijd om te treuren heeft Isaac Meijer niet. De plicht roept. Hij schuift zijn benen onder zijn mahoniehouten bureau. Zijn hand rust even later op een vuistdik dossier, dat uiterlijk niet zo heel erg verschilt van het Sjaloom-dossier dat enkele weken geleden op exact dezelfde plaats lag.. Een nieuw project. Een actiefilm. Met een babyblauwe cover.

“Terror in Tel Aviv”. 

D.B. (28/02/2006)


Replicator

Je wil John Travolta zijn, inclusief trendy danspasjes en sexy heupbewegingen... Of Sergei Bubka, terwijl hij het wereldrecord polstokspringen breekt. 6 meter 2 centimeter (Parijs, 13 juli 1985). Je wil Rachmaninovs Pianoconcerto’s spelen, exact zoals de componist ze heeft bedoeld. Geen zielige kopie van het origineel, maar de pure, onverdunde realiteit. Wel, wij hebben goed nieuws voor u. Fantastisch nieuws: de Replicator. Dit staaltje supertechnologie heeft het allemaal, en dat tegen een spotprijsje: 1.259,95 euro. Inclusief Supercond

itieset en Casanova-pakket. Bel NU!

Replicator®. U kan het!

Replicator®. Waar verleden en toekomst elkaar ontmoeten.

Bel NU!

***

Het begon als een bevlieging. Dat doet het altijd. De een of andere jonge, trendy gast die het blokje rond jogt, met het nieuwste snufje aan zijn riem. Een kleine onopvallende polyester console, met een dunne slangachtige kabel die over zijn ruggengraat kronkelt. Nee, dit is geen simpele MP3-speler of, God verhoede het, een i-Pod. Dit is iets nieuws. In het begin reageert de goegemeente wat verward; sommigen maakten er zelfs – zij het onschuldige – grapjes over.
“Kijk, Jimmy heeft een extra brein gekregen.” Of “Microszoft heeft zijn eerste mens opgekocht.” Het lijdend voorwerp van hun beledigingen, de hierboven vermelde whizkid, reageert niet. Hij weet dat hij de vooruitgang achter zich heeft en dat die uiteindelijk iedereen, zelfs de meest verstokte kritikaster, zal overtuigen.

De jongen had gelijk. Natuurlijk. En dit was slechts het begin van de triomfantelijke doortocht van de Replicator doorheen de hele beschaafde wereld. Mensen werden nieuwsgierig, als de eerste de beste bende graatmagere, bepukkelde tieners die zich verdringen rond het hotste meisje op de speelplaats. En uiteindelijk kochten ze het onding. Allemaal. Sommigen organiseerden hun hele leven rond hun nieuwe aankoop, alsof het een leegte vulde, een oerdrang beantwoordde die er altijd al was geweest.

“Wees wat je wil zijn. En als dat niet lukt, doe dan tenminste wat je wil.”

Er kwamen verschillende soorten Replicators op de markt. Want zo werkt de vrije markt nu eenmaal. Kleurrijke, blinkende apparaatjes voor de kinderen en de lagere klassen. Sobere, en bijna onzichtbare exemplaren voor de hogere, cultureel verfijndere klassen. Uiteindelijk keken mensen je raar aan als je voorbijkwam zonder een Replicator aan je riem. Het toestel had een hele weg afgelegd: van afwijking tot verplichting.

De theorie achter de Replicator was redelijk simpel. “Elke spierbeweging wordt veroorzaakt door zenuwimpulsen. Dit zijn elektrische golven die in een neuron ontstaan en via het ruggenmerg worden doorgegeven.” Anders gezegd: elke beweging heeft een typisch, en dus perfect reconstrueerbaar, golfpatroon. Bijgevolg kan je spierbewegingen opslaan zoals je dat met geluiden, beelden en teksten doet. Meer nog, je kan zelfs andermans bewegingen downloaden en die met je eigen lichaam uitvoeren.

Een wonder. Onhandige zakenlui van middelbare leeftijd die dansen als Nurejev; reumapatiënten die vingervlugge goocheltrucs demonstreren, keukenklunzen die hun groenten versnijden als een echte sushichef, getrouwde koppels die hun eerste danspassen samen herbeleven – exact zoals het vroeger was. Een wonder.

Er waren natuurlijk complicaties. Die zijn er altijd. Vooruitgang kiest niet altijd de kortste weg.

Om deftig te functioneren, moest de Replicator op je ruggenmerg worden aangesloten. En dat was een delicate operatie. Iedereen kende wel één of ander horrorverhaal over mensen die zich lieten reppen door een knoeier, met goedkoop namaakmateriaal. De verhalen waren gruwelijk genoeg om instant-stadslegenden te worden. Mensen die hun eigen ingewanden uit hun lijf trokken, hun hoofd tot een bloedige pulp sloegen, of liepen tot ze er dood bij neervielen en dat allemaal door één of andere banale softwarefout. Niet dat dit mensen ervan weerhield om een Replicator-kit te kopen. Integendeel, deze verhalen gaven het bezit van een Rep zelfs iets heldhaftigs...


***

Zo. Hier sta ik nu. Aan de Replicator-afdeling van onze plaatselijke electrozaak. Het Licht der Vooruitgang is tot mij gekomen in de vorm van een verjaardagscadeau. Mijn overbezorgde kinderen, bang dat hun vader op zijn achtenveertigste voorgoed in het Stenen Tijdperk zou blijven steken, hebben me de laatste state-of-the-art Replicator gekocht. Ik moet toegeven dat mijn protest niet zo overtuigend klonk als ik dat had gewild. Ik voelde me zelfs opgelucht, omdat zij de knoop in mijn plaats hadden doorgehakt.

***
“Ik had niet echt veel keus, hé?”
- “Nee, niet echt. Kinderen kunnen best wel overtuigend zijn.”
Karl grijnst. Hij is een oude vriend. Als student bezochten we dezelfde cafés, zaten we achter dezelfde vrouwen aan en droegen we dezelfde gedichten voor als we zat waren – tot de cafébaas ons poëtisch narcisme beu was en ons de straat op gooide.

Tien jaar geleden verloren we elkaar uit het oog. Het getrouwde leven stond onze jeugdige vriendschap in de weg etc. U weet wel hoe dat gaat. En toch. Karls gerimpelde, patatvormige gelaat dat vanachter de toonbank tevoorschijn kwam, was een opkikker van formaat. Voor mij moet technologie een gezicht hebben en liefst een bekend gezicht. Ik word oud.

Karl meet mijn benen, armen, polsen, kuiten en mijn vingerkootjes. Hij gebruikt daarvoor een ouderwetse lintmeter, zoals de kleermakers van weleer. Of een begrafenisondernemer die de maten voor een kist neemt. Nu en dan hamert hij enkele gegevens in op een keyboard. Alles moet perfect zijn. Elke eigenaardigheid van mijn lijf, elke afwijking wordt omgezet in computertaal. Mijn rozige, weke kuiten: 01.03.65. Mijn buikje: 23.57.52. Mijn lange, ivoorwitte vingers, die me ooit deden dromen van een carrière als concertpianist: 93.45.46.27.45

- “En hoe is het nog met Linda?”
Sociale praat. Het hatelijke handelsmerk van de winkelier. Hoewel, dit keer kan de interesse oprecht zijn. Karl, Linda en ik woonden ooit in dezelfde straat.
“Bwa. We zijn nog altijd getrouwd.”
Meer valt er niet te zeggen.
- “Een hele prestatie in deze tijd…”
Karl zucht. Zijn vrouw heeft hem acht jaar geleden verlaten. Niet veel later opende hij zijn winkel. Eerst verkocht hij er vooral digitale camera’s, die waren toen “in” geweest. Maar nu waren het dus allemaal Reps.
- “Kom, we gaan je inpluggen.”

Het doet geen pijn. Toch niet extreem veel. Twee gaatjes in de onderrug.
- “Bij de Replicator 1.0 moesten we ook een contactpunt aan de schedelbasis installeren.” Karl blijft praten, hij probeert mijn aandacht af te leiden van de naald. “Man, dat deed pas pijn! Gelukkig hebben de techneuten van Cybercom daar uiteindelijk iets op gevonden. Nu hebben we maar twee gaatjes nodig. Vooruitgang...”
Ik knik, hoewel ik niet het flauwste benul heb waarover hij het heeft.
- “Twee is altijd beter dan drie, zoals ik altijd zeg.” Hij neemt een bol watten, doopt ze in ontsmettingsalcohol en wrijft die over mijn rug.
- “Je mag je weer aankleden.”

- “Enig idee wat je ermee wil doen?”
We staan aan de kassa. De Replicator hangt aan mijn riem, glimmend en gebruiksklaar.
“Ik zou het echt niet weten. Misschien mijn squashtechniek wat verbeteren. Of ik kan eindelijk dat In Zaire-dansje leren.”
Eerlijk gezegd kan het me allemaal bitter weinig schelen. Karl bekijkt me aandachtig. Hij opent één van de tientallen laatjes in de kast achter hem.

- “Dit zal je interessant vinden,” zegt hij. Hij houdt een kleine, inktzwarte Rep Disk voor mijn neus.
- “Het getrouwde leven gaat soms vervelen.” Een brede grimas doet zijn gezicht oplichten. “Een man heeft soms wat meer nodig.”
Zijn plotse, familiaire toon stoot me af.

“Ik weet niet of dit echt mijn...”
Ik laat mijn verontwaardiging niet blijken. De man probeert tenslotte alleen maar vriendelijk te zijn. Ik wil beleefd weigeren, maar Karl duwt het schijfje in mijn handen.
“Ik heb zoiets niet nodig! Ik ga het nooit gebruiken!”
- “Toch wel.”
Zijn onverstoorbare zelfvertrouwen doet me twijfelen.
- “Iedereen gebruikt het,” zegt hij. Hij glimlacht als een goedaardige Boeddha. “Dat doen ze allemaal.”
***

Zes maanden later. Ik kan niet meer zonder. Oh ja, eerst was ik sceptisch. Ik was niet van plan om de controle over mijn spieren zomaar af te staan. Ik stopte mijn spiksplinternieuwe Replicator weg in mijn nachtkastje. Daar verbleef het geruime tijd in het gezelschap van enkele bedorven graanrepen en ongebruikte condooms. En daar had het moeten blijven. Maar dat deed het niet: ik begon het ding effectief te gebruiken.

Eerst gebruikte ik mijn Rep slechts sporadisch. Ik leerde mezelf viool spelen, een vurige tango dansen, bloemschikken etc. Pas later werd het een gewoonte. Ik begon het toestel ook te gebruiken voor de kleine dagelijkse routines. Om me mooi glad te scheren, zonder dat ik mezelf de keel oversneed, om mijn tanden te poetsen...
“Mijn handenarbeid outsourcen,” noemde ik het lacherig. Voor mij was het een echte openbaring: mijn spieren die iemands anders z’n handelingen uitvoerden.

***

Vandaag ga ik het geheim van het Zwarte Schijfje ontsluieren. Linda is op bezoek bij haar zus in Hasselt. Ze zal pas laat terug zijn. Ik heb het uit zijn cellofaanverpakking gescheurd en hou het behoedzaam in mijn handen. Het ziet er niet uit als een normaal Repschijfje. Het is inktzwart, zonder enige titel of andere aanduiding. Dit zou wel eens straf spul kunnen zijn. Ik kan nauwelijks wachten.

Ik schuif het schijfje in de houder en druk op de play-knop. Ik voel hoe de sofware mijn bewegingen zachtjes begeleidt, zoals een bezorgde moeder dat met haar kind doet. Ik voel me opgelaten wanneer een warm, kloppend gevoel zich in mijn onderbuik nestelt. Plots begin ik te spreken, de woorden zijn niet de mijne. Ik schrik. De Replicator heeft mijn stembanden gekaapt.

“Dag Richard.”
Ik besef dat ik tegen mezelf aan het praten ben. Mijn stem klinkt anders, alsof ik mezelf aan het playbacken ben. Ik vraag me af hoe dit ... ding mijn naam kent.

“Ik ben het, Karl.”
De stem klinkt spottend. Gevaarlijk. Ik panikeer. Ik zou dit duivelse apparaat zo graag willen uitschakelen. Doodgraag. Maar ik kan het niet. Mijn spieren gehoorzamen me niet meer. Ik knipper met mijn ogen. Drie keer, want dat is de standaardprocedure om een Reptoepassing af te sluiten. Zelfs dat werkt niet.

“Herinner je ons nog, Richard? Hoe jong we waren?”
Ik knik instemmend. Het knikt.
“Jij, ik en Linda. Hoe we door de duistere straten wandelden, terwijl we nachtelijke serenades zongen. Ik hield van haar en dat wist je.”
Het wordt kwaad. Ik voel hoe het mijn spieren spant alsof het elk moment iemand in elkaar wil timmeren.

De stem vervolgt zijn bittere monoloog.
- “Je koos voor haar. Je vergat onze vriendschap.”
Mijn ademhaling verloopt moeizaam, alsof ik net een ijskoude zee ben gered.
Mijn hersenen zoeken koortsachtig naar argumenten, excuses en beloftes. “Ik zal van haar scheiden – alles wat je maar wil – ik heb nooit van haar gehouden...” Briljante redeneringen die zullen bewijzen dat onze vriendschap wel belangrijk voor me was. Ik besef dat het geen zin heeft om met een softwarepakket te discussiëren.

- “Volgende week, zal ik Linda tegen het lijf lopen – een toevallige ontmoeting op straat. Ik zal vragen hoe het met haar gaat. Zonder enige twijfel zal ze over jou beginnen en je ontijdige overlijden. Hoeveel ze je wel niet mist. Ik zal haar troosten.”

- “Twee is altijd beter dan drie, zoals ik altijd zeg.”
Ik voel zijn grijns op mijn gezicht.

Met een schok sta ik recht. Ik begin te dansen, als een willoze, krachteloze marionet. Eerst langzaam, alsof mijn voeten de koude vloer willen verkennen voor ze in een dolle, adembenemende dans uitbarsten. Ik ben een derwisj, ik dans een uitzinnige dans met de Dood.
En één twee drie en één twee drie en...

Ergens, in dit gebroken, gehavende lichaam is er een adertje gebarsten. Een spier is gestopt.

Ik denk niet aan Linda. Niet aan mijn kinderen. Alleen aan een reclameslogan die ik ooit ergens eens heb gelezen.

Replicator®. Waar verleden en toekomst elkaar ontmoeten.

Maar wat
als het verleden
anders is
dan
we dachten?


Replicator (Engels)

So, you want to be John Travolta, showing off your fancy dance steps? Or maybe – why not? - you want to experience Sergei Bubka’s famous 19’ 8” leap (Paris, 13 july 1985)? Play Rachmaninov’s Piano Concertos the way he intended them to be played? No sad, mocking imitation of reality but pure, undistilled reality itself? Well, we’ve got some FAN-TAS-TIC news for you: the Replicator 3v.22. This cutting edge piece of technology has it all. And at a really sharp price: 1,259 £ 23p. Including the General Gymnastics and Casanova-add on! Call now!

 

Replicator®. “You can. Because we can.”

Replicator®. “Where past and future meet.”

***

 

It started as a fad. It always does. Some young, trendy kid jogging around the block sporting a new gizmo. A small, unobstrusive polyester console attached to his belt, a thin snakelike cord running up his spine. No mere MP3-player or i-Pod, this. Something new. At first, people react puzzled, even make offhand jokes about it. “Jimmy’s got a new brain installed.” Or “It seems Microsoft’s taken over their first human.” The subject of their mocking taunts, the aforementioned youngster, doesn’t bother. He knows progress is on his side and that – eventually – it will overrun even the most stubborn of his stone age-minded adversaries.  

 

He was right. Of course. This was only the beginning of the Replicator®’s  victory march throughout the civilized world. People got curious – like skinny, freckled kids, flocking around the hottest girl in the schoolyard. They even ended up buying the bloody thing, actually constructed their lives around it – as if it filled an emptiness that had always been there, satisfied a primal urge that had – finally – gotten a name and a solution. “Be what you want. And if you can’t manage that. Do what you want.”

 

There were different kinds of Replicators. Because that’s the way the world goes, spinning its way along the invisible rules of marketing. Shiny, bright-coloured ones for the kids and the lower classes; sober, sleek and nearly invisible ones for the cultural upper classes. Finally, people started giving you the odd look if you passed by, without having one of these technological wonders attached to your body. From deviation into option into obligation.

 

The whole idea was fairly simple. “Every movement is the result of nerve stimuli. These are basically rapidly traveling electrical waves, which begin in a neuron and propagate rapidly down the axon.” To put it simply: each movement has a typical, and therefore perfectly reconstructable wave pattern. This means one can store muscular movements on a hard disk, in practically the same way as you can store sounds, images and texts. You can even download movements that are not your own and re-enact them using your own body.

 

A miracle. Plump, middle-aged businessmen dancing like Nurejev, old arthritics performing card tricks, kitchen virgins chopping up their vegetables like a sushi chef, married couples reliving their first dance together – exactly the way it had been… A miracle.   

 

Of course, there were complications. There always are. Progress can be as recalcitrant as a wayward child, being dragged off to school. The Wright brothers plummeting down at Kitty Hawk for the 100th time, … Watson and Crick having the  structure of DNA backwards for the longest time…

 

For the Replicator to function properly, the system had to be branched to your spinal cord. A delicate procedure, to say the least of it. Everybody knew horror stories about people who got their repping done by a seedy wheeler dealer, using (The horror, the horror!) cheap, low-standard counterfeit material. The results were gruesome enough to become instant urban legends. People ripping the guts out of their own body, hammering their head into a bloody pulp, running till they dropped stone dead, unable to stop their movements, all because of a software failure. These examples didn’t stop people from buying Replicator-kits. On the contrary, these tales even added a certain heroism to an otherwise purely consumerist act. “I’m not buying this for myself. Oh no, it’s for the cause of scientific progress!”

 

***

 

So. Here I am now, browsing the Replicator-rack of our local retailer. The Light of Progress has come to me in the guise of a present for my 46th birthday. My over-anxious children, eager to upgrade their cave dweller-dad, bought me the latest state-of-the-art Rep. I have to admit that my protestations weren’t as sincere as I would have wanted them to be. I even felt a kind of relief, that they had made the inevitable decision in my stead.

***

“Didn’t have much choice, did I?”

- “Not really, I suppose. Kids can be quite convincing.”

Carl grins. He’s an old friend of mine. We used to get drunk in the same cafés when we were students at the Polytech – reciting Browning and Poe till the landlord got fed up with our poetic narcissism and threw us out.

 

Ten years ago, we got out of each other’s lives, married life interfering with our boyish pranks. Still, Carl’s wrinkled, potato-shaped face popping up from behind the counter of the electronics store, was a pleasant surprise for me. I need technology to have a friendly face – preferably a known face. I’m getting old.

 

Carl is measuring the length of my legs, my arms, my wrists, my calves, my fingers, using an old-fashioned tape measure - as if he were a tailor contemplating a new suit or an undertaker preparing my coffin. Every now and then he hammers some data into a keyboard. Everything has to be perfect. Each peculiarity of my body has to be translated into computer lingo. My pink, wobbly calves: 01.03.65. My ever expanding belly: 23.57.52. My long, ivory fingers, that once destined me to become a pianist. 93.45.46.27.45

 

- “How’s Sheryl doing?”

Small talk. The hateful craft of the shopkeeper. Still, his concern might be genuine. Carl, Sheryl and I used to live in the same street – so he actually knows the person he is inquiring after.

“We’re still married.” There’s nothing more to be said.

- “Quite an accomplishment in this divorce-ridden era…”

Carl sighs. His wife left him eight years ago. That’s when he opened his electronics store. He started out selling digital cameras, they were the “in”-thing, back then; but now it’s all Reps.

- “Let’s get you hooked up.”

 

It doesn’t hurt. Much. Two punctures in my lower back.

“The Replicator 1.0 also required an input jack at the base of the skull,” Carl keeps on talking, trying to divert my attention from the needle. “Boy, did that hurt! Luckily, the whiz-kids at Cybercom discovered a more humane way to do things. So, we only need two access points. That’s progress for you.”

I nod, although I have not the faintest idea what he is jabbering about.    

“Two’s always better than three, as I always say.” He takes a cotton pad drenched in disinfectant and smears it across my back.

“You can put your shirt on.”

 

- What do you want to do with it?

We’re standing at the counter, the Replicator hanging on my belt, ready to be used.

“Dunno. Maybe I’ll improve my squash skills. Or… it might help to avoid my toes being squashed during the “In Zaire”-routine.”

Frankly, I don’t have any idea. Carl seems to notice my lying incertitude.

 

“You might find this interesting,” he says, opening a drawer and taking out a small Rep Disk.

“Married life can be boring,” he says – a smirk spreading across his face. “You might need some exercise.”

I am appalled by the sudden, jocular familiarity in his voice. His “boys-will-be-boys”-intonation. Nudge, nudge, know whatahmean.

- “I don’t know if that’s really the kind of…”

I try not to show my indignation. After all, he’s just trying to be friendly. Carl pushes the disk into my hand.

- “I won’t use it!” I protest, but to no avail.

“You will.” His blunt self-assurance baffles me.

“They all do.” He says, smiling radiantly. “Yes, they all do.”

 

***

 

Three months later. I suppose I have become an addict by now. A zealot fiercely embracing a new cause. At first, I was too suspicious to give up my muscular independence. I locked my brand new Rep unit away in my night stand drawer. There it remained – enjoying the company of some stale candy bars and a box of expired preservatives. There it should have remained. But it didn’t. I started to use it. First, sporadically, as a I taught myself to play the violin, to dance a fierce tango, to sculpture delicate flowers out of clay…  Later, it became a habit. I started using it for the numbing routines of daily life. To get a good close shave
without cutting my skin to shreds, to brush my teeth without tiring etc.
“Outsourcing my manual labour,” as I called it. It was a thrilling experience: my own muscles doing another man’s actions.

 

Today, I have finally decided to unveil the secrets of the black disk Carl has given me.  Sheryl is visiting her sister in Dorchester and isn’t likely to be back soon. I have taken it out of its cellophane wrapping and now I’m holding it in both hands, watching it intently. The disk, which refuses to give me any clues as to its contents, doesn’t look like an ordinary Rep Disk: it is jet black and bears no outward markings – adding to the sense of illegal exclusivity. This could be the real thing. 

 

I slid the disk into the holder and push the “play”-button. Instantly, I feel the software gently taking over my movements; like an anxious mother guiding her baby’s first steps. I feel a kind of elation, as a warm, throbbing sensation spreads across my lower belly. Suddenly, I start to speak someone else’s words. My vocal cords are responding to the electric impulses of the Rep Unit.

 

“Hello Richard.”

I realize that I’ve started talking to myself. My voice sounds strange, as if I’m being play-backed.  I wonder how this… thing knows my name.

“It’s me, Carl.”

The voice has a mocking, dangerous ring to it. I start to panic. I want, really want to switch off the devilish contraption. But I can’t. My muscles belong to someone else. I flutter my eyelids, three times in a row, this is the standard procedure to shut off a Rep Application gone awry. It doesn’t work. It should have worked.

 

“Do you remember how we were, Richard?”

I nod, in mute apprehension. It nods.

“You, me and Sheryl. Walking through the nightly streets, singing serenades to the night. I loved her and you knew.”

It grows angry. I feel it flexing my muscles as if it’s about to strike someone. That “someone” would be me, I suppose. 

 

The voice continues its spiteful soliloquy.

“You chose to ignore our friendship. You took her away from me. A highborn kinsman.”

I’m breathing heavily now, sucking in air as if rescued from an ice-cold sea.   

I’m frantically thinking up arguments, excuses, pleading promises “I will divorce her – anything – I never loved her anyway”, brilliant syllogisms to prove my innocence… I realize it’s no use arguing with a machine.

 

“Next week, I will run into Sheryl - a chance encounter on the street. I will inquire after her general health. Undoubtedly, she will start talking about you and your untimely demise. How she misses you. I will comfort her.”

 

“Two’s always better than three, as I always say.”

I feel his grin on my face. 

 

With a jerk, I’m forced to my feet and start to dance. An unwilling, powerless puppet on a string. Very slowly, at first - as if my feet are probing the cold floor before they erupt into a mad, breathtaking pattern. I’m a dervish spinning and flailing my arms in a frantic dance with Death. And one and two and three and one and two and three…

 

Somewhere, in this broken, tattered body, a vein has burst, a muscle has stopped its daily toil.       

 

I’m not thinking of Sheryl. Nor of my children. Only of a slogan I once saw in an ad.

 

“Replicator. Where past and future meet.”

 

 


Licht

Het was allemaal zo onschuldig begonnen. Met een paar lampen in een boom. In de tientallen jaren die aan het incident voorafgingen, waren Fernand Kneutels en Theo Snaters modelburen geweest. Toegegeven, er waren nu en dan wat “probleempjes” geweest maar alla, in elk huishouden gaat er soms wel een keer iets scheefs, gelijk ze hier zeggen.

Zowel Fernand als Theo waren gepensioneerd. De één was dokwerker geweest, de ander schoolmeester en dat was er – onder ons gezegd en gezwegen - ook aan te zien. Fernand was een grote, struise beer van een vent met een wilde weerborstel wit haar en een stem als een misthoorn. Theo daarentegen was een ziekelijk, mager ventje met een ziekenfondsbrilleke en nog meer zenuwtics dan Dustin Hoffman in Rain Man. Ze hadden echter – zonder het te weten – één ding gemeen: een bazige vrouw die hen het leven zuur maakte. Ze hielden allebei bijgevolg van tuinieren, een hobby die hen een zekere vorm van vrijheid gaf.

De huizen in de Dorpstraat lagen allemaal zo’n vijf meter van de straat en dat gaf de buurtbewoners voldoende ruimte om hun groene driften te botvieren in het aanleggen en opsmukken van hun voortuintjes. Die van Fernand en Theo waren echte pareltjes. In Fernands voortuintje stond een indrukwekkende, bebloemde Mariagrot centraal, omringd door tientallen gipsen beeldjes. Theo had zijn voortuintje ingericht als een Japanse stadstuin, met een klein vijvertje, omringd door wat bamboe, gietijzeren waterspuwers en enkele fraai getrimde bonzaiboompjes.

Hoewel het nooit met zoveel woorden was gezegd, was er door de jaren heen een zekere rivaliteit tussen beide stadstuiniers ontstaan. Mocht iemand dit ooit in hun aanwezigheid hebben geïnsinueerd, dan hadden zowel Theo als Fernand dat ongetwijfeld ten stelligste en met een geamuseerd glimlachje ontkend. Toch kon niemand eromheen dat beide heren elkaars voortuintje nauwlettend in de gaten hielden.

De hele ellende begon een week voor Kerstmis 1995. Theo had een eenvoudige lampenslinger in één van zijn bonzaiboompjes gehangen. In totaal ging het om niet meer dan tien lampen, maar de kerstdecoratie miste zijn effect niet. De volgende ochtend stoof Fernand als een razende naar de Brico en diezelfde avond hingen er twee lampenslingers rond de top van zijn Mariagrot.

Theo sloeg terug met een felverlichte kerststal, waarop Fernand dan weer reageerde met een levensgrote, staartster in Gyproc. En toen was het – godzijdank – Nieuwjaar geworden en werden alle kerstdecoraties opnieuw veilig opgeborgen. De rust leek opnieuw te zijn weergekeerd in West-Poelvoorde.

Het jaar daarop opende Fernand de vijandelijkheden. Met een protserige “Merry Christmas”-dakverlichting, zijn staartster van het jaar tevoren en een plastieken klimkerstman. Theo hing daarop drie klimkerstmannen aan zijn voorgevel en plantte een span lichtgevende rendieren voor zijn vijvertje. Fernand had hard teruggeslagen: met twee extra kerstmannen, een kerststal met een echt schaap en een kindeke Jezus dat begon te wenen als je het hard door elkaar schudde. 

De volgende jaren liep de situatie meer en meer uit de hand. Schaarliften werden aangesleept, aannemers onder de arm genomen, greppels uitgegraven en weer opgevuld, wallen opgeworpen en weer platgelegd... Elke winter werden de twee tuinen bedolven onder een lawine van kerstverlichting, kunstsneeuw en opgezette rendieren. Sommige buurtbewoners begonnen zich verontrust af te vragen of de uitbundige verlichting de vliegtuigen uit Zaventem niet in de war zou brengen.

Toen het elektriciteitsnetwerk in de straat onvoldoende bleek te zijn om hun kerstobsessie van stroom te voorzien, overwogen beide buren zelfs even om een windturbine te installeren, maar een klacht van de plaatselijke duivenbond maakte een eind aan de plannen. Uiteindelijk sloegen de vrouwen van Fernand en Theo de handen in elkaar en werden beide mannen met zachte doch kordate hand gedwongen om aan de onderhandelingstafel plaats te nemen...

Het vredesproces verliep aanvankelijk vlotjes. Fernand had zijn opgezette rendieren al opgegeven in ruil voor Theo’s belofte om zich dit jaar tot één schaap te beperken. Nu moest er alleen nog een compromis worden gevonden over de klimkerstmannen en de lampenslingers. Daar liep het echter fout. Een technische discussie over voltages en lichtmetingen mondde uit in een zware rel en uiteindelijk bleef alles bij het oude.

Op Kerstmis 2000 kwam er een eind de hele flauwekul. Theo en Fernand waren dat jaar elk tot het uiterste gegaan. Het nieuwe millennium kwam eraan en dat moest nu eenmaal in stijl worden ingezet. In Theo’s tuin bevond zich een levensechte evocatie van de vlucht naar Egypte, inclusief verlichte minipiramides, een levende muilezel en tientallen met de hand gesculpteerde figuurtjes. Fernand had dat jaar als thema de Kindermoord te Betlehem gekozen, met een reusachtige koning Herodes die een gemene bulderlach liet horen telkens er iemand de brievenbus leegmaakte. De hele buurt keek ongeduldig uit naar het einde van de middernachtsmis, want op dat moment zouden Theo en Fernand hun spectaculaire kerstverlichting officieel ontsteken.

Tientallen kijklustigen hadden zich verzameld om het moment de gloire van de beide mannen mee te beleven. Theo’s echtgenote deelde glühwein en truffels uit en de plaatselijke fanfare – waar Fernands echtgenote lid van was - speelde Jingle Bells en iets van Laura Lynn. Zowel Theo als Fernand hadden hun hand op de schakelaar. Om klokslag één uur drukten ze af.

Er gebeurde niets. Beide buren keken elkaar verbouwereerd aan. Het publiek werd onrustig, hier en daar klonk een nerveuze lach. Zowel Fernand als Theo stonden stokstijf. Het rumoer zwelde aan. Theo sprak als eerste.

“Zie nu wat ge met uw knoeiwerk hebt bereikt. Heel de boel is om zeep.”

- "WABLIEF ?!" bulderde Fernand.

“Ge hebt uw aarding niet goed gelegd.”

- "WABLIEF ? GIJ durft MIJ ne knoeier noemen?" Fernand was al aardig rood aangelopen.

“Ja. Omdat het de waarheid is.”

Met een oorlogskreet vloog Fernand op Theo af. Niemand greep in. Daarvoor was iedereen te verrast. In enkele tellen rolden beide buren over de grond, een web van lampjes, slingers en engelenhaar met zich meeslepend. De tengere Theo was duidelijk geen partij voor de veel struisere Fernand. Het gevecht zou dan ook snel geëindigd zijn als Theo zijn handgesculpteerde beeldjes niet had gebruikt om zijn tegenstander enkele rake meppen te verkopen.

En toen gebeurden er verschillende dingen tegelijk. De kerstverlichting floepte zonder aanwijsbare reden aan. Fernand en Theo kwamen met een sierlijke boog in Theo’s siervijvertje terecht en iemand riep “Pas op met die elektriciteit!”.  En toen viel het licht weer uit.

Zowel Theo als Fernand hadden zware brandwonden over het hele lichaam. Het duurde wel twintig minuten voor de ziekenwagen uiteindelijk ter plaatse was. Dat kwam omdat de ambulanciers naar verluidt tien minuten nodig hadden gehad om te bekomen van het lachen. 

En toch. Dit verhaal zou geen kerstverhaal zijn als we het niet positief konden afsluiten...

In het ziekenhuis kwamen Fernand en Theo op dezelfde kamer terecht. Na één dag bitter stilzwijgen raakten beide mannen aan de praat. Na twee dagen wisselden ze al tuintips uit. Na drie dagen was het alsof ze al jaren de beste vrienden waren.

Tot het noodlot opnieuw toesloeg...

Fernands vrouw had een boeketje rozen meegebracht. “Om de kamer wat op te fleuren,” zoals ze zelf zei. De dag erna bracht Theo’s vrouw twee potcactussen mee en een pot sanseveria’s. De volgende dag ...

Enzovoorts enz. 


De Bestseller

De kamer was sober ingericht. Een tafel en drie stoelen, meer niet. Enkele spaarzame zonnestralen trokken gouden lijnen door de lucht. Over het gepolijste tafelblad heen staarden twee mannen de schrijver aan. Ze waren jong noch oud. Hun gladgeschoren kaken waren vastberaden op elkaar geklemd. Dat was geen goed teken, besefte de schrijver. Hij was een magere, onopvallende man met de grote, ruwe handen van een timmerman. Die hield hij eerbiedig gevouwen. Dit was een belangrijk gesprek.

“Sta daar niet zo te staan! Ga zitten, goeie man!” brulde de rechtse man hem toe. De schrijver deed wat hem gevraagd werd.

- Goeie mid..., begon hij aarzelend.

“Ik vrees dat we nog heel wat te bespreken hebben, jongeman,” onderbrak de rechtse man hem abrupt. Hij klonk als iemand die geen tegenspraak dulde. Zijn onderkaak stak licht vooruit, zodat zijn onderste hoektanden steeds zichtbaar waren. Als een valse hond, bedacht de schrijver. Hij was zich nog nooit zo pijnlijk bewust geweest van zijn versleten sandalen en zijn rafelige baard.

***

“Hoe zou u zelf uw boek omschrijven?” De linkse man klonk een stuk inschikkelijker dan zijn collega.

- "Mystieke non-fictie." Het antwoord kwam er bijna automatisch uit. Ze hadden hem die vraag al zo vaak gesteld.

“U begrijpt dat daar de laatste jaren niet zoveel vraag meer naar is?” zei Rechts abruupt. Een vraag die er geen was.

“Ons publiek wil iets... avontuurlijker,” fleemde Links. “Smachtende geliefden, een nachtelijke wandeling langs een maanverlichte zee, smeuige scènes in een veld vol bloesems... Begrijpt u dat?”

- Niet echt, nee.

Zowel Links als Rechts zuchtten. Het zou een lange nacht worden.

***

“Kort samengevat komt het dus hier op neer,” vervolgde Rechts zijn betoog, “Wij zijn niet zo zeker of er een publiek voor uw boek bestaat.” De zonnestralen waren al een tijd lang geleden verdwenen. De nacht hing als een  reusachtige inktvlek over de stad.

“Wie zou er uw boek moeten lezen?” herhaalde Rechts zijn vraag.

- "Iedereen," fluisterde de schrijver beduusd. De vragenkanonnade van de voorbije uren had hem flink uit zijn lood geslagen. “Hoewel in de praktijk vooral oudere mensen geïnteresseerd zullen zijn.”

“De bejaarden?” Het gezicht van Rechts klaarde op. “Geniaal! Een groeiende markt, mijn beste vriend! De bejaarden zijn de toekomst, zeg ik altijd.” Hij stootte Links schalks aan. Die lachte schaapachtig mee.

***

“We hebben uw eh... roman voorgelegd aan ons vast leespanel.” De joligheid die even op het gezicht van Rechts te zien was geweest, had opnieuw plaats gemaakt voor koele zakelijkheid.

“Volgens hen zou er inderdaad een markt bestaan voor uw boek.” Rechts liet zijn beringde vingers over het tafelblad glijden. Hij vond het zichtbaar sneu dat hij iets positiefs moest zeggen. “Vooral vrouwelijke meerwaardezoekers tussen 55 en 75 zouden geïnteresseerd zijn. Daarom zijn we eerder geneigd van uw boek een kans te geven. Een beperkte oplage, zo’n 1.000 exemplaren. Maar...”

Zijn gezicht klaarde op.

“Maar dan moet u wel het slot veranderen,” vervolgde hij.

- Hoezo?

“In onze branche is er maar één wet, mijn jongen.” Links boog zich over het tafelblad, alsof hij een vieze mop ging vertellen. “En die is: hoofdpersonages gaan niet dood. De mensen zijn daar – God weet waarom - allergisch voor. En zeker nadat ze duizend bladzijden ronkende volzinnen achter de rug hebben.”

De schrijver keek hem niet begrijpend aan.

“Het einde moet eruit, bedoelt hij. Intelleges?” Rechts genoot van de ontreddering op het gezicht van de schrijver. “De rest van het verhaaltje zit wel snor – een beetje actie, wat drama... Maar het einde moet weg.

- “Nee!” zei de schrijver onverwacht heftig. “Ik denk er nog niet over. De sterfscène is veruit het sterkste stuk. Dat kan ik er toch moeilijk uithalen!” riep hij verontwaardigd.

“In dat geval is ons gesprek afgelopen.” De twee mannen maakten aanstalten om op te staan.

- "Nee, wacht!"

Er klonk paniek door in de stem van de schrijver en dat was zijn gesprekpartners niet ontgaan. Ze keken hem verwachtingsvol aan.

- "We kunnen er toch over praten," stamelde de schrijver. "Misschien kunnen we het op een akkoordje gooien..."

Hij had net een lumineuze inval gehad.

“We luisteren.” De twee mannen waren weer gaan zitten.

***

Twee uur later stond de schrijver terug op straat. Hij had een fijne, raadselachtige glimlach om de lippen. De sterren boven zijn hoofd hadden er nog nooit zo juist uit gezien, de nacht nog nooit zo vertrouwd. Toegegeven; de besprekingen waren moeizaam gelopen en hij had het slot flink moeten wijzigen maar dat werd ruimschoots goedgemaakt door het Contract, dat in zijn linkerzak stak.

Duizend denariën! Zoveel geld had hij in zijn hele leven nog nooit bij elkaar gezien. Dat bedrag moest hij wel delen met zijn drie co-auteurs. Die zaten zich nu ongetwijfeld te bezatten in het drankhuis naast de synagoge.

***

Walmende olielampen verlichtten de kleine ruimte. Aan enkele ruwe houten tafels zaten nog enkele late stamgasten. De schrijver was net binnengekomen en had zich bij een andere man gevoegd, een mollige vijftiger met een leger lege bekers voor zich uitgestald. “Wel Lucas, hoe zit het nu met je boek?” vroeg de man met pretlichtjes in zijn ogen. “Niet slecht,” antwoordde de ander ontwijkend. “Ze hebben wat aan het slot zitten sleutelen, maar al bij al is de schade beperkt gebleven. Waar zijn de anderen, trouwens?”

“Geen idee. Marcus is heel even langs geweest. Hij vroeg naar jou. Maar waar Matteus en Johannes uithangen, dat ik het bij God niet weet!”

                                                                  Dominiek Biebau – 9/12/04


Voorgoed

"Getver!” Meneer Claessens vloekte. Hij stond tot aan zijn knieën in het water. De hoofdleiding had het een half uur geleden begeven, een gebeurtenis die de hele kelder had blank gezet. Enkele welgemikte tikken met de hamer hadden de hele situatie alleen maar verergerd. Meneer Claessens schudde zijn hoofd en klopte daarna op zijn vingers.

“Getver! Getver!” Hij zoog op zijn gezwollen rechterduim en riep toen de toverformule die alle getrouwde mannen in zo’n geval gebruiken.

“Schaaaa-aaaat!”

Marijke hoorde haar man tekeergaan in de kelder. Ze had ook zijn speciale stembuiging opgemerkt die alle woorden een extra lettergreep gaf. “Schaa-aaat!” “Marij-ijke!” Dat was een slecht teken. Vanavond zou meneer Claessens weer te veel drinken. En dan...

Ach, alles welbeschouwd, kon het Marijke bitter weinig schelen wat haar echtgenoot die avond zou uitvreten. Vandaag nam ze vrijaf. Voorgoed.

***

Een broeierige zomeravond, een twintigtal jaren geleden. Een goedkoop hotelletje aan de Judengasse in Wenen, met brandgaten in het tapijt en haarballen in de douche. Ze lagen samen in bed, haar voeten tussen die van hem. Eén van die momenten die ze later als “geluk” zou definiëren. Toen – op dat ongrijpbare, magische moment - had Marijke haar diepste wens onthuld.

 “Karel, ik wil een kind.”

Tot haar grote verbazing had Karel haar klamme, zachte lichaam niet van zich afgeduwd. Hij had haar zelfs niet “zijn zotte meid” genoemd, zoals hij wel vaker deed. Nee, hij was begrijpend en teder geweest. Hij had haar in zijn armen genomen en ze hadden gevreeën. De ochtend erna had ze haar pil in het toilet gegooid. Net als de volgende dag en. De eerste weken had ze vaak urenlang voor de spiegel gestaan, op zoek naar een eerste zwelling, een eerste vlek. Tevergeefs. De lege doosjes van de zwangerschapstests stapelden zich op in het vuilnisbakje op hun badkamer.

Alles bij elkaar hadden ze er drie jaar in geloofd. Drie jaar waarin ze hadden gedacht dat het wel goed zou komen. Waarin ze hadden gebeden en gehoopt. Tevergeefs. Karel was zelfs naar het ziekenhuis geweest om zich te laten onderzoeken. Daar hadden ze hem verteld dat zijn zaad onvruchtbaarder was dan een glaasje Perrier. Ze zouden nooit kinderen krijgen.

***

Als Marijke er goed over nadacht, was alles vanaf toen anders geworden. Karel was bitsiger geworden, afstandelijker ook. En ook zijzelf was langzaam, in duizenden kleine fases, de vrouw geworden die ze nu was. Iemand voor wie verdriet een stille, verschrikkelijke routine geworden was. Toch was ze niet de enige die leed. Die gedachte hield haar recht. Ook Karel had zijn deel gedragen, daarvan was ze overtuigd. Zo waren ze stilaan van minnaars veranderd in twee stille martelaars, die meer naast dan mét elkaar leefden.

***

De herinnering aan hun eerste jaren samen deed haar glimlachen. De oorzaak voor haar plotse opgelatenheid kon natuurlijk ook bij de tranquilizers liggen, waarvan er nu drie doosjes op livingtafel stonden uitgestald. Net een uitstalraam van een apotheek, bedacht ze. Ze giechelde als een meisje. Jan Theys en twee dozen Dafalgan. Zouden er kinderen in de hemel zijn? Even later plooide haar frêle lichaam zich samen en viel met een onhoorbare klap op de grond. Een klein straaltje bloed stroomde uit haar mond en vormde een plasje op de beukenhouten plankenvloer. Toch iets dat zij niet moest opruimen. Dat was haar laatste - triomfantelijke - gedachte.

 ***

"Schaa-aa-aa-aat!"

Het woord had al vier lettergrepen gekregen - een absoluut record - toen meneer Claessens besloot zijn vrouw zelf op te gaan zoeken. Als mohammed niet etc...

"Die moslims hebben dan toch nog één goed idee gehad," dacht hij, toen hij vol opgekropte razernij de woonkamer binnenstormde.

 ***

Meneer Claessens scheurde met trillende vingers de envelop open die op de salontafel lag.

 "Voor mijn man," had ze erop geschreven. Marijke Claessens was misschien snel een oude vrouw geworden, maar haar handschrift was nog steeds dat van een tienermeisje, met ronde, overvloedige lussen en grote bollen op de i's.

Karel,

een leven zonder kinderen heeft geen zin. Het spijt me.

Marijke.

***

Karel - meneer Claessens - begroef zijn hoofd in zijn handen. Hij probeerde niet - vooral niet - te denken aan die ochtend in augustus zo'n 22 jaar geleden. "Permanent of tijdelijk?" had de chirurg hem gevraagd, "U weet nooit of u..." "Permanent," had Karel hem op het hart gedrukt. Dat had hem toen de beste oplossing geleken.


Tieten

“Meer inzoomen op de tieten! Godverdomme.” riep de regisseur in zijn headset. “Ik wil ze kunnen voelen, als sappige, pas geplukte advocado’s, als romige melocakes in de versafdeling, als...” Zijn assistent veegde de druppels speeksel van zijn monitor. Hij deed dat met de afgemeten gebaren van iemand die gewend is om alle soorten lichaamssappen van alle soorten lichaamsdelen en alle soorten meubilair af te vegen. Ze noemden zijn baas niet voor niets Gilles de La Tourette.

*** 

“En Leya’s vloeiende kontbeweging, hebben we die?” De regisseur schuimbekte nu bijna. “Hebben we die?” brieste hij. “JA OF NEE?” De cameraman overwoog even om op te merken dat het – god kust mijn kloten – niet simpel was om de twee gevraagde lichaamsdelen tegelijk in beeld te brengen, maar deed er uiteindelijk het zwijgen toe. Soms wou hij dat hij ver hiervandaan was. Aan één of ander exotisch strand, met Roos van Acker op stand-by. Of in een ingesneeuwde berghut met de hele vrouwelijke cast van De Dingen des Levens. Jodela- Zijn koptelefoon kraakte. Back to reality. Zucht.

 ***

“Wie is die man? Ik herhaal WIE IS DIE MAN- haal hem daar weg NU NU!” De productie-assistent had een potje Paracetamol bij voor noodgevallen. Hij draaide het dekseltje alvast los.  “Die man is onze premier,” antwoordde hij droogjes. “Hij is diegene die vandaag de begroting gaat uitleggen. En het is niet Leya, maar Freya.”

***


Russisch voor beginners

***Deel 1***

Een talent, zo zou je het kunnen noemen. Ik noem het eerder een vloek. Welke omschrijving de juiste is, zal de tijd moeten uitwijzen. 

Het zit namelijk zo: ik ruik het kwade in elke mens. Punt. Meer valt er eigenlijk niet over te vertellen. Net zoals speciaal getrainde honden truffels kunnen opsporen, zo kan ik de rotte plekken in ieders ziel detecteren, het stukje Satan dat ieders wil regeert... Het Kwade heeft namelijk een geur.

U denkt nu waarschijnlijk "Mij hebben ze al grotere onzin proberen wijs te maken..." Toch wil ik u met aandrang vragen - ik zou u smeken als me dat niet nog gekker zou laten overkomen - dit verhaal niet weg te lachen en uw wantrouwen achter te laten aan de poorten van dit verhaal. U bent mijn jury.

Ik moet ongeveer zeven zijn geweest toen ik voor het eerst besefte dat ik anders was dan de mensen die mij omringden. Op een mooie zomerdag - schijnt de zon niet altijd in onze kinderherinneringen ? - had ik me samen met mijn buurjongen, Stef, die een halfjaar jonger én een kop groter was dan mezelf, gewijd aan één van de vele nutteloze bezigheden die een kindertijd zo aangenaam maken: zandtaarten bakken. We hadden al enkele tientallen exemplaren in onze zandbak uitgestald toen ik een opvallende, vreemde geur gewaar werd.

Later zou ik de geur leren omschrijven als "mierzoet, met een toets bedorven vlees", maar toen - als klein kind - kon ik de sensatie alleen maar als "vreemd" bestempelen. Ik sprong uit de zandbak en volgde behoedzaam het pad dat de geur voor me had uitgestippeld. Ik voelde me net Old Shatterhand, de mythische spoorzoeker uit de boeken van Karl May. Na een tijdje kon ik de bron van het vreemde aroma lokaliseren: het huis van de buren, meerbepaald hun garagebox.

Net op dat ogenblik reed het lokale Ijsboerke voorbij, een gebeurtenis die normaal gezien het hoogtepunt van de dag betekende. Een kindergeest is gauw afgeleid en nauwelijks enkele minuten later was ik weer met een dodelijk sérieux taarten aan het bakken - dit keer mét vegen chocoladesaus op mijn wangen. Waarschijnlijk was het hele voorval dan ook zonder gevolg gebleven, als er diezelfde dag niet iets gruwelijks en tegelijks fascinerends was gebeurd.

Mijn buurjongen Stef ontdekte die avond het naakte lijk van zijn moeder in de garage. De vrouw was eerst uitvoerig met een heggenschaar bewerkt en daarna gewurgd met haar eigen nylonkousen. Niemand in de buurt had iets opgemerkt. Niemand had iets gehoord. Alleen ik. Ik had de moordenaar en zijn sadistische genot geroken.

Ik heb Stef nadien nooit meer gezien.

***

De ontdekking van mijn "gave" gooide mijn hele leven door elkaar. Die vreemde, kokhalsende geur die ik die bewuste dag had geroken werd een obsessie voor mij. Ik deed er alles aan om die vreemde, unieke sensatie die ik even had gevoeld - die me weliswaar deed huiveren tot in het diepst van mijn ziel - opnieuw mee te maken. Toen ik achttien werd, besloot ik criminologie te studeren in Leuven. Mijn kot lag niet ver van de Centrale Gevangenis, iets wat ik bewust zo geregeld had.

Elke avond, rond elf uur - als de burgers al gaan slapen waren en de studenten nog aan hun boeken kleefden -, begon ik aan mijn vaste ritueel. Ik wandelde langzaam voorbij de massieve gevangenispoorten, terwijl Ik hield ervan om 's avonds langs Leuven-Centraal te   en liep. En zo leerde ik - stap voor stap - de nuances van de Geur herkennen en beschrijven. Ik leerde het verschil tussen moord en verkrachting duiden. Tussen intentie en daad. Tussen razernij en koele berekening. Zo werd ik langzaam de persoon die ik nu ben: de Neus, een vleesgeworden chromatograaf met maar één doel: geuren opnemen, analyseren en dissecteren tot ze elk hun eigen verhaal prijsgaven. 

Mijn buitensporige interesse voor de donkere kanten van de menselijke ziel was ook mijn medestudenten niet ontgaan. Voor hen was dat voldoende reden om me te mijden als de tering. Mijn enige vrienden waren dan ook mijn boeken, die ik - bij gebrek aan een boekenkast - in mijn toilet opstapelde. Mijn melancholische ingesteldheid en mijn honger naar een dieper inzicht in de menselijke ziel, dreven me al snel naar de Russische klassiekers. Dostojewski, Tolstoj, Gogol en Gontsjarev... Allemaal werden ze vaste stamgasten op mijn kot. Urenlang zat ik met hen op het toilet, soms zo lang dat mijn benen begonnen te "slapen" zodat ik mijn verblijf op de pot soms noodgedwongen nog wat moest rekken.

Al die literaire interesse betekende uiteindelijk de doodsteek voor mijn academische ambities. Ik zat dan wel met mijn neus in de boeken, maar dan wel in de verkeerde en dat vertaalde zich in ronduit rampzalige examens. Na mijn examen filosofie (waarbij ik erin geslaagd was Descartes te citeren als "sum ergo cogito") hield ik de eer aan mezelf en ging, met mijn examenkostuum nog aan, linea recta naar het Leuvense VDAB-kantoor. Daar voederde ik mijn povere curriculum aan één of andere databank, vulde een nutteloze vragenlijst in en slofte moedeloos naar mijn kot, waar ik een tijdlang overleefde op een dieet van Suzy-wafels en Actimel. Pas na één week had ik voldoende moed (en honger) bij elkaar gespaard om de confrontatie met mijn ouders aan te gaan.

Zowel vader als moeder reageerden op de ergst mogelijke manier op mijn jammerlijke falen: met Begrip. Ze drukten hun berouwvolle zoon aan hun hart en lieten hem beloven het volgend jaar beter te doen. Tevergeefs: ook het jaar daarop buisde ik royaal, waarop mijn vader - die toen al iets minder begrijpend was geworden - me dwong om werk te zoeken.

***

Het concept "werk" was iets nieuws voor mij. Arbeid verrichten in ruil voor valuta, het was nooit eerder in me opgekomen. Dat was me blijkbaar ook aan te zien, want na acht maanden intensief solliciteren stond ik nog altijd even ver als daarvoor: op straat. Uiteindelijk was het één van mijn vaders zakenrelaties die mij in dienst nam (waarschijnlijk had de man nog enkele schulden bij mijn vader uitstaan). Zo werd ik nachtportier bij het transportbedrijf Euroflux. Die job was mij op het lijf geschreven, aangezien het werk vooral bestond uit wachten. Wachten op leveranciers, op dieven die nooit kwamen (Euroflux zat in de financiële problemen en daarom viel er bitter weinig te rapen), op de ochtendploeg die me kwam aflossen etcetera. Tijdens mijn lange nachtwakes vierde ik mijn leeslusten bot, zodat ik al snel de reputatie had "een raren" te zijn. En toen gebeurde er iets dat mijn leven veranderde...

***Deel 2 ***

"Bosmans, gij kent iets van Rusland hé?" Onze afdelingschef Vermeulen deed het woord "Rusland" klinken alsof het een soort builenpest was. Hij was zelf een overtuigde Vlaams Blokker en wantrouwde dan ook alles wat niet uit zijn geboortedorp, Oeselgem, afkomstig was. Hij stond vlak voor de balie, een uitdagende glimlach om zijn mondhoeken gekruld.

"Ja, chef." Het enige antwoord dat Vermeulens beperkte hersenen konden - en wilden - verwerken.

"Wel, dan heb ik een mooi werkske voor u." De sneer zond Vermeulens mond breidde zich uit en bereikte nu ook zijn ooghoeken. Hij gooide een bundeltje glanspapier op mijn bureau en liep verder - zachtjes giechelend om een grap die alleen hij scheen te begrijpen.     

Met een zekere weerzin - wat van Vermeulen kwam, kon alleen maar slecht nieuws betekenen - nam ik het bundeltje en begon erin te bladeren. Het bleek om een vierkleurenbrochure te gaan van één of ander welbekend instituut voor Volwassenenonderwijs. Het soort tekst waarin mensen een perfecte kennis van deze of gene taal, breitechniek of computertoepassing wordt beloofd "en dat in amper tien uur tijd". Ik liet mijn ogen moedeloos over de slecht gelayoute tekst dwalen, terwijl ik me koortsachtig afvroeg wat mijn werkgever met dit "cadeau" kon bedoeld hebben.

Ik had net besloten dat het om een slechte grap van Vermeulen ging, die me op deze manier nog eens extra wou treiteren, toen er een knalgeel post-itje uit de brochure viel. "Russisch voor Beginners - Module 1, dinsdag a.s. om 20u. aanmelden. Gelieve schrijfgerei mee te brengen."

Ik had al eerder geruchten opgevangen dat de Euroflux-directie plannen had om uit te breiden richting Oost-Europa, maar had er nooit bij stilgestaan dat dit ook voor mij gevolgen zou hebben. Na enkele minuten piekeren besloot ik dat dame Fortuna me voor één keer niet ongunstig gezind was en dat ik dus best maar blij kon wezen. Ik glimlachte. Voor het eerst in een hele lange tijd.   

***Deel 3***

We waren met zijn twaalven. Ik had de avond ervoor mijn oude pennenzak ("Bosmans is een uil" had één van mijn vroegere klasgenootjes erop geschreven - de inkt ging er heel moeilijk af) terug opgediept, samen met een half opgebruikte cursusblok. "Cursus Russisch" had ik op het eerste blad geschreven. Met daaronder een barokke krul.

 

Vol argwaan bekeek ik mijn medestudenten, die zich net als ik voor de ingang van het Adlers taleninstituut hadden verzameld. Het taleninstituut bleek in een prozaïsch rijhuis te zijn gevestigd, waaraan maar één ding ontbrak: een bordje met daarop "Onbewoonbaar verklaard sinds..."

 

Aangezien er nergens een bel te bespeuren viel en herhaaldelijk geklop niets opleverde, waren we op de stoep samengetroept, vrolijk keuvelend en sigaretten uitwisselend, alsof het visitekaartjes waren. De meesten van mijn medestudenten zagen er - tot mijn grote ontgoocheling - net uit zoals ik: beduimelde figuren, half opgebruikt door een leven dat eigenlijk nog moest beginnen. Iedereen, behalve Linda en Jan.

 

Jan en Linda zagen er altijd uit alsof ze net een cruise naar de Caraïben achter de rug hadden: bruinverbrand met bulkende spieren, glimmend rode lippen met daartussen twee rijen stralend witte tanden. Ze waren bovendien - en dat maakte hun perfectie pas helemaal ondraaglijk - na vijf jaar huwelijk nog altijd smoorverliefd op elkaar.

 

Hoewel ze overduidelijk mijlenver van mijn leefwereld afstonden, raakten Jan en Linda een gevoelige snaar in mijn gemoed. Ik besloot me over hen te ontfermen, zoals je dat met een gewonde puppie doet. Waarom ik dat deed; weet ik nog altijd niet. Misschien omdat ze voor mij symbool stonden voor een onschuld, die ik - op de één of andere manier - was kwijt geraakt. 

***

"Goeienavond, kameraden!" Iets wat op een ingeduffelde grizzlybeer leek, voegde zich bij ons groepje. "Vladimir, aangenaam!" toeterde de verschijning in mijn rechteroor. Nog voor ik een antwoord kon formuleren, had de man - want dat bleek het te zijn - me bij de elleboog genomen en het Adler Taleninstituut binnengeloodst.

 

Vladimir, onze docent, was alles wat een Rus moet zijn: hij had de schouders van een os (volgens Jan moest je minstens een breedhoeklens hebben om hem te fotograferen), de ondoorgrondelijke trekken van een filosoof en een baard waarin je een hele familie muizen in kwijt kon. Hij bezat bovendien een onuitputtelijke voorraad wrange moppen over zijn vaderland.

 

Het hoeft dan ook geen verbazing te wekken dat ik me de eerste lessen bijzonder goed amuseerde. Samen mijn nieuwe vrienden, Jan en Linda, zat ik altijd op de eerste bank in het slechtverlichte en muf ruikende lokaaltje dat het Adler Instituut ons elke woensdagavond ter beschikking stelde. Eén verdieping lager zaten de cursisten Engels voor Beginners in royale, van alle elektronische snufjes voorziene en goed verluchte aula's; maar dat liet me Siberisch koud. Voor het eerst in mijn leven voelde ik me ergens thuis.

 

***

De ijsgrotten van Kungur. Dat was de reden waarom Jan en Linda elke week trouw hun portie Russisch kwamen opsnuiven. Een grottencomplex met zo'n 100 met ijs bedekte spelonken en 36 ijsmeren, aan de voet van de Oeral. Veel geologen noemen de grotten het achtste wereldwonder, met hun meterslange ijskristallen, adembenemende stalactieten en stalagmieten en rotsformaties... Gefrequenteerd door toeristen en speleologen uit de hele wereld. Tot die laatste categorie behoorden ook Jan en Linda...

Jan en Linda waren al een achttal jaren fervente amateurspeleologen. Op de hele planeet waren er weinig grotten die hen nog niet op bezoek hadden gehad. De Karstgrotten in Slovenië met hun wonderlijke druipsteen-formaties, de donkere spelonken van Matese, de Bezeklik in het barre Noorden van China, met zijn boeddhistische schilderingen ... Over elk van hen konden Linda en Jan urenlang uitwijden, daarbij puttend uit een onbegrensde voorraad anecdotes, griezelverhalen en herinneringen.

Ook de Kungur-grotten stonden al lang op hun verlanglijstje, maar tot nu toe hadden Jan en Linda hen links laten liggen - de lokale gidsen waren uitsluitend het Russisch machtig, en zo'n communicatiehandicap kon het verschil betekenen tussen leven en dood. De taalcursus zou daar verandering in brengen.

***

Speleologie werd al snel het centrale thema van elke Russische les. Vladimir was afkomstig uit de stad Perm, die op "amper" honderd kilometer van de Kungur Grotten lag en toen hij over Jans en Linda's plannen hoorde, vulde hij het merendeel van zijn lessen met woordenschat en uitdrukkingen die vooral amateur-speleologen van pas konden komen, maar de andere 99,9% van de wereldbevolking slechts matig konden bekoren. Protesten van de andere cursisten werden echter snel en vakkundig met Russische grootmoedigheid onder de mat geveegd.

Zo kwam het dat onze cursistengroep al na enkele weken fel gedecimeerd was. Behalve ik, Jan en Linda kwam er al snel geen kat meer naar de lessen. De teruggelopen interesse voor zijn vak leek Vladimir niet in het minst te deren.  "Beter één vogel in de hand, dan tien luizen in mijn haar," antwoordde hij cryptisch, toen ik hem vroeg of hij dat niet spijtig vond, zo'n ingekrompen leerlingenbestand. Toch moet er hem iets hebben gestoord, want de uitbundige stemming van de eerste weken was merkbaar grimmiger geworden. Vooral tussen Jan en Vladimir scheen het de laatste tijd niet meer te boteren. De Rus had zijn oog laten vallen op Linda en dat zinde Jan niet (en dat is nog licht uitgedrukt). De twee mannen voerden elke les een onzichtbare, maar daarom niet minder felle strijd, om Linda's aandacht.

***

"Links is ????? - PRAAA - VOO.," zuchtte Vladimir met de uitdrukking van iemand die voor een vuurpeloton staat. "Voor de duizendste keer: met een lange -aaaaaaaaaaa." Met driftige halen onderlijnde hij het woord op het bord.
- "PRAFFO," herhaalde Jan slaafs.
"Te kort!"
Vladimir liep rood aan, zodat zijn hoofd op een tomaat met baardgroei leek.
"Je let niet op! Je spreekt nog slechter dan een Oekraïense boer met kiespijn!"
- "Dan ligt dat enkel en alleen aan jouw manier van lesgeven!" kaatste Jan de bal terug.

De discussie zou onwaarschijnlijk de hele avond hebben vergald als Linda beide kemphanen niet had afgeleid.
"Links is dus PRAAA - VOO. Maar hoe zit dat nu met rechts?" vroeg ze met gespeelde onschuld.
- "Dat is ?????." De lesgever in Vladimir had het gehaald van het mannetjesdier. "VLEE - VOO. Met lange -ee- en lange -oo-." Hij schreef beide woorden een tweede maal in grote letters op het bord, met daarnaast hun vertaling.

????? links
????? rechts

De rust leek opnieuw teruggekeerd.

En toch... Voor het eerst was er een barst in in onze kleine, vredige taalgemeenschap verschenen. Meer nog, voor het eerst in lange tijd was er opnieuw een oude bekende in mijn leven verschenen: de Geur. Zo onopvallend en subtiel dat het aroma me bijna was ontglipt, maar desaltniettemin stond het voor me vast.

Iemand beraamde een moord.

***Deel 4***

 

Vanaf die avond liet de Geur me geen seconde meer alleen. Mijn nachten en mijn dagen werden door boze dromen geteisterd, als door een zwarte schaduw die alle kleuren, smaken en geluiden uit mijn leven opslokte. Ik voelde me rot. Even overwoog ik zelfs om mijn lessen Russisch stop te zetten en mijn onbezorgde leventje te hervatten. Uiteindelijk besloot ik dat niet te doen. Afzijdigheid zou me medeplichtig maken aan de misdaad die te 

gebeuren stond. Zo kwam het dat ik de volgende dinsdagavond opnieuw voor de poort van het Adlers taleninstituut stond. Noch Jan, noch Linda waren er. Dat feit alleen al maakte me rusteloos. Ik stak een sigaret op om de kille decemberlucht te verdrijven. Speelse rookcirkels stegen hemelwaarts.

"Ha die Karelski!" Vladimirs basstem doorsneed de avondstilte als een plak zachte boter.

"Je ziet er zo beduusd uit," ging de Rus joviaal verder. "Is er iets?" Ik deinsde instinctief terug. De Geur hing als een onzichtbare mantel rond de gestalte van de Rus. De geur van intentie. Ik slaakte een zucht van verlichting. Dat betekende dat er nog niets onomkeerbaars was gebeurd. Net op dat ogenblik kwamen Jan en Linda aangewandeld. Zij met de elegante stapjes van een mus. Hij met de grote, zelfverzekerde passen van een panter.

De les van die avond verliep in een opperbeste stemming. Vladimir spuide schuine moppen als vanouds, Linda en Karel waren vooral verliefd en ik, ja, ik was gewoon mijn riendelijke, zij het wat warrige, zelf. En toch. Ergens voelde ik dat het die avond de laatste keer zou zijn dat we allemaal samen waren.

***

"Wanneer vertrekken jullie nu eigenlijk?"
- "Naar huis?"
"Nee. Naar Rusland."
- "Ah, dàt." Jan zette zijn Guinness zachtjes neer op het kleverige tafelblad.

"Zodra de lessen voorbij zijn."

We zaten met ons drietjes in The Corner, een Ierse pub op twee straten van
het Adler Instituut. De rokerige gelagzaal - met de onvermijdelijke vergeelde
foto's van The Dubliners en James Joyce aan de muren- was een beetje onze
tweede thuis geworden, onze vaste après-les pleisterplek.

"Zouden jullie niet vroeger vertrekken?"
- "Hoe bedoel je?"
Jan keek me vragend aan.
"Wel... eh..."
Ik aarzelde. Wat ik nu ging zeggen, moest perfect zijn. Elk woord moest het
juiste zijn. Anders zouden de gevolgen catastrofaal zijn.

"Januari is normaal de rustigste maand in Rusland," zei ik zelfverzekerd.
"De Russen zelf hebben hun geld erdoor gejaagd tijdens de eindejaarsfeesten
en blijven daarom thuis. En de toeristen, die hebben het dan te druk met
skiën in Oostenrijk en aanverwanten. Kortom, januari is de ideale periode
om Rusland te verkennen."

Ik loog zo hard dat ik ervan overtuigd was dat de hand Gods me ter plekke
zou neermaaien. Er gebeurde niets. Mijn motieven waren dan ook zuiver:
Jan en Linda zo snel mogelijk het land uit krijgen, zodat ze veilig waren voor
de snode plannen van Vladimir.

Ik was briljant. De woorden stroomden uit mijn mond en weefden een net
van leugens en halve waarheden rond Linda en Jan. Dat alles met slechts
één boodschap: "Verlaat dit land! NU!" Ik had het zo graag willen
uitschreeuwen, maar ik vreesde dat Linda en Jan me dan - net als mijn
studiegenoten dat hadden gedaan - voor een gek zouden verslijten en me
nooit meer zouden willen zien. En dat wilde ik niet.

Tot mijn grote verbazing slikten Jan en Linda mijn leugens als zoete koek.
Elke letter, elk woord... Ze geloofden het alsof het gedrukt stond. Die
naïviteit deed me nog meer van hen houden.

Op het einde van de avond had ik Jan en Linda zover gekregen dat ze al de volgende dag een vlucht naar Moskou zouden boeken. Met een gelukzalig gevoel trok ik die nacht naar mijn flat. Uitgeput maar dolgelukkig legde ik me op mijn bed, een gelukzalige glimlach rond mijn mond. Ik had die avond namelijk een mensenleven gered.

***
"Een goeie reis!" riep ik hen achterna. Zonder omkijken stapten Jan en Rita door de gate. Op weg naar twee maanden avontuur. Ik deed mijn best om geen tranen te laten vloeien. Ik voelde ook een steek van jaloezie. Even daarvoor had ik Linda een dikke knuffel gegeven. De zoeterige geur van haar parfum - Flower van Kenzo - hing nog in mijn kleren. Ik besefte met een vaag schuldgevoel dat ik vooral hààr zou missen.

***

De weken daarop ging ik elke week trouw naar de Russische les. Zo wou ik
me ervan verzekeren dat Vladimir het koppeltje niet zou achterna reizen. De Rus reageerde merkwaardig kalm op het plotse vertrek van zijn prooi. Hij glimlachte zelfs toen ik het hem vertelde. Ik kon me niet van de indruk
ontdoen dat hij me stilletjes uitlachte, maar wat me nog het meest
verontrustte was de Geur: die bleef even nadrukkelijk aanwezig als tevoren.
Vreemd.

In het begin van hun reis hielden Linda en Jan me dagelijks per mail op de
hoogte van hun exploten in Rusland. Jans korte, zakelijke mails wisselden af met die van Linda: lange, poëtische teksten, die me keer op keer deden
glimlachen.

De laatste mail die ik ontving, ging over de Kungur-grotten. Linda beschreef in ronkende volzinnen hoe ze zich klaarmaakten om de volgende dag de grotten te verkennen. Beiden keken daar erg naar uit. Het ging tenslotte om het hoogtepunt van hun vakantie. "We voelen ons als twee kinderen die voor het eerst op schoolreis gaan," schreef ze. Het was de laatste zin die ik ooit van hen te lezen kreeg. 

 

***Deel 5: SLOT***

 

Ze zag er goed uit. Ik was haar een kwartier geleden in een overvolle Veldstraat tegen het lijf gelopen. Nu zaten we samen onwennig aan een gammel tafeltje in een tearoom waar de gemiddelde leeftijd van het clientele een stuk boven de zeventig lag. Neutraal terrein.

Ik was haar bijna straal voorbijgelopen. Pas toen er een blik van herkenning door haar ogen gleed; had ik haar herkend. Linda. De vele vragen die ik haar al die tijd had willen stellen, kwamen er in een licht samengevatte vorm uit. "Hoe gaat het?" Ik had twee jaar niets van hen gehoord.

Ze draaide haar gezicht even weg, zodat de zonnestralen haar perfecte, Griekse profiel deden oplichten.
- "Hij is dood."
Haar onderlip trilde toen ze het zei. Ik bewonderde haar voor haar zelfbe-heersing. Zelf voelde ik hoe mijn maag zich tot een loden bal samenkneep.
- "Maar ...hoe?"

"In Rusland."
Ik kromp in elkaar. Mijn vragende blik deed haar verdergaan.

"De Kungur-grotten. Jan was zo blij als een klein kind toen we er eindelijk aankwamen. Hij droomde er al van sinds zijn 12 jaar om door die donkere, mysterieuze gangen te wandelen. Speleologie was zijn leven."
Ze slikte.
"En zijn dood."
Ik bestelde nog twee espresso's. Ze liet de hare onaangeroerd afkoelen.

"Ze laten je alleen de grotten ingaan, met een zendertje en een koptelefoon. Spitstechnologie. Om het "echter" te maken. Zonder gidsen die in de weg lopen of de stilte verknallen. Ik liet hem als eerste gaan. Ik wou zijn droom niet afpakken." Er blonk een traan in haar ooghoeken.

"Ik zat naast de operator, die Jan instructies gaf. In het Russisch. Vooruit. Achteruit. Links. Rechts. Daal hier af, kijk hier omhoog. Geniet van het uizicht daar. Enzovoort. Redelijk amateuristisch eigenlijk." Een treurige glimlach brak haar gezicht open.

"Het liep al na drie kwartier mis. Jan moet ergens een foute afslag hebben genomen. Hij kwam rotsformaties tegen die hij niet had mógen tegenkomen, kruiste beekjes die nergens stonden aangegeven. Kortom, hij was verdwaald."
Ik voelde hoe de onvermijdelijke afloop me als een gifslang besloop. Klaar om elk ogenblik toe te slaan.

"Ik kan de plaatselijke autoriteiten niets verwijten. Het complex telt meer dan 3.000 grotten.En we wisten niet wààr hij fout was gelopen. Al na één uur verloren we elk contact. De reddingsteams zochten maar vonden niets. Geen enkel spoor. Niets. Ze zeggen dat een mens niet langer dan acht uur in de grotten kan overleven. Dat je daarna gek wordt van de lucht die er hangt."

En toen begreep ik het. Moord. Het laatse puzzelstuk was op zijn plaats gegleden. Een geniale, misschien wel perfecte, misdaad. Ondanks het afgrijzen dat ik voelde, kreeg ik ook respect voor de man die het brein achter dit alles was. Al even geniaal als gestoord. Vladimir. Ik moest alleen nog...

We namen afscheid.
"We moeten nog eens afspreken," zei ze.
We wisten allebei dat we elkaar nooit meer zouden zien; toch wisselden we halfhartig onze gsm-nummers uit. Ik keek hoe ze parmantig de straat uitwandelde. Een knappe vrouw. Ze zwaaide naar iemand, als een klein, verliefd meisje en wandelde een zijstraat in. Ik beeldde me in hoe ze een brede, bebaarde man omhelsde en draaide me om. Door de Gentse straten waaide de Geur me tegemoet. Schuld. Ik moest nog één ding doen.

***
De eigenaar van de plaatselijke De Slegte keek verrast op toen ik binnenkwam. Normaal kwam ik alleen op maandagen langs, want dat was mijn vrije dag. Bij de afdeling Woordenboeken bleef ik staan. En daar vond ik wat ik zocht, op pagina 1248 en 1607 van Dr. W. Honselaars Groot Russisch-Nederlands Woordenboek.

????? rechts
????? links

Geniaal. Maar ook gek.

***

Bijna elke nacht. Zo vaak denk ik eraan om haar te bellen. Om haar alles te vertellen en de leugen waarin ze leeft eindelijk te doorprikken. Dan zoek ik haar nummer op mijn gsm en sta ik op het punt te bellen. Op één vingerdruk van de waarheid.

Maar ik kan het niet. 


Liefde?

Er was eens. Zo beginnen veel sprookjes. Er was eens een te magere, bleke puber met zoveel jeugdpuistjes dat zijn hoofd op een reusachtige aardbei leek. Die jongen was ik. En er was eens een meisje dat zo preuts en verlegen was dat ze zelfs bang was om naar het toilet te gaan. Dat meisje was jij.

De jongen en het meisje leefden heel wat jaren zonder dat ze ook maar van elkaars bestaan afwisten. Ja, ze waren perfect gelukkig, hij met zijn aardbeienkop en zij met haar knuffelberen die eerbiedig rond haar meisjesbed op wacht stonden. De jongen studeerde hard en ijverig en droomde over een wereld zonder jeugdpuistjes en pestkoppen die hem ‘aardbeikop’ noemden. Het meisje las in het geniep boeken met titels als ‘Liefde op de taïga’ of ‘Passie op de bus’. Die verstopte ze tussen de cursussen psychologie die langzaam de knuffelberen begonnen te verdringen.
En toen. Het moet wel toeval geweest zijn. Op een dag die niet mooier of anders was dan alle andere dagen van dat jaar, op de lelijkste en banaalste plaats dan nog wel die deze planeet kent: het Wijnegem Shopping Center, daar leerden jongen en meisje elkaar kennen.
Waarom ben je me toen niet straal voorbij gelopen?

En hoe gaat dat? Een lach, een blik en de wereld spinde en tolde onder hun voeten en terwijl hun ouders de prijzen van verschillende modellen video’s aan het vergelijken waren, bloeide er iets schoons tussen die twee. Zijn handen en zijn hoofd leken hem die dag veel te groot, hij weet niet waar hij ze kan verstoppen. Later zullen ze nog vaak de details van die dag overlopen, als een catechismus die ieder jaar wat verder van de waarheid afwijkt. Iedere keer kwamen er meer details bij. Wat ze toen aanhad, de eerste woorden die ze elkaar zeiden, zijn onhandige verlegenheid. Het was de eerste keer dat een meisje hem aankeek zonder hikkend van het lachen in elkaar te storten. Het was de eerste keer dat iemand haar zo kwetsbaar en oprecht had geleken.
Zo ging het enkele maanden door. Ze waren geen gewone vrienden maar ook geen geliefden. Wat ze dan wel waren, dat wisten ze ook niet echt. Gewoon bang voor een woord dat de magie zou verbreken. En toch. Iedere keer als ze hem zag, maakte haar hart een buiteling van geluk. Alleen, hem kussen, dat kon ze niet. Iedere keer als hij hààr zag, dan sprong zijn ziel óók recht van geluk. Hij probeerde te lachen, maar dat lukte hem niet zo goed. Lachen was iets dat hij sinds zijn kindertijd niet meer gedaan had. Anderen aan het lachen brengen, dat kon hij wel. Alleen, haar kussen, dat durfde hij niet.
Niet dat hij het nooit had geprobeerd. Ooit, toen hij op een scoutsfuif een hele avond gedronken had, raapte hij al zijn moed bijeen en nam hij haar in zijn lange, bleke armen. Ze schrok, en hoewel ze hem aanmoedigend toelachte, voelde hij haar zachte lijfje in zijn omhelzing verstijven. Vanaf die dag was er iets gebroken, de woorden die hadden moeten gezegd worden, kwamen niet en er kwam stilte in de plaats. De stilte werd afstand. En de dag waar ze allebei bang voor waren geweest, kwam sneller dan verwacht.

Op een dag keek ze in zijn ogen en zag ze niets meer. Niets behalve een gezicht vol jeugdpuistjes en een mond als een harde streep. ‘Aardbeienkop,’ zei ze en ze draaide zich om. ‘Trut,’ had hij nog willen roepen, maar de tranen kwamen sneller dan de woorden en dus zei hij ‘snik’.

Sindsdien probeerde de jongen van steen te zijn, want wie niets heeft kan niets verliezen. Dat ging goed. Hij studeerde nog harder en werd slimmer dan de rest. Hij leerde de vierkantswortels van alle getallen tot duizend van buiten en hij leerde zijn computer de samba dansen. Ondertussen, als hij nog even tijd had tussen de cursussen door, droomde hij nog steeds over een wereld zonder aardbeikoppen, maar dat gebeurde niet meer zoveel. Iedereen zei dat hij het nog ver zou schoppen. Alleen zijn moeder keek bezorgd als ze zag hoeveel hij vermagerde. ‘Eet toch iets,’ zei ze. Dan zei hij niets want stenen mensen, die hebben geen eten nodig. Net zomin als liefde.

En toch. Op een dag keek de jongen in de spiegel. Hij schrok. De puistjes waren verdwenen en zijn huid was even zacht en gaaf als Popla-toiletpapier. Hij zag er zelfs goed uit, merkte hij grimmig op. Zoals één van die mannen waar ze foto’s van in de Flair zetten. Hij dacht heel even na en deed zijn beste kleren aan. Zijn zwarte hemd waarmee hij zo goed stond. Zijn vader vroeg nog waar hij naartoe ging. ‘Ik weet het niet,’ zei hij. Maar dat deed hij wel.

Hij stapte de weg die hij al zo lang niet meer had afgelegd., hij stapte naar haar thuis. Haar gezicht klaarde op toen ze hem daar zo aan de deur zag staan, ze had duidelijk wroeging gehad in die jaren dat ze elkaar niet gezien hadden, dat zag hij aan de nerveuze trekjes om haar mond. ‘Je bent knap geworden,’ zei ze terwijl ze hem zelfgebakken koekjes voorschotelde. Hij was de laatste man in haar leven geweest. De koekjes waren hard maar dat hield hij voor zichzelf.
Ze praatten over vroeger, dat ze het samen toch niet zo slecht hadden gehad en dat het hen allebei speet. Hij voelde zich misselijk worden, alsof er iemand met een stok in zijn slokdarm peuterde. Zo dadelijk ging hij op haar tafelkleed overgeven, dus moest het nu gebeuren. ‘Ik moet je iets zeggen,’ zei hij. Ze keek hem met grote ogen aan.
Hij keek haar recht in het wit van haar ogen toen hij het zei. Traag en duidelijk zodat ze het zeker zou begrijpen.

‘TRUT.’
Hij rende en struikelde naar buiten. ‘Aardbeienkop’ had ze nog willen roepen, maar de tranen waren sneller.


"Hebt mekander lief"

Stel je voor. Een ouderwets Vlaams dorpsplein. De wekelijkse zondagsmis is net voorbij. In kleine, levendige groepjes staan de parochianen na te praten voor de kerkdeur. Over de pastoor die het allemaal zo schoon kan zeggen, over die van ’t Hoekske die weer een ander heeft, over, ja, vanalles.

Sommige mannen zitten al in café ‘Onder den toren’ over politiek te dicussiëren. Anderen gaan dan weer braaf met vrouw en kinderen mee naar huis. De lucht ruikt naar vers, warm boerenbrood. En de klokken luiden.

Het leven is mooi want vannamiddag is het voetbal. En de zon schijnt. En de kinderen spelen er nog op straat en de helft van de mannen heeft een duivenkot in de achtertuin staan.

En plots...PLOTS... Een meisje op een fiets. Vlam. Ze heeft een zomerjurkje dat de wind ondeugend op en neer doet golven. Op en neer. Net zoals haar haren die ze voor het eerst los laat hangen. Moeder is er vandaag niet bij en dan durft ze dat. Ze weet niet hoe mooi ze wel is, dit meisje. Ze kan het alleen vermoeden. Dat maakt haar nog mooier. Moeder.


En dààr, in een hoekske, staat mijn vader. Alleen weet hij nog niet dat hij ooit vader zal worden. Hij weet helemaal nog niet veel. Hij gaat alleen naar de kerk om zijn moeder een plezier te doen, want hij gelooft niet in God. Maar hij gelooft wel in engelen. Zeker als ze op een fiets rijden en blond zijn. Daar staat hij dan, met zijn pet in zijn hand, en zijn mond zo wijdopen dat je er een tractor in kan parkeren. Ik zeg ‘tractor’ want het is een boerenzoon. Zij niet, zij komt van "het" stad, waar de mensen manieren hebben en weten wat rock 'n roll is.

Een jaar later staan ze naast elkaar voor het altaar. De pastoor die de dienst voorgaat is oud en gerimpeld met zachte lachende ogen. Hij bekijkt het jonge koppeltje dat voor hem staat en zegt ‘hebt mekander lief’. En dat doen ze ook, daar hebben ze de woorden van meneer pastoor niet voor nodig. Mijn vader laat de ringen vallen. ‘Dedju,’ galmt het door de kerk.

Als mensen elkaar heel graag zien dan komen daar meestal kinderen van. Vroeger hadden ze daar geen seks voor nodig, naar het schijnt. En inderdaad: een jaar later, op Paaszondag, werd ik geboren. Ook mijn broer en mijn zus zijn in de lente geboren. Dat is niet zo verwonderlijk, want mijn vader had immers alleen tijdens zijn congé genoeg tijd om aan kinderen te denken. Dus werd ik op Pasen geboren. Dat was niet zo gepland. Ik mocht normaal niet voor Onze-Lieve-Heer-Hemelvaart mijn moeders buik verlaten hebben, het moet zijn dat ik toen al ongeduldig was. Ik ben nog altijd overal te vroeg, nog altijd ben ik op zoek naar dingen die ik nooit zal vinden. En hier sta ik nu. Ik heb ze daarnet naar het rusthuis gebracht. ‘Home Zonnetij’. Schone, propere kamers. Met planten op de vensterbank. Sanseveria’s. Vriendelijk personeel ook. Nee, Het ging niet meer om ze alleen te laten wonen. Het huis was veel te groot voor twee oude mensen die moeilijk te been zijn. Vooral vader zal het er moeilijk mee hebben, zo een hele dag tussen vier muren en een makkelijke stoel doorbrengen. Hij wandelde zo graag in zijn tuin, te kijken of de savooien al aan het schieten waren, of de bonenstaken goed recht stonden. Net alsof hij zijn privé-leger aan het schouwen was. Spruiten! Ingerukt! Mars!

Gisteren hebben ze afscheid genomen van het huis. Alle kamers nog eens rondgegaan, als toeristen in hun eigen huis. Alle herinneringen dag gezegd. Mijn moeder was heel erg opgewonden, ze ziet het rusthuis als een schoolreis, een mogelijkheid om nieuwe mensen te leren kennen en om minder te moeten kuisen. Mijn vader heeft geen woord gezegd. Behalve ‘dedju’, dat was toen hij zijn hoofd tegen de hallogeenlamp stootte.

Het is een groot huis, te groot nu de kinderen, dat zijn ik, mijn broer en twee zussen, er weg zijn. Groot met een schandalig lange, kronkelende oprijlaan. De oprit was lang genoeg om de buren alle tijd te geven om jaloers op de glanzende BMW van mijn vader te worden voor hij de garage in verdween. Aan het gekraak van de steentjes hoorden we wanneer vader thuis kwam. Het grootste deel heeft mijn vader met zijn eigen handen gebouwd. Weekends lang liep hij stenen aan te slepen en te metselen. De liefde van de man gaat door de maag, zeggen ze, maar die van mijn vader zag er eerder uit als een baksteen. 

Mijn vader heeft nooit van de zolder gehouden. Het was een plaats waar hij zelden kwam, en alleen als het echt nodig was. Om het dak te herstellen of de antenne recht te zetten, voor als hij weer naar een progressieve film op ‘den Holland’ wou kijken. Nee, hij heeft nooit van de zolder gehouden. Dat is raar. Deze dozen met oude foto’s en boeken zijn eigenlijk alles wat hij van zijn jeugd overhoudt.
De oude boerderij is namelijk al twintig jaar geleden volledig afgebrand. Tijdens een onweersnacht. We zaten bij kaarslicht in de woonkamer Monopoly te spelen, dat deden we alleen als de elektriciteit uitgevallen was. Ik weet nog hoe ik bijna mijn eigen hotels in brand stak, toen ik met een kaars de prijs van Buurtspoorwegen wou controleren. Het was cynisch te noemen dat er toen net op de deur werd gebonsd. Eén woord.

‘BRAND!’

We hebben toen direct onze jassen gepakt, mijn vader en ik. Ik was zo fier dat ik mee mocht. Mijn vader keek me aan alsof hij hulp van me verwachtte.

De hele buurt was in beweging, maar nee, nergens brandweer te bemerken. Alle telefoonlijnen lagen plat. Daarom. Iedereen wist dat ze te laat zouden komen. De boerderij brandde als een gezellige barbecue, alleen iets groter en zonder de provençaalse kruiden. De zware eikenhouten balken die het hele gebouw schraagden, verdwenen één voor één met de stille zucht van een gewond dier in de groeiende vlammen. Het had geen zin om hier iets te proberen te redden. In de lucht hing er een magische gloed, alsof het kerstmis was. Iedereen die opgewonden met elkaar babbelde, mensen die warme koffie uitdeelden en afspraken dat ze dat eens vaker moesten doen, zo samen komen.

Alleen mijn vader zweeg. Misschien had ik hem toen een hand moeten geven, een kleine in een grote knuist. Al was het maar om hem te tonen dat ik bij hem was. Maar iets, noem het beginnende volwassenheid, hield me tegen. Ik heb nooit geweten waar hij op dat moment aan dacht. ‘Dedju.’ Hij vloekte eens luid en draaide zich om.
Zelfs toen, naast mijn stille vader, daar in die koude novembernacht, kon ik voelen hoe ook mijn kindertijd in die vlammen opging. De blikken koekentrommel met de hoestsnoepjes die ongetwijfeld de Kongolese onafhankelijkheid nog hadden meegemaakt, de gekreukte Donald Ducks en het rare toilet met de laatste tien jaargangen van Libelle op de stortbak. Ze verdwenen allemaal in een graf van as en stof.

Mijn grootmoeder stierf nog geen 3 maand na de brand. De laatste 5 jaar van haar leven had ze integraal besteed aan het nauwgezet voorbereiden van haar eigen begrafenis. Regelmatig belde ze mijn vader met nieuwe instructies voor haar begrafenis: de bloemen moesten dan eens blauw en dan weer wit zijn. Of toch maar rood, want dat ging schoner bij de kussentjes van de kerkstoelen. Ik heb vaak gedacht dat het haar bedoeling was het afscheid iets te vergemakkelijken door ons zo te ergeren. Maar het moet gezegd, het wàs ook een fantastische begrafenis met alles erop en eraan. Er was echter één ding dat zelfs mijn grootmoeder niet had kunnen voorzien: de bedrijfswagen van nonkel Marcel. Nonkel Marcel werkte als marketingdirecteur bij een yoghurtbedrijf, en reed met een auto waarop een metershoge pot yoghurt was gemonteerd. De lijkstoet was dan ook iets minder ingetogen dan dat normaal het geval is. Overal stonden de mensen vol verwachting op de trottoir, te wachten tot we zouden beginnen met gratis potjes yoghurt te gooien.

‘Dedju’, zei mijn pa. ‘Subiet, dan krijgen ze een Petit Gervais tegen hun kop.’

Mijn vader is nooit een prater geweest, en hij heeft nooit de samengestelde zin onder de knie gekregen. Gelukkig is er dan mijn moeder die de conversatie in gang houdt. Zij is de woorden tussen zijn stiltes. Ook vandaag in het rusthuis, was ik blij dat ze er was. Een moeder als de mijne is ideaal om pijnlijke stiltes te vermijden. Ze was de sociaal assistente van onze familie, en altijd optimist. Een uur geleden ben ik met een slecht excuus en een al even slecht geweten bij hen weggegaan. Twee oude mensen op een kleine kamer. Het is vreemd je eigen ouders schattig te vinden. Ik die nog geen tien jaar geleden met slaande deuren het huis verliet, toen mijn pa Jos Geysels een zeveraar had genoemd.

En op het einde, als ik de deur al vast heb, dan vraagt mijn moeder of ik het nog weet. Wat meneer pastoor hen had gezegd, toen ze trouwden. ‘Hebt elkander lief,’ ja dat zei hij. Meneer pastoor zelf. ‘Hebt elkander lief.’ En dan kijkt ze even naar mijn vader om te zien of het goed is zo. En dat is het. Altijd. Al meer dan 40 jaren lang.


De sollicitatie

Diana's afgeknaagde nagelranden zweefden over de vergeelde toetsen van het klavier, als verdwaalde roofvogels boven de dorstige savanne. Ze verlangde naar een sigaret maar had geen zin om haar nieuwste, nu al verkreukelde, pakje Bastos uit haar handtas op te graven. Dit moest ze nuchter doen. Ontspannen was voor later, net als eten en drinken. Alleen als ze dit zelf opgelegde regime van soberheid strikt volgde, had ze morgen een schijn van kans. Dan pas zou dame Fortuna haar - voor één keer - de overwinning gunnen. Maar dat was - zoals gezegd- voor later. 

 

"Later." Een uitgestrekte vlakte tijd, waar ze zich weinig kon bij voorstellen, behalve een vaag gevoel van voldoening. Kinderen, misschien. Tussen nu en dat "later" stond alleen nog die ene assessment in de weg. Morgen. Als alles goed liep, dan zou het Monster - voor één keer - het zwijgen worden opgelegd. Maar dan moest haar presentatie wel perfect verlopen. Ze zag Veronique's gezicht al voor zich, hopeloos op zoek naar een onvolkomenheid, een versteende grijns om haar mond die haar ontgoocheling moest verbergen. A small step for humanity, a big one for Diana. Haar vingers dansten een uitbundige polka op het toetsenbord.

 

De zon was al een tijdje ondergegaan toen Diana eindelijk tevreden was. Ze rok haar getormenteerde rugspieren uit en ging wat makkelijker zitten. Ontwerpers van bureaustoelen moesten gedwongen worden om een week lang in hun creaties te blijven zitten, dacht ze geprikkeld. De presentatie zelf zag er goed uit - met veel grafiekjes en Clip Arts, dingen waar mannen nu eenmaal gek op waren.

Hard werk moest beloond worden, vond Daria, met enkele minuten van haar favoriete tijdsbesteding: Literatuur. Ze knipte een Word-document aan en begon te schrijven.   

***

Daria reed zachtjes door de nachtelijke straten van Manhattan. Een elektriciteitspanne had een deel van de stad in duisternis gehuld. Een huilende hond in de verte maakte het macabere plaatje compleet. Daria glimlachte. Nog even en ze had Veronica voor altijd in haar macht. De gedachte zond een rilling van genot door haar zweterige lijf. Ze had het raampje van haar Buick naar beneden gedraaid en leunde ontspannen naar buiten. De warme zomerlucht streelde haar blonde lokken. In de verte weerklonk het uitdagende getik van Veronica's naaldhakken. Tik. Tak. Tik. Tak. Het monotone geluid deed Daria bijna in slaap vallen...

***

De rode cijfers van haar wekkerradio keken haar uitdagend aan. 08:10 Verdomme! Straks kwam ze nog te laat! De gedachte aan een triomferende Veronique gaf haar onvermoede vleugels. Cornflakes (te droog). Koffie (te slap). Yoghurt (20ste-eeuwse houdbaarheidsdatum). De onderdelen van haar bij elkaar gescharrelde ontbijt vermengden zich tot een sponzige prop in haar maag. Ze nam haar autosleutels en spurtte de lenteochtend tegemoet. Haar longen vulden zich met bloesemgeur. Ze had zich geen mooier Nieuw Begin kunnen voorstellen.  

 

08:30 Haar auto - het merk was vorig jaar nog verkozen tot veiligste gezinswagen van het jaar - scheurde door de bocht. De geur van verschroeid asfalt zond een rilling van genot door Diana's lichaam. Een jachtgodin, zo voelde ze zich. Klaar om met pijl en boog het miezerige ongedierte genaamd Véronique de wereld uit te helpen. What a beautiful day, knalden de Levellers quadrofonisch door de speakers. Diana gaf het gaspedaal een extra zetje.

***

"Wat ga je met me doen?" kreunde Veronica. Het verblijf in Daria's kofferbak had haar zelfvertrouwen duidelijk geen deugd gedaan. Haar witte broekpak zat onder het stof, haar haren hingen in zweterige slierten voor haar ogen. Daria kreeg bijna medelijden met haar. Met enige moeite onderdrukte ze het weeë gevoel in haar maag. Ze kon niet meer terug. Ze nam de verlaten loods waar ze haar slachtoffer naartoe had gebracht, aandachtig in zich op. Het duurde niet lang voor ze vond wat ze zocht. Een vuistdikke waterleiding die over de afbrokkelende muren kronkelde. "Doe je handen achter je rug," snauwde ze.

***

09:12 De schuifdeuren van de C&M Dental Care-toren gleden geruisloos open. Nu pas drong het tot Diana door hoe perfect de - nee, hààr - wereld in elkaar zat. Zelfs de receptioniste - een zurige ouwe vrijster die haar gevoel voor humor operatief had laten verwijderen - gaf haar een waterig lachje. Ooit zou Diana haar nog 'goeiemorgen' leren zeggen. Later.          

 

De briefopener was meer een fantasietje geweest, een gedachte achteraf. Ze had het in haar handtas gepropt toen ze haar huis verliet. Het mes was amper 10 cm lang, maar kon nog van pas komen. Als haar plan echt volledig misliep, dan kon ze nog altijd haar initialen in Veroniques poppengezichtje kerven, dacht Diana grimmig. Niet dat dat nodig zou zijn, natuurlijk.

 

10:24 "En daarom denk ik dat we het roze model van de Sound Warp-tandenborstel uit productie moeten nemen. Omdat het te macho is voor vrouwen en te gay voor mannen."  Ze had hen in haar broekzak, besefte ze. Alles verliep perfect. David, de HR-baas, zat haar de hele tijd gefascineerd te bekijken. Zelfs meneer Claessens (de "C" van C&M) had even glimlacht toen hij haar een stoel had aangeboden. De laatste keer dat hij zijn emoties zo de vrije loop had gelaten, was toen de bedrijfsaandelen de 3.000 hadden gehaald. Alleen over Veronique voelde Diana zich onzeker. Die had haar al de hele tijd zitten aanstaren, even ondoorgrondelijk als een sfinks. Of dat iets was om blij over te zijn of niet, daar had Diana het raden naar. Ze had liever Veronique's gebruikelijke minachtende glimlach gezien, dat was tenminste iets vertrouwds.

 

11:03 "Ik hoop dat ik door deze presentatie heb bewezen dat ik een meerwaarde voor het verkoopsteam van C&M-Dental Care zou kunnen betekenen. Dat ik klaar ben om mijn tanden in een nieuwe uitdaging te zetten." Toegegeven, dat laatste was wat flauw geweest- ze had lang getwijfeld of ze het grapje ging gebruiken, maar de sfeer tijdens de uiteenzetting was zo los en joviaal geweest dat ze het er uiteindelijk op had gewaagd. En terecht, zo leek het: mr. Claessens gaf haar een brede, oprechte glimlach. Haar hart maakte een sprongetje. Ze zou de nieuwe Account Manager worden, en zelfs het Monster kon daar niets aan veranderen...

 

"We laten u nog wel iets weten," zei David toen ze afscheid namen. Zijn ogen fonkelden. Hij zag er best leuk uit, moest Diana toegeven.

***

Veronica keek haar smekend aan. Ze kreunde iets dat als een zacht verwijt klonk. Daria knoopte de zakdoek los die ze voor haar mond had gebonden. "Wat is er?" Het klonk kwader dan ze had bedoeld. "Laat me gaan. Alsjeblief." Daria schudde haar hoofd. "Veronica," zei ze geduldig - alsof ze tegen een ongehoorzaam kind sprak, "Wat hebben we afgesproken? Niet zanikken of..." Ze wees veelbetekenend naar de zakdoek. Veronica knikte onderdanig. Ze zag eruit als een kleine, gekwetste puppie. Daria vloekte binnensmonds. Ze besefte dat het moeilijk zou worden: iemand in koelen bloede vermoorden.

***

12:09 "Je hebt een komisch talent." Véronique had haar staan opwachten in de vrouwentoiletten. Ze gaf Diana een spottende blik. Haar broekpak was stralend wit.

- "Hoe bedoel je?"

"David en meneer C., ze bleven er bijna in."

- "Waarin?"

"Een lachstuip. Mijn moeder zei altijd dat ik elke ochtend naar mezelf moest glimlachen in de spiegel. Naar het schijnt word je daar goedgezind van." Ze boog zich vertrouwelijk naar Diana. "Misschien moet je dat ook maar eens doen." Met een gemene schaterlach wandelde ze weg.

Ondanks een naar voorgevoel ging Diana voor de spiegel staan. Ze glimlachte naar zichzelf. En deinsde achteruit. Tussen haar twee voorste tanden stak een cornflake ter grootte van een euromunt.

In één ondeelbaar moment werd alles haar duidelijk. De lachende voorbijgangers, het gemonkel van haar collega's, David... Haar geheugen schotelde haar alle pijnlijke details voor. Haar hand ging instinctief naar haar handtas. Het duurde nog geen seconde voor het mes haar hand gevonden had. Ze trok de deur open en stormde de gang in. In de verte weerklonk het uitdagende getik van Veronica's naaldhakken. Tik. Tak. Tik. Tak.

Veronica had haar horen aanstormen. Ze draaide zich parmantig om en keek Diana met onverholen minachting aan. Ze negeerde het mes, alsof het om een onbelangrijk detail ging dat haar niet aanbelangde.

"Wat is er?" zei ze kattig.

Diana's hand aarzelde. Ze kon het niet, besefte ze - niet als ze haar zo aankeek. De opgekropte woede maakte plaats voor dof verdriet. "Eens een loser, altijd een loser." dacht ze verslagen. Het mes viel onschadelijk op de grond. Veronica raapte het op. "Je moet iets zorgvuldiger zijn met je spullen," zei ze. "Je weet nooit of je ze nodig zal hebben." Ze stapte verder. Haar schaterlach deed zelfs de onverstoorbare receptioniste opkijken.

***

Daria stormde de loods binnen. Daar vond ze Veronica zoals ze haar enkele uren geleden had achtergelaten, met dik meertouw vastgebonden aan een waterleiding. Ondanks haar ongemakkelijke positie leek ze in slaap te zijn gevallen. Pas toen Daria haar hardhandig door elkaar schudde, deed Veronica haar ogen open. "Mmm..." kreunde ze zachtjes. Ze keek haar ontvoerster vragend aan. Die nieuwsgierigheid veranderde in pure, wijdogige angst toen Daria een bontgekleurde sjaal bovenhaalde en die rond haar nek knoopte.

"Dit is voor alle keren dat je met hem hebt geslapen," siste Daria. "Slet!"

Langzaam voerde ze de druk op Veronica's hals op. Haar slachtoffer kronkelde, smeekte en riep. Tevergeefs. Daria's hart was van steen, gehard door het onrecht dat haar was aangedaan.

***

Hoe ze uiteindelijk thuis was geraakt, wist Diana niet. Ze was huilend gaan slapen en was met hetzelfde verdriet weer opgestaan. Het mes zat nog altijd in haar handtas. Om nooit te gebruiken, want - nee - ze kon het niet.


Pril

Zijn auto was nog nieuw. De geur van kunststof en zetelbekleding hadden nog geen plaats gemaakt voor het vertrouwde aroma van groene Michel en Malteserbollen. Benzinestations, bordelen en frietkoten gleden ritmisch voorbij op flarden quadrofonische muziek die uit de speakers sijpelden. Händel, zijn lievelingscomponist.  

Dikke regendruppels stuiterden onschadelijk op het asfalt, terwijl de ruitenwissers monotone cirkels op de voorruit tekenden. Het auto-interieur sloot zich als een behagelijke cocon om Jurgens lichaam. Nog even en hij zag Vera weer. De gedachte deed hem glimlachen. Hij wou  zijn ogen sluiten en wegdromen, maar deed dat uiteindelijk niet. Met dit weer kon elke dagdroom tegen een vangrail eindigen.

Jurgen hield van Vera. Hoe lang dat al zo was, wist hij zelf ook niet. Ze kenden elkaar al lang en ze waren ongemerkt de grens tussen vriendschap en liefde overgestoken. Hun relatie was zo natuurlijk en puur geweest, dat hij lang had geaarzeld om het haar te vragen. Of ze met hem naar bed wou. Ze had niets gezegd, maar haar ogen hadden geantwoord. Ja. Het was de mooiste nacht van zijn leven geweest.

Unto us a child is born

Unto us a son is given

Uit tientallen kelen weerklonk het eeuwenoude loflied op de Heiland. De devote overgave van het Frankfurter Philharmonische maakte Jurgen weemoedig. Nee, hij zou nooit de geschiedenisboeken halen. Niemand zou hem ooit bezingen of zelfs maar een voetnoot waardig achten. Daar had hij zich al van jongsaf aan bij neergelegd. Dat was de schuld van zijn naam. "Jurgen" was nu eenmaal geen naam voor een wereldveroveraar, popster of rechterspits. Als kind had hij alle geschiedenisboeken en kronieken erop nageslagen, op zoek naar een Jurgen die het wel had gemaakt. Tevergeefs. Geen enkele Jurgen was aan de kleurloze mediocriteit van zijn naam ontsnapt, of had het verder geschopt dan bibliothecaris, bankbediende of conservator van het plaatselijke Kurkentrekkermuseum.

En toch... Jurgen hield van Vera. Ze was veruit het mooiste wat hem de voorbije jaren was overkomen. Hij beeldde zich in hoe ze samen de grijze realiteit zouden ontvluchten. Hoe ze door een groen, eindeloos veld stapten, haar delicate vingers rond die van hem gevlochten. Hij in een nagelwit maatpak met een rode roos op zijn revers, zij met extreem weinig textiel rond haar lichaam gedrapeerd. De weemoedige klanken van een eenzame doedelzak maakten het tafereel compleet.

Het getoeter deed hem opschrikken.

"Merde!"

De Peugeot vlak voor hem was gestopt. Jurgen kon nog net een botsing vermijden door zijn volle gewicht op het rempedaal te gooien. Hij beefde. Zijn linkerhand graaide in het handschoenenkastje op zoek naar een sigaret. Hij had net een halfleeg pakje ontdekt toen de file zich opnieuw in beweging zette. Jurgen keek naar zijn horloge. Half vier. De tijd drong. Hij kon het zich niet veroorloven om te laat te komen. Hij zag Vera's ontgoochelde gelaat voor zich, zilte tranen meanderend over haar blozende wangen. De gedachte alleen al deed hem fysiek pijn. Hij drukte het gaspedaal in.  

Het was de eerste keer in zijn leven dat Jurgen over de pechstrook reed. Normaal hield hij zich strikt aan de wegcode, zoals dat van een Jurgen werd verwacht. Maar niet vandaag. De ruitenwissers gingen koortsachtig op en neer. De regen liep in stroompjes van de voorruit, elke druppel kronkelde een regel poëzie. Vera.

 

Ich liebe dich.

Te iubesc.

Ti amo.

Ooit had Jurgen op een stuk golfkarton "ik hou van jou" geschreven in alle talen die hij kende. Wat opzoekwerk had hem tweeëndertig zinnetjes opgeleverd. Achteraf bekeken was het een puberale bedoening geweest, maar voor Vera deed Jurgen wel vaker rare dingen. Vera zelf was gecharmeerd geweest. Ze had het stuk karton in haar nachtkastje gestopt. Wat ze er achteraf mee had gedaan, had Jurgen nooit geweten; ze hadden die avond urenlang gevreeën.

De regen stroomde naar beneden, alsof God die dag besloten had om Noach - The Sequel te draaien. Het water verzamelde zich in grachten, riolen en plassen. Jurgen ontweek een familie eenden, slalomde doorheen een groep Japanse toeristen en parkeerde zijn auto tegen een telefooncel. Hij was net op tijd. Zijn blik bleef rusten op een knappe blondine met een meisje aan haar hand. Een grote Donald Duck-paraplu hield hen droog.

Met enkele stappen stond Jurgen bij hen. Hij gaf de vrouw een zuinige kus op haar wang. "Carla," fluisterde hij. "Blij je terug te zien." Hij bukte zich en legde zijn benige hand op het hoofd van het meisje.

"En Vera," vroeg hij met een ondeugende glinstering in zijn ogen, "ben je braaf geweest op school?"


Blaffer

Ze hadden een blaffer. Luis' spieren ontspanden zich ogenblikkelijk. Hij glimlachte. Blaffers waren beter dan bijters, die je stilletjes beslopen en hun tanden in je kuiten plantten. Hij ging iets dichter bij de verroeste omheining staan en bemerkte een jonge Rottweiler met de stompe neus van een beroepsbokser. Het dier kwam argwanend aan de spijlen snuffelen en gromde zachtjes. Het maanlicht deed zijn zwarte pels onheilspellend oplichten.

Blaffers en bijters. Luis had zijn hele theorie eergisteren nog uitgelegd in een tangobar op de avenida de Mayo Zijn publiek, een oudere man met warrige bakkebaarden en een verdwaalde hoerenloper, had halfslachtig geknikt. "Blaffers zijn misschien indrukwekkend, maar er gaat niets boven een stille bijter," had hij hen voorgehouden. Daarna was hij, zo goed en zo kwaad als dat ging, naar huis gewaggeld - in de vaste overtuiging dat zijn toehoorders zijn raad ter harte zouden nemen.

Luis liet zijn hand geruisloos in zijn rugzak glijden en toverde een bakelieten pijp en een plat blikken doosje tevoorschijn. Zorgvuldig klapte hij het deksel open en haalde er iets uit dat op een dartspijltje leek. "Brave hond," siste hij tussen zijn tanden - hoewel hij zelf er geen woord van geloofde.

Luis hield het pijltje behoedzaam tussen duim en wijsvinger geklemd. De punt was ingesmeerd met voldoende kinine om een volwassen hond voor enkele uren uit te schakelen. Hij schoof  het pijltje in de blaaspijp, zette die aan zijn mond en blies. Een stil gejank verzekerde Luis dat het pijltje doel had getroffen. Nu moest hij alleen nog wachten.

De Bario San Telmo stond bekend voor zijn antiekwinkels. Kleine, pittoreske rijhuizen volgestouwd met rommel en kunst en alles daartussen in. De toeristen, in hun blinde zoektocht naar "de ziel van Buenos Aires", waren er gek op. Ook Luis hield van de winkeltjes - ze waren zijn belangrijkste bron van inkomsten, sinds de crisis hem vier jaar geleden zijn baan had gekost. Hij lette daarbij op dat hij nooit inbrak in de hipste, populaire winkeltjes. Die hadden namelijk voldoende geld voor een geavanceerde alarminstallatie en daar stond een vakman als Luis nu eenmaal machteloos tegenover.

Nee, hij ging altijd voor de zaken die het iets minder goed deden. De winkels van dompelaars die net het hoofd boven water konden houden en die zich dus niet de luxe van een Laser Beam 2000 Detector konden veroorloven. Luis besefte dat hij zo meestal mensen bestal die het niet veel breder hadden dan hijzelf, maar medelijden was nu eenmaal een luxe die hij zich niet kon veroorloven.    

Honden waren de alarminstallatie van de gewone Argentijn. En Luis had een talent voor honden. La Boca, de wijk waar hij was opgegroeid, was berucht voor zijn agressieve zwerfhonden. De dieren kropen in afvalcontainers en geparkeerde auto's, stootten marktstalletjes om en belaagden de plaatselijke bakkers en slagers in de hoop dat die hen moegetergd een stuk van hun koopwaar toe zouden werpen. Iedereen haatte de honden, die ze "hijos de diablos" noemden. De haat was wederzijds: elke inwoner van La Boca had minstens één bijtwonde, waarmee hij of zij maar al te graag pronkte. Het was een soort ereteken, een bewijs dat je erbij hoorde. Alleen Luis lieten de honden met rust. Het leverde hem de koosnaam "hombre de los perros" op. Hondenman.

De Rottweiler had al enkele minuten niets meer van zich laten horen. Luis speurde de calle Umberto af. De straat was niet meer dan een steeg, die omringd werd door de troosteloze achtergevels van al even troosteloze huizen. Ideaal voor een inbraak. Voor zover Luis kon zien, was de buurt verlaten. Hij maakte zich klaar om over de omheining te springen.

De Rottweiler jankte. Kort en schril. Het klagerige geluid deed Luis instinctief terugdeinzen. Waar het dier zich precies bevond, kon hij niet zien. De hond lag tussen twee plukken heester in, die hem aan het zicht onttrokken. Luis vloekte. Hij begreep het niet. De dosis kinine was ruim voldoende geweest. Hij besloot nog even te wachten.

Op avonden als deze walgde Luis van zichzelf. Als de crisis er niet tussen was gekomen, dan zou hij waarschijnlijk nog steeds een brave burger zijn, die met een eerlijke stiel zijn brood verdiende. Vroeger had hij er, zoals alle jongens van La Boca, van gedroomd om voetballer te worden. Die droom was het enige dat hij Jorge, zijn jongste zoon, had kunnen schenken. De jongen had overduidelijk talent, het soort ruwe behendigheid dat op straat was gevormd en gerijpt.

Met de juiste begeleiding zou Jorge het nog ver schoppen, daar was zijn trotse vader van overtuigd. Maar dat kostte geld - veel geld - en dat had Luis niet. Toch weigerde Luis halsstarrig om zijn hoop op te geven. Was Diego Maradona himself tenslotte niet één van de Boca-kids geweest? Was Buenos Aires zelf niet als een droom begonnen? Voor het eerst in lange tijd bad hij. "God, laat die rothond alsjeblief slapen! Alsjeblief!" Even later kroop hij over de omheining, maar niet vooraleer hij een halfslachtig kruisteken had geslagen. Voor Jorge.

De Rottweiler lag uitgeteld op het gras, zijn helrode tong bengelde als een bloederige biefstuk tussen twee rijen vlijmscherpe tanden. Luis sloop behoedzaam door het bescheiden achtertuintje, tot nog slechts enkele stappen hem van het keukenraam scheidden. De rest was een koud kunstje, hield Luis zichzelf voor. Hij viste een glasbrander uit zijn rugzak en strekte zijn arm uit naar het glas...

 

En trok die onmiddellijk terug, toen een schaduw de keuken binnenkwam. Luis dook instinctief ineen. Die reflex redde zijn vel, want nauwelijks één seconde later floepte het licht aan. Een oudere man, in onderhemdje en vaalgele boxer, slofte loom de kamer in. Luis schrok niet weinig toen hij de man herkende als de hoerenloper van eergisteravond! 

 

Een ondraaglijke pijn sneed door Luis' linkerkuit. Tegelijkertijd weerklonk er een dierlijk gehuil door de nacht. Pas later besefte Luis dat hij het was die het uitschreeuwde - en niet de jonge Mastiff die zijn tanden in zijn been had gezet. Een bijter. "Toch iemand die heeft opgelet," dacht hij met een soort grimmige voldoening. En toen werd alles zwart...


Soddatjes

Het was perfect. Een schuchtere glimlach deed Tobias' sullige gelaatstrekken oplichten. Zijn speelgoedsoldaatjes stonden in kaarsrechte rijen opgesteld op de pas geboende keukenvloer. Elk figuurtje stond op zijn vaste plaats. De groene bij de groene, de grijze bij de grijze. Het waren er wel meer dan honderd. Tobias was apetrots op zijn uitdeinende miniatuurleger. Zijn ouders moesten hem nooit vragen wat hij voor zijn verjaardag, kerstmis of Sinterklaas wou. "Soddatjes!" kraaide hij steevast nog voor ze de vraag hadden gesteld. 

Tobias frunnikte aan de pleisters rond zijn vingers. Soms raakte hij zo opgewonden dat hij tot bloedens toe op zijn nagels kauwde. Zijn moeder werd er gek van. Misschien was dat wel de reden waarom hij het keer op keer deed. Dat was haar verdiende loon. Ze zag Sven nu eenmaal liever dan hijzelf.

Zo dadelijk zou zijn machtige leger zich in beweging zetten. Hij moest alleen het afgesproken signaal geven. Hij sloot eerbiedig zijn ogen en genoot van de bijna gewijde stilte die over het slagveld hing.

Uur 0 was aangebroken. Straks zou de keukenvloer bezaaid liggen met krijsende, jammerende en stervende soldaatjes. Maar nu nog even niet. Eerst moest de vlag nog worden gehesen. Tobias haalde het papieren vlaggetje dat hij van de kaasschotel had gestolen uit zijn broekzak. Hij wou het net omstandig platstrijken toen het onvoorstelbare gebeurde.

Sven, Tobias' driejarige broertje, kwam als een kleurrijke tornado de keuken binnengestormd. "Boem! Boem!" Met één onhandige, enthousiaste graai had hij een waar bloedbad aangericht. De soldaatjes vlogen alle kanten op. De weinige overlevenden stonden aan de grond genageld. Hun stille geschreeuw vulde Tobias' hoofd. Zonder na te denken viel hij de vijand aan. 

***

Niemand begreep wat Tobias die avond had bezield. Zijn ouders hadden Sven in de badkamer gevonden, koortsachtig bevend en helemaal onder de schrammen. Hij had urenlang gehuild. Tobias zelf bleef hardnekkig zwijgen. Ook het legertje kinderpsychologen, sociale assistenten en therapeuten dat er werd bijgehaald, werd niets wijzer. Tobias zei geen woord. Behalve "Soddatjes!", maar dat deed hij zo stil dat niemand het hoorde.  


Muziek!

 

Ik kan veel verdragen. Echt waar. Als ik aan de kassa van de supermarkt sta te wachten, dan word ik niet kwaad als de persoon vlak voor mij zijn tomaten is vergeten te wegen zodat de kassierster een half uur weg is op zoek naar een weegschaal die werkt. En hoewel ik persoonlijk geloof dat ze het grootste deel van dat half uur tetterend met haar collega van kassa vier heeft doorgebracht en hoewel ik weet dat ik hierdoor te laat thuis ga zijn om Mooi en meedogenloos voor mijn vrouw op te nemen en daardoor fikse rel ga krijgen, toch blijf ik beleefd. ‘Alstublieft mevrouw. Dankuwel. Tot ziens.’

Ik kan veel verdragen, echt waar. De geur van de kleedhokjes van onze gemeentelijke sporthal, het kapsel van koningin Fabiola, jehovahgetuigen aan mijn deur, het woord ‘toedeloe’ of ‘doei’, mensen die met hun vingerkootjes kraken of die met hun nagels over zo’n zwart schoolbord gaan, ik kan er allemaal tegen. Ja, ik was zelfs één van de weinige mensen die geen boze brieven naar de VRT schreef ieder keer dat Sabine Appelmans op TV verscheen. Ik ben niet moeilijk.

Maar van mijn gitaar moesten ze vroeger afblijven. Niet dat het een dure gitaar was: het was meer een schoendoos met wat snaren op. Ik was het eerste muzikale genie van de familie. Behalve een oom die ‘Vrolijke vrienden’ op banjo kon playbacken, was ik de eerste die een instrument op een deftige manier kon vasthouden. Misschien was dat de reden waarom dat mijn ouders zo schrokken toen ik voor mijn zestiende verjaardag een gitaar vroeg. ‘Een gitaar, maar jongen toch, wat gaat ge dààrmee doen?’ Ze hadden niet vreemder kunnen opkijken als ik een Kalsahnikov met bijhorende vlammenwerper had gevraagd.

Toegegeven, mijn bedoelingen waren allesbehalve muzikaal. Ik was even muzikaal als een B-52-bommenwerper met serieuze motorproblemen.

Nee, er is maar één reden waarom een jongen van 16 gitaar leert spelen. Meisjes versieren. Ik was vaak genoeg op taalkamp geweest om te zien wat het effect van een slecht gespeelde versie van ‘Wonderful tonight’ of ‘When I need you’ op de gemiddelde vrouw was. Een gitaar was het ideale middel om mijn acné sociaal aanvaardbaar te maken. En om de vrouw van mijn leven te vinden.

Ik begon dan ook met goede moed aan mijn gitaarlessen. Al snel ontdekte ik een groot probleem, iets wat geen enkele gitarist voor mij had ontdekt. Een mens heeft vijf vingers. Een gitaar heeft zes snaren. Jawel, ZES snaren. VIJF vingers. Eén snaar te veel dus. Gitaar spelen is dus theoretisch onmogelijk. Ik liet me hierdoor echter niet uit het lood slaan en speelde dapper verder. Het eerste nummer dat ik leerde spelen was ‘Blowing in the wind’. Ik had het nummer nog nooit gehoord dus zong ik maar wat en hoopte dat het een beetje op het origineel leek. Dan liet ik mijn zus raden welk nummer ik speelde.

Sindsdien spreken we niet meer tegen elkaar. (nvdr. Katrien, mocht je dit lezen - dit is verzonnen ;-)

Ik had al snel door dat zelfs ‘Stille nacht’ te hoog gegrepen was. Daarom schreef ik mijn eigen nummers die ik wél kon spelen, daar zorgde ik wel voor. Meestal gingen die liedjes over onbeantwoorde liefdes en wegkwijnende zestienjarigen met acnéproblemen. En de titel was meestal de naam van een meisje dat ik niet kon krijgen. ‘Martine.’, ‘Suzanne’, ‘Tania’, ‘Tina’ en ‘Linda’, zo heetten mijn eerste eigen liedjes. Vooral met ‘Linda’ had ik wel wat problemen want ik kende maar één woord dat op –inda eindigde. ‘Pinda’.

Op dit dode punt in mijn carrière aanbeland, ontmoette ik Joost. Joost speelde nog slechter gitaar dan ik. Daarom was hij een grote Jimi Hendrickx-fan. Hij was dan ook al aan zijn vijfde gitaar toe. Samen vormden we een groepje. Dit gebeurde nadat we op een avond heel erg zat waren geworden en besloten hadden de wereld te veranderen. Of dan toch tenminste het uur waarop we thuis moesten zijn. We noemden ons groepje ‘Balzakhaar’ en droomden al luidop van volgelopen voetbalstadions en seks op de achterbank van onze limousines met ingebouwde koelkast.

We zaten toen allebei in het vierde Latijn-Wiskunde waar we onze dagen vulden met het plannen van de volgende wereldrevolutie en lachen met het kapsel van onze leraar biologie. In die volgorde.

Het was onze bedoeling om punkmuziek te maken, maar dit was nogal moeilijk met twee klassieke gitaren en geen drummer. Daarom schakelden we al snel over naar het zachtere genre: ‘Yesterday’ en ‘Wonderful tonight’, zo van die dingen. Zo mochten we op het schoolfeest optreden, ergens tussen de Abba-imitatie van het tweede kleuterklasje van juffrouw Martine en Get Ready, die bij ons op school zaten, in.

Tijdens het optreden leek alles goed te gaan. Mijn gitaarsolo van vijf seconden lang klonk lekker smerig, we schreeuwden de ballen van ons lijf en halverwege het tweede nummer stak Joost zijn gitaar in brand. Een prachtig optreden dus. Slechts één minpunt: er was geen publiek. Alleen Joosts dove grootvader was tijdens het tweede kleuterklasje blijven staan.

En toen gebeurde het. Joost kwam op het lumineuze idee om te stagediven. Ons eerste optreden werd dan ook direct ons laatste optreden. Na twee kijkoperaties en een vijftigtal hechtingen kon Joost eindelijk opnieuw praten.

Eén van de eerste dingen die hij zei, was ‘Ik stop ermee.’

‘Ik stop ermee.’ En dat was het.

Zijn muzikale partner, dat was ik dan, bleef verslagen achter. Maar ik ging door: ergens had ik de smaak van optreden te pakken gekregen. Sinds dat moment, die tien minuten vóór Joost met zijn stomme kop de speelplaats raakte, heb ik altijd voor een publiek willen staan.

Ik was zestien en vond dat de wereld nog heel wat van mij kon leren. Ik wou Gandhi én Moeder Theresa én Kurt Cobain én John Lennon én John F. Kennedy zijn. Maar dan zonder de stomme blauwgerande handdoek van de eerste en de schotwonde van de laatste.

Ik was zestien en de toekomst moest nog komen.

Ik was zestien en hopeloos naïef.

Toen ik achttien jaar was, kocht ik mijn eerste elektrische gitaar. Want ik vond dat de buren ook mochten meegenieten van het muzikale talent naast hun deur. Net zoals ik iedere zaterdag hun grasmachines te horen kreeg. Ik had het geld verdiend met mijn studentenjob van dat jaar. Zes weken wieltjes in elkaar schroeven had me net voldoende opgeleverd om een gitaar te kopen. Ik stond voor de keuze: ofwel kocht ik een dure gitaar waar ik tevreden over zou zijn of ik kocht een goedkope gitaar met een handleiding die uitsluitend in Oost-Aziatische talen geschreven was. In dat laatste geval had ik nog net voldoende over voor de 200 zakjes voetbalprentjes die mijn WK 1992-verzameling compleet moesten maken.

De opinies over mijn elektrische gitaar raakten al snel verdeeld. Aan de ene kant had je mezelf: ik vond mijn gitaar fan-tas-tisch. Aan de andere ka  nt had je mijn familie, de buren, de schapen achter ons huis en ongeveer de rest van toenmalige beschaafde wereld. Zij hadden namelijk een lichtjes andere mening.

Al snel ontdekte mijn vader dat je ook een koptelefoon op mijn gitaar kon aansluiten. Dit vond ik wel vreemd, want normaal had mijn vader evenveel voeling met elektronica als een holemens dat met kernfysica had. Voor mijn zeventiende verjaardag kreeg ik dan ook – totaal onverwacht - een koptelefoon.  ‘Dat had je niet moeten doen,’ zei ik.  ‘Inderdaad niet, maar er moest toch iemand het doen,” antwoordde hij.

Weet u trouwens waarom sommige gitaristen zweetbandjes dragen, net zoals tennissers? Volgens statistieken zijn er sinds het ontstaan van de elektrische gitaar al meer dan 250 gitaristen tijdens een concert geëlektrocuteerd, gewoon omdat er zweet in hun versterker of mengpaneel was gedruppeld. 250 mensen! Ze zouden op iedere gitaar zo’n tekstje moeten zetten: ‘Gitaar spelen kan de gezondheid ernstige schade toebrengen.’ Met daaronder dan een foto van The Rolling Stones toen ze hun vijftigste jubileum vierden. Geen mens die nog een gitaar aanraakt…

Maar goed, ik was over mijn muzikale carrière bezig. Er zijn momenten in je leven die je nooit vergeet. De eerste keer dat je alleen naar school mag fietsen, of die keer dat je vader zegt ‘ik ben fier op je’ of dat tovermoment waarop je voor het eerst beseft wat ‘ik hou van je’ nu eigenlijk echt wil zeggen. Je eerste solo-optreden is ook zo’n moment.

Je moet dan immers ook twintig keer naar het toilet zonder dat er ook maar één schot wordt gelost. Mijn eerste optreden was in Brussel. Ik was nog niet zo vaak in onze hoofdstad geweest en had dan ook mijn zakmes meegebracht. Je weet maar nooit. Ik voelde me een beetje als Frank Sinatra die zo’n vijftig jaar eerder met geen frank op zak zijn eigen hoofdstad veroverde. Alleen heeft Brussel even veel gemeen met New York als een koe met een kruisraket.

Brussel is, echt waar, een toffe stad. Er zijn echter een paar dingen aan Brussel die ik nooit begrepen heb. Die drang om volstrekt lelijke kantoorgebouwen naast lieflijke kerkjes en herenhuizen neer te poten, om maar iets te noemen. En het volkomen gebrek aan stadsplannen. Er staan wel duizenden reclameborden met de tekst ‘voor stadsplan: zie ommezijde’ erop. Fantastisch. Ware het niet dat die tekst ook op de achterkant staat.

Ik moest in een school ergens rond Place de La Liberté zijn. Maar ik wist niet precies meer waar. Ik had nooit gedacht dat Brussel zo groot zou zijn. Natuurlijk kon ik het altijd aan iemand hebben gevraagd, maar ik durfde niet echt. Moest ik iemand nu in het Frans of in het Nederlands aanspreken? Ik zag de krantenkoppen al voor me: ‘Jonge West-Vlaming veroorzaakt taalconflict ergens rond Place de la Liberté.’ Ik wou de ondergang van de Belgische staat niet op mijn geweten hebben en daarom liep ik maar wat verloren met een veel te zware gitaar en versterker op mijn rug.

Ik zal u een geheim vertellen: mijn eerste optreden waar ik later zo over heb opgeschept, wel dat optreden heeft nooit plaats gevonden. Dit blijft onder ons. Nee, ik ben nooit ter plaatse geraakt. Correctie: ik ben wél ter plaatse geraakt maar was zoveel te laat dat ik niet meer binnendurfde. Ik heb wel een half uur aan die schoolpoort gestaan. Tot de concièrge naar de poort kwam en vroeg wat ik met die tennisraket van plan was. Ik ben het dan maar afgestapt.

Sindsdien heb ik nooit meer op een podium gestaan.

Misschien was dat wel de triestigste dag uit mijn leven. De dag waarop je eerste droom sterft. Ja, nadien zijn er nog veel gestorven, dromen. Ik heb veel verloren. Mijn geloof in de wereldvrede, dat er ooit een dag zal komen dat niemand meer honger zal hebben, dat liefde onsterfelijk, dat God groot en goed is, dat vrienden voor het leven zijn en dat iedere mens een dichter is. Ja, ik ben veel kwijt geraakt onderweg naar dit podium. Maar het heeft nooit zoveel pijn gedaan als toen die dag, met mijn gitaar op mijn rug – ergens in Brussel-Centrum. Ik weet zelfs niet meer waar. Ik was 18 en heel erg moe.

Die avond heb ik het plastieken mapje met mijn liedjesteksten in, de vuilnisbak in gekieperd. Ik heb de hele nacht niet geslapen en toen ik de vuilnismannen langs hoorde komen, dacht ik nog ‘ik ga mijn liedjes redden’. Alleen, ik had toen mijn pyjama met blauwe beertjes aan. En mijn tijgersloffen. En het is nu eenmaal niet de gewoonte dat mannen met hun blauwebeertjespyjama’s en hun tijgersloffen op straat komen rennen. Ik ben dus toch maar binnengebleven.

Klassiekers als ‘Hanne’ en ‘Daar staat ze’ of  ‘Oma’s aan den dop’. Allemaal met de vuilniskar meegegeven. Dat doet pijn. Veel pijn. Bijna evenveel als wanneer je op je fiets springt en ontdekt dat iemand het zadel heeft gepikt.  

Als ik een straatmuzikant tegenkom, en dan vooral een gitarist, kan ik het nooit laten om even stil te staan en te luisteren. Dat is een gewoonte die me al veel geld gekost heeft, want tegenwoordig zijn die gasten al niet meer tevreden met vijf frank of zo. Gisteren zag ik nog een violist op de grote markt. Hij had een kaartje bij. ‘We aanvaarden ook VISA’. Stond erop. Fijn.

Een tijdje geleden ben ik opnieuw beginnen spelen. Omdat mijn oude gitaar door een dynastie houtwormen opgegeten was, moest ik er een nieuwe gaan kopen. Het ding kost wel vijf keer zo veel als mijn eerste gitaar en toch gaf de verkoper me het gevoel alsof ik voor die prijs al blij mocht zijn dat er effectief snaren op zaten.

Verkopers… Ik weet niet of u al ooit een instrumentenwinkel bent binnengestapt. Ze proberen een mens daar altijd de meest nutteloze accessoires aan te smeren. Dat geeft dan aanleiding tot dialogen zoals deze.

- Verkoper zegt: ‘Meneer Biebau, omdat ik u zo’n toffe vent vind, geef ik u dit exclusieve Yamaha-T-shirt er gratis bij. Voilà!’

- Ik zeg: ‘Amaai, dat is sympathiek.’

- Verkoper antwoordt: ‘Inderdaad, zeker als u weet dat dat T-shirt normaal meer dan 1.200 frank kost. Maar ik vind u dan ook wel héél erg tof.’ Waarna hij vals naar me glimlacht.

- Hierop repliceer ik: ‘Als u mij dan zo tof vindt, kan u mij dan niet de gitaar zonder T-shirt verkopen? En er gewoon 1.200 vanaf doen?’

Hierna vindt de verkoper me opeens niet meer zo tof. Dat zegt hij dan ook. Waarop ik dan zeg dat hij zijn T-shirt mag steken daar waar het lekker warm en vochtig is. En ik vertrek. Met gitaar maar zonder T-shirt.

Gisteravond heb ik mijn nieuwe aankoop voor het eerst uitgeprobeerd. Ik ben stilletjes naar beneden geslopen en heb de gitaar uit zijn kist gehaald. Wel een kwartier heb ik er zwijgend zitten naar kijken. Ik wist niet meer goed hoe ik het ding nu precies moest vasthouden. Dus hield ik het vast zoals je een vrouw die je voor het eerst kust, vastneemt. Totaal verkeerd. Ik zat in de lege woonkamer en probeerde enkele liedjes waarvan ik dacht dat ik ze al lang vergeten was. Mijn stem klonk zwakjes en de gitaar stond  vals en ik had mijn berenpyjama aan en... Plots stond mijn vrouw beneden aan de trap. Ze vroeg: ‘Wat ben je aan het doen?’ En ze glimlachte.

Die avond gebeurde er een klein mirakel. Want ik was opeens weer achttien. En ja, zij ook. En we waren hopeloos naïef. Want ja, het beste moest nog komen.  


De biograaf

"Ik denk altijd aan haar." Meneer B. zei het zacht, zijn stem niet luider of opvallender dan het geritsel van een blad. Natuurlijk was het een leugen. Niemand kan altijd aan hetzelfde denken. Je kan niet én tegelijk de vaat doen én aan je gestorven vrouw denken. Naar het toilet gaan terwijl je haar vertrouwde gezicht voor je ziet. "Ik denk altijd aan haar." Het was één van de clichés waarmee B. zijn leven trachtte te duiden. Ooit was hij een groot wetenschapper geweest die verbanden, wetten en evoluties had gezien waar anderen slechts chaos ontwaarden. Het had hem beroemd gemaakt. Even hadden mensen hem zelfs op straat herkend. Nu was hij niet meer dan een frêle, oude man, voor wie de tijd een reeks krimpende getallen was.

 

"Ik heb nooit veel met schrijvers gehad." Hij boog zich vertrouwelijk naar me toe - dit was meestal een signaal dat er een snedige opmerking stond aan te komen, één die ik zeker moest opschrijven. "Ik had het te druk met de werkelijkheid om me met fantasie bezig te houden." Ik overwoog even om mijn geliefde Letteren te verdedigen, maar bedacht dat dit sowieso hopeloos was. Meneer B.'s overtuigingen waren - net als de Deense boterkoekjes die hij steevast bij zijn koffie serveerde - uit graniet opgetrokken. Ik zweeg en deed wat van me verwacht werd: ik schreef, terwijl de donkere, eikenhouten meubelen onbewogen toekeken.

 

Onze relatie draaide om geld. Meneer B. betaalde me genoeg om zijn onhebbelijke gewoontes en pedante praat aanvaardbaar te maken, maar niet voldoende om me van hem te doen houden. Daarvoor lagen onze werelden te ver uit elkaar. Waarom meneer B. net mij had uitgekozen om zijn middelmatige leven op papier te zetten, had hij me nooit verteld. Het was één van die onderwerpen die we allebei zorgvuldig meden, zoals schaatsers dat met een zwakke plek in het ijs doen. Waarschijnlijk had hij één van mijn jeugdige kortverhalen gelezen die niet door de acquisitiedienst van het Davidsfonds waren genekt. De korte, zakelijke stijl die ik toen hanteerde zal hem vast en zeker aangesproken hebben.

 

Hij belde me voor het eerst op een zondagavond. “Of ik zijn biografie wou schrijven.” Normaal had ik zijn verzoek weggelachen, maar mijn financiële situatie liet dat niet toe. Ik woonde toen nog alleen met mijn dochtertje Sara. Ze had de MP3- en gsm-leeftijd nog niet bereikt maar ik besefte dat dat slechts een kwestie van maanden was. Ik kon elke cent dus wel gebruiken. Daarom – en alleen daarom – stemde ik toe.

 

De volgende twee jaren verliepen volgens een vast patroon. Dat moest zo, want meneer B. hield van regelmaat zoals alleen wetenschappers dat kunnen. In zijn universum werd A altijd door B gevolgd, vormden twee gegeven stoffen onvermijdelijk een derde…  Ook zijn leven was een perfect geordende opeenvolging van voorspelbare gebeurtenissen. Elke zondagavond meldde ik me aan bij de Pakistaanse conciërge van B’s luxueuze serviceflat, een hopeloos ouderwetse dictafoon en een notablok in mijn rugzak gepropt. Gedurende twee uur onderhield B. me dan over deze of gene episode uit zijn voorbije leven, zijn darmtransit of de vermeende onbeschoftheid van de hedendaagse jeugd. Nadien, achter mijn aftandse PC gezeten, probeerde ik deze ontboezemingen tot een samenhangend verhaal om te toveren, een taak die enorm werd bemoeilijkt door meneer B’s dwangmatige bemoeienissen.

 

“Feiten, mijn jongen! Feiten! Meer heb je niet nodig!” placht hij te zeggen als hij mijn pennenvruchten weer eens doorbladerde, met de welwillende blik van een vader die zijn zoons eerste opstelletje naleest. “De mensen lezen al genoeg fantaisistische rommel. Dit boek moet en zal anders zijn! Een spiegel van het ware leven, zonder franje en valse emoties!” Soms deed meneer B. me aan Thomas Gradgrind denken, de aan feiten verslaafde schooldirecteur uit Dickens’ Hard Times.

 

De neiging om de werkelijkheid wat aan te dikken of te romantiseren was nochtans bijzonder groot, want meneer B’s leven – zijn opgang van simpele boerenjongen tot wetenschapper, het academische gekissebis waarin hij zich vol overgave had gestort, zijn monogame liefdesleven - was van een ongeziene, slaapverwekkende saaiheid.   

 

***

 

"Ik denk altijd aan haar." Het was de eerste keer dat B. zich tot een emotie liet verleiden. Hij keek me aan met verrassend jonge ogen en liet een droevige glimlach over zijn gezicht glijden. Hij veegde een onzichtbaar pluisje van zijn kraaknette pantalon en bloosde licht, alsof hij zich schaamde voor de menselijkheid die hij zo-even had getoond.

 

“Vertelt u eens wat meer over uw vrouw,” probeerde ik hem aan te moedigen, hoewel ik wist dat dat geen zin had. Tot mijn grote verbazing – of was het ontsteltenis? – ging B. in op mijn onbetamelijke verzoek. Hij begon te vertellen, met de kracht en de passie van een rivier die te lang was ingedamd en nu door zijn betonnen gevangenis was gebroken. Over Vera – het was de eerste keer dat hij zijn vrouw een naam gaf. Over hun eerste ontmoeting, hun leven samen en haar te vroege dood. Ik noteerde als een gek, blij met de goudader aan emoties die was blootgelegd. Dit was literatuur zoals het moest zijn: pure, rauwe emotie gedistilleerd in de alembiek van het leven. Buiten werd het nacht, maar dat merkte geen van ons beiden op.

 

Om ongeveer twee uur – in het midden van een herinnering - stond meneer B. plots op. “Het is tijd om te gaan,” zei hij en wees me met kordate hand de deur. “Tot volgende week,” mompelde ik nog verrast – maar mijn enige toehoorder was een gesloten deur.

 

***

 

De volgende dagen spendeerde ik achter het vergeelde klavier van mijn PC. Die ene avond had me meer stof opgeleverd dan de voorbij twee jaren samen. Mijn hongerige handen smeedden fragmenten, herinneringen en ideeën samen tot één groot, overweldigend verhaal. De waargebeurde geschiedenis van een man van de wetenschap, uit cijfers en feiten opgetrokken, die de Liefde leert kennen in de vorm van een vrouw. Een verhaal van catharsis, Grote Emoties en liefde over de grenzen van de Dood heen. Het was perfect.

 

De volgende week weigerde B. me te ontvangen. Ik gaf mijn manuscript aan de conciërge, die me bezwoer dat hij het hoogstpersoonlijk aan meneer B. zou overhandigen.

 

Ook de week daarna stond ik voor een gesloten deur. “Meneer B. heeft het verhaal nog niet helemaal uit,” vertelde de conciërge me. “Hij is een trage lezer.” Ik geloofde hem niet.

 

Pas één maand later liet meneer B. me opnieuw binnen. Hij was sterk vermagerd en zijn huid had een ongezonde, gelige tint. Ik verwachtte dat hij mijn schrijfsels met wetenschappelijke precisie zou afkraken, maar dat deed hij niet. “Het ontroerendste verhaal dat ik ooit gelezen heb,” noemde hij het. “En er is geen woord van gelogen,” voegde hij eraan toe. Dat was veruit het mooiste compliment.

 

“Er ontbreekt slechts één ding,” zei ik. Hij keek me aan en ik besefte dat ook hij het had opgemerkt en dat dat net de reden was geweest waarom hij me de voorbije weken niet had willen ontvangen. “Een einde,” antwoordde hij. Ik knikte.

 

Na lang discussiëren hadden we een compromis gevonden. Het zou Cap Finistère worden, één van de meest westelijke punten van Bretagne. De naam had – naast de relatief makkelijke bereikbaarheid - de doorslag gegeven. Finis terrae, het Einde van de Aarde, waar de Atlantische Oceaan op de vestingmuren van het oude Europa beukt. Bestond er een mooiere plaats voor het einde van een dramatisch liefdesverhaal? Wij waren allebei overtuigd van niet.

 

Het duurde tot lang na zonsopgang voor de laatste toeristen de kliffen hadden ontruimd. B. en ik wandelden langs het kolkende water en spraken over het weer en de vermeende onbeschoftheid van de hedendaagse jeugd. Hij had zijn trouwkostuum aan – dat was één van zijn eigen ideeën geweest. Tenslotte kwamen we aan een granieten rotswand die loodrecht de zee indook. De muisgrijze golven spatten metershoog op.

 

“Adieu,” zei B. en hij sprong met een sierlijke boog het water in. Het was een perfect einde.

***

“Hij had zijn hele leven altijd aan haar gedacht.” Dat was de laatste zin van het boek. Het was de enige leugen in een voor de rest volledig waarheidsgetrouw verhaal...


4040

 

“Met de Vlaamse Televisiemaatschappij.”

- Ben ik bij de VTM?

“Dat zeg ik toch net.”

- U kan wel wat vriendelijker zijn, jongeman. Ik bel om u te helpen.

“Ja?”

- Ik heb nieuws.

“Maak het kort. We hebben vandaag al twaalf overreden honden, drie ontsnapte parkieten en twee verdachte Jehovah-getuigen gehad. Mijn geduld is dus redelijk uitgeput.”

- Wel, het gaat over Firmin van hier rechtover.

“Ja?” (zucht)

- Hij heeft een relatie met Jeannine van Onder den Toren.

(sarcastisch) “Hoogst interessant. Denkt u nu écht dat dit in het nationale nieuws moet?”

- Het is niet haar eerste keer, de sloerie. Vorig jaar was het de schepen van Openbare Werken. En daarvoor die van Feestelijkheden.

“Sorry, maar dit is niet het nieuws waar we naar op zoek zijn.”

- Een plaatsje in het eenuurjournaal moet toch wel kunnen? Of Het Hart van Vlaanderen? Kunnen we niets … regelen?

“Nee. En dat is definitief.”

(opgewonden) – Wel godver****** Zo’n schandaal! En twee schepenen erbij betrokken! En nu met Firmin! Het is een schande! Een schande, zeg ik u!

“U hoeft zich niet zo op te winden, meneer...

- Firmin en Jeannine die liggen te vossen in het maisveld! Hun geschokte kinderen met betraande wangen! Ik kan u de beelden bezorgen, als u dat wil!

 

(op de achtergrond klinkt er gestommel en daarna een tweede stem)

 

‘Karel, wel godver***, en dat noemt zich dan een vriend!’

- (geschrokken) Aah, Firmin! Dat is een… eh… verrassing. Hoe gaat het er nog mee?

‘Ik heb u wel gehoord. Mij en Jeannine zo zwartmaken! Smerige onderkruiper!’

(er weerklinken harde klappen en uiteindelijk een schot)

- Aaargggggghhhhh…

***

“Hebben jullie nog een ploeg?”

* “Waarvoor?”

“Een schietpartij. In Zwevegem. Twee zwaargewonden.”

* “Klinkt sappig.”

“En het waren dan nog twee goede vrienden.”

* “Ja, die 4040-lijn rendeert echt wel.”


Faraday

De Kooi van Faraday is de benaming voor een kooivormige constructie van elektrisch geleidend materiaal zoals koper of ijzer die er voor zorgt dat elektromagnetische straling niet tot binnen de kooi kan doordringen. (Bron: nl.wikipedia.org)

---

Natuurlijk hield ik van je. Is de oceaan nat? Is de zon warm? Mobiele telefonie te duur? Ik kwam je tegen en kon niet anders dan van je houden. Je was het beste wat me ooit in een supermarkt was overkomen.

O ja, we kenden elkaar al lang voor die ontmoeting tussen de pakken couscous en langkorrelige rijst. We werkten in hetzelfde prozaïsche bedrijf. Siertegels en laminaatvloeren. Jij ontwierp ze en ik verkocht ze. Toen al vulden we elkaar aan. Hoe had ik je al die jaren niet kunnen opmerken?

“Ben je aan het winkelen?” vroeg je.
Toegegeven, het was zowat de stomste openingszin die ik ooit gehoord had. Maar ik vergaf het je – graag. Je haren hingen los. Ik voelde me wat opgelaten. Waarom had je die goudrode schat zo lang voor me verborgen gehouden?
“Ja,” zei ik. Je fronste je wenkbrauwen, zodat ze op twee harige komma’s leken. Je was je eigen vraag al vergeten, veronderstel ik.

We bleven wat praten. Over de dingen waar collega’s nu eenmaal over praten. De nieuwe, afgrijselijke, Daffy Duck-das van ons afdelingshoofd, de geplande herstructurering en de kwaliteit van de espresso in de kantine.
“Ik moet weg,” zei je plots.
Mijn ogen vergezelden je tot aan de uitgang. Er lag één biefstuk in je karretje en één portie noedels.

Ik corrigeer mezelf. Ik ben niet verliefd geworden op jou. Niet op jou, maar op de enkele, herkauwde en kapotherinnerde momenten waarop we echt hebben gepraat. Jij en ik, twee gelijkgestemde zielen in een kakafonisch heelal. Op het eerste licht dat op een welbepaalde, moeilijk te definiëren, manier je haren in vuur en vlam kon zetten. Op de lichte vloeken die elke consultatie van de weegschaal met zich meebracht.

***

Mijn moeder stuurt me elke dag een mailtje, waarin ze in bedekte termen naar mijn gezondheid informeert. Ze maakt zich zorgen nu je er niet meer bent. Over mijn mentale stabiliteit, mijn eetgewoonten en over het al dan niet aanwezig zijn van propere onderbroeken in mijn bestaan. Ik maak me vooral zorgen over hààr.

***

Ik zet de TV aan. Dan valt de eenzaamheid minder op. Net zoals lelijk vasttapijt de aandacht afleidt van al even lelijk behang. Ik laat de Champions League-wedstrijd aan me voorbij gaan. Je hield van voetbal.
“Ik ben met de foute man getrouwd,” grapte je vaak – als ik me tijdens een wedstrijd weer eens vol walging van het scherm had afgewend. Ik gaf je geen ongelijk.

***


Kan iemand een stuk van zijn verleden kwijtraken? Alsof een beginnende chirurg met een scalpel in zijn hersenen heeft gepookt? Ik mis ons verleden samen. Zelfs de dingen die me ergerden, ontlokken me nu een dromerige glimlach. De voetballers op het scherm juichen als een stel uitgelaten kleuters. Het is 4-3. Ik supporter voor de tegenpartij. Uiteindelijk ga ik moegetergd naar buiten.

***


De supermarkt is al drie keer van interieur veranderd sinds onze eerste ontmoeting. “Vooruitgang,” noemt de directie het. Ik noem het “slechte wil”. Ik dwaal tussen de schappen en koop alleen de dingen die ik niet nodig heb. De rest laat ik staan. Het is nooit anders geweest.

***


Ik was niet eens verrast toen ik je tegenkwam. Ik heb altijd al in het Lot geloofd, een beschermende kooi van Faraday die onze werkelijkheid omarmt en stuurt. We troffen elkaar bij de couscous en de groenteconserven – de langkorrelige rijst was er deze keer niet bij, die stond nu bij de “condimenten”.

“Ben je aan het winkelen?” vroeg je.
“Dat is zowat de domste openingszin die ik ooit heb gehoord,” zei ik.
Je glimlachte. En ik, ik lachte terug - als je eeuwige spiegelbeeld.

©Dosto 01-10-05